Het belang van een goed binnenklimaat op de werkplek

logo_strooming

Mensen zijn 85% van hun tijd binnen, veel mensen brengen een groot deel van deze tijd door op kantoor. Toch gaat maar 10% van de operationele kosten van een organisatie naar huisvestingskosten en energiekosten (samen 10%), het leeuwendeel van de kosten (90%) gaat op aan de salariskosten van de medewerkers. De productiviteit van medewerkers of gebouwaspecten die daarop van invloed zijn, zijn daarmee heel relevant voor werkgevers.

Bron: Health, Wellbeing & Productivity in Offices, World Green Building Council, 2014
Bron: Health, Wellbeing & Productivity in Offices, World Green Building Council, 2014

Medewerkers ontevreden over binnenklimaat

Het Center for People and Buildings houdt jaarlijks een enquete onder werknemers over hun werkomgeving. De focus ligt daarbij op de fysieke werkomgeving, maar er wordt ook gekeken naar aspecten die voor de beleving van de werkomgeving van belang zijn. Net als in eerder onderzoek uit 2014 zijn medewerkers volgens de CfPB indicator 2015 vooral ontevreden over het binnenklimaat. Bij binnenklimaat gaat het om zaken als thermisch comfort, verlichting, geluidsinvloeden en luchtkwaliteit.

Bron: CfPB
Bron: CfPB

Gebouw de sleutel tot gezondheid en productiviteit

In het onderzoeksrapport Health, Wellbeing & Productivity in Offices (pdf) stelt de World Green Building Council dat een goede luchtkwaliteit tot een productiviteitswinst en gezondheidsvoordeel kan leiden van 8 – 11%. Als veel medewerkers nu ontevreden zijn is de kans groot dat het voordeel op kan lopen. Oftewel gebouwen zijn de sleutel tot gezondheid en productiviteit van uw medewerkers.

Door meten is goed vast te stellen of uw gebouw voldoet aan de fysieke eisen die uw medewerkers stellen aan hun werkplek. Dat het gebouw voldoet aan de wettelijke eisen wil daarbij nog niet zeggen dat medewerkers het binnenklimaat ook als comfortabel ervaren. Temperatuur is relatief eenvoudig zelf te meten. Het wordt al lastiger om te bepalen of er geen sprake is van koudeval, tocht of een te grote temperatuur gradiënt in een ruimte. Hetzelfde geldt voor geluidsinvloeden, lichtsterkte, luchtvochtigheid en luchtkwaliteit. In al deze gevallen kan het inschakelen van een gespecialiseerd bedrijf helpen om grip te krijgen op het binnenklimaat.

Luchtkwaliteit

Een goede luchtkwaliteit betekent een lage CO2 concentratie en lage concentraties aan vervuilende stoffen. Dat vergt tijdig goed ingeregelde ventilatie- en klimaatbeheersingsinstallaties, maar ook tijdig schoonmaken van ventilatiekanalen en vervangen van filters. Slecht schoongemaakte luchtbehandelingskasten zijn een bron van stof en ziektekiemen. Ook kan een slechte luchtkwaliteit leiden tot klachten als hoofdpijn, brandende ogen en irritatie van de luchtwegen.

Luchtkwaliteitsonderzoek kantoor

Een luchtkwaliteitsonderzoek kantoor is een goede manier om te achterhalen hoe het met luchtkwaliteit in een kantoor gesteld is. Met dit onderzoek kunnen de meest voorkomende ziekmakende pathogene, zoals bacterien, schimmels en gisten, geanalyseerd worden. Door ook op strategische plekken CO2, luchtvochtigheid en temperatuur te meten kan de oorzaak van klachten achterhaald worden. Als er klachten zijn over geur of fijn stof is het mogelijk om deze aspecten mee te nemen in het onderzoek. Om te bepalen of de oorzaak van een slechte luchtkwaliteit buiten het gebouw ligt is het mogelijk om ook buiten metingen te doen.

Na het uitvoeren van het luchtonderzoek kantoor wordt in een rapport duidelijk aangegeven welke problemen er zijn en welke acties genomen kunnen worden om deze aan te pakken. Zo kan bij een verhoogde waarde van fijnstof het advies gegeven worden dat de luchtbehandelingskast of luchtkanalen een schoonmaakbeurt nodig hebben of dat het kantoor zelf een grondigere schoonmaak nodig heeft. Aanvullend is het mogelijk dat de luchtbehandelingskast met eventueel luchtkanalen gedesinfeerd moeten worden. Bij een te hoge luchtvochtigheid kan worden gedacht aan ontvochtiger of andersom bij een te droge lucht aan een bevochtiger. Als de luchtkwaliteit en luchtvochtigheid goed zijn, maar een beperkt aantal medewerkers toch klachten houdt kan het advies zijn om maatwerk voor de werkplek van deze medewerkers te treffen. Bijvoorbeeld een extra luchtbevochtiger op de werkplek van deze medewerker.

Dit bericht is geschreven in opdracht van Strooming, specialist op gebied van waterveiligheid, luchtkwaliteit, brandpreventie, asbest, energiebesparing en technische keuringen. De originele publicatie is hier te vinden.

Fijn stof meting

logo_strooming

Sinds januari van dit jaar zijn voor de buitenlucht nieuwe eisen voor luchtkwaliteit van kracht. Mensen zijn echter gemiddeld 85% van hun tijd binnen, thuis, op school of op kantoor. Allerlei stoffen die in het binnenmilieu vrijkomen, zoals vocht, CO2, fijnstof, allergenen en radon, kunnen zich bij onvoldoende ventilatie ophopen. De concentraties stoffen zijn volgens het RIVM in het binnenmilieu vaak hoger dan buiten en kunnen gezondheidseffecten veroorzaken.

Gezondheidsimpact fijnstof

Fijnstof is een verzamelnaam voor deeltjesvormige luchtverontreiniging die klein genoeg zijn om ingeademd te worden. Er is geen drempelwaarde bekend waaronder geen gezondheidseffecten optreden. Vooral gezondheidseffecten van fijnstof in de buitenlucht zijn bekend uit onderzoek. Acute effecten van fijnstof zijn hoesten, benauwdheid en verergering van luchtwegklachten, ziekenhuisopnames en toename in de dagelijkse sterfte. Mensen met bestaande luchtwegaandoeningen of hart- en vaatziekten zijn extra gevoelig. Behalve door de kortdurende piekblootstelling, kunnen gezondheidseffecten ook optreden door langdurige blootstelling aan het gemiddelde achtergrondniveau. Dit kan leiden tot blijvende gezondheidseffecten zoals verminderde longfunctie, verergering van luchtwegklachten en vroegtijdige sterfte aan met name luchtwegklachten en hart- en vaatziekten.

Er wordt steeds meer gekeken naar nog kleinere stofdeeltjes, die onderdeel zijn van PM10. Bijvoorbeeld PM2,5 zijn deeltjes die kleiner zijn dan 2,5 micrometer. Ultrafijnstof bestaat uit stofdeeltjes die kleiner zijn dan 0,1 micrometer (PM0,1). Vermoed wordt dat deze kleinere deeltjes schadelijker zijn dan PM10, omdat ze dieper in de longen kunnen doordringen. Daarnaast is er sinds kort ook weer veel aandacht voor het roet in stofdeeltjes (bv. van verbrandingsmoteren) omdat de effecten daarvan tien keer nadeliger worden ingeschat dan die van PM10.

Frisse scholen

Voor 2009 was de luchtkwaliteit volgens het Longfonds in 8 van de 10 klaslokalen onvoldoende. Reden voor de overheid om vanaf 2009 fors te investeren in regelingen om de luchtkwaliteit op scholen te verbeteren. Ook kunnen scholen die structureel aan gezondheid werken het vignet Gezonde School aanvragen en zich profileren als Gezonde School. Luchtkwaliteit is een van de onderwerpen waarmee een school zich kan profileren. Dat voorkomt gezondheidsklachten en daarmee ziekteverzuim. Ook heeft een goed binnenmilieu een positief effect op de leerprestateis.

Het gaat bij een gezonde binnenlucht niet alleen om goed ventileren, maar ook om onderhoud van bv. luchtbehandelingsinstallaties. Vanaf 1 januari 2015 zijn scholen in het primair onderwijs zelf verantwoordelijk voor het onderhoud en de aanpassingen van het gebouw. Een onafhankelijke fijnstofmeting door een expert kan uitwijzen of onderhoud en aanpassingen aan gebouw en installaties nodig zijn en of ze tot de afgesproken verbetering van de luchtkwaliteit leiden. Dat dat nog niet altijd het geval is blijkt uit een item uit augustus 2014 BNR Gezond over de luchtkwaliteit op scholen. Dit item leidde zelfs tot Kamervragen van het CDA.

Fijnstof kantoren en werkplaatsen

Ook in kantoren kan fijnstof tot gezondheidsklachten en ziekteverzuim leiden, of impact hebben op de prestaties van uw medewerkers. Mogelijke bronnen van fijnstof in kantoren zijn achterstallig onderhoud aan de luchtbehandelingsinstallatie, niet schoonmaken van de ventilatiekanalen of het te laat vervangen van filters.

Het meten van de luchtkwaliteit en fijnstof kan helpen om te bepalen of onderhoud of aanpassingen goed zijn uitgevoerd, of dat aanvullende maatregelen nodig zijn. In werkplaatsen kan het meten van fijnstof uitwijzen of de maatregelen die genomen zijn om werknemers tegen fijnstof te beschermen afdoende zijn.

Dit bericht is geschreven in opdracht van Strooming, specialist op gebied van waterveiligheid, luchtkwaliteit, brandpreventie, asbest, energiebesparing en technische keuringen.

Uit de inbox: Burgerkennisnetwerk Schiedam meteen van start met eerste opgave

Maandagavond was ik uitgenodigd voor de startbijeenkomst van het Burgerkennisnetwerk. Geen vaste organisatie, maar een kennisnetwerk van professionals die hun kennis en expertise vrijwillig inzetten voor de gemeenschap. Aanmelden voor het netwerk was voor mijzelf een logische stap, gezien mijn betrokkenheid bij het Schiedams Energie Collectief, het dossier ontgassen door de binnenvaart en de daar uit voortgekomen plannen om een luchtkwaliteitsnetwerk op te zetten naar Eindhovens model. Over dat laatste binnenkort meer, voor nu het persbericht van de startbijeenkomst:

kennisnetwerk-0714Huib Sneep kreeg op 28 januari de meeste stemmen voor zijn SchiedamsDOEN-voorstel voor het instellen van een ‘Burgerkennisnetwerk’. De collegeleden beloofden dat ze de vijf voorstellen met de meeste stemmen nog in 2014 zouden helpen realiseren. Maandagavond 15 december 2014 heette wethouder Marcel Houtkamp de eerste 14 leden van het ‘kennisteam’ welkom en overhandigde hij aan Huib Sneep een beeldje dat symbool staat voor onderlinge verbondenheid en samenwerking. Houtkamp beloofde: “Ik ga het beste uit u halen voor de stad!”

“Het burgerkennisnetwerk is geen vaste organisatie”, legde wethouder Houtkamp uit. “Het start als een transparante database, en de deelnemers van het netwerk bepalen zelf hoe ze het beheer regelen.” In 2014 is met tal van Schiedammers gesproken die in dit kennisnetwerk vrijwillig hun deskundigheid willen inzetten voor de gemeenschap. De gemeente en Huib Sneep vormden samen goede afspraken over de inzetbaar bij de ontwikkeling van beleid. Marcel Houtkamp opperde bij de start meteen een eerste gespreksonderwerp: “Kunnen we een toolkit ontwikkelen voor optimale participatie tussen bewoners en ambtenaren bij bouw- of inrichtingsprojecten in de stad?” En: “De kunst is nu om alle beschikbare kennis in de stad te ontsluiten en samen te brengen.”

Gevraagd en ongevraagd meedenken

“In dit platform combineren we kennis over Schiedam, lokale ervaring én vakmanschap”, legt Huib Sneep uit. “We gaan niet alleen over beleidsontwikkelingen gevraagd en ongevraagd meedenken. Ook over de opzet en uitvoering van de meest uiteenlopende projecten, zowel abstract-beleidsmatig als praktisch-uitvoerend, denken we mee. De gemeente informeert ons over komende activiteiten, onderhoudsplannen of beleidstrajecten. En samen met ambtenaren gaan wij kijken of wij daarbij vanuit onze deskundigheid aandachtspunten hebben.” Daarnaast blijven vanzelfsprekend de reguliere participatie- en inspraaktrajecten bestaan. Een begeleidingscommissie evalueert regelmatig de uitgevoerde projecten en bekijkt op basis van die evaluatie of de aanpak moet worden bijgesteld.

Professional? Meld je ook aan!

Het kennisnetwerk bestaat inmiddels uit deskundigen op het gebied van de inrichting van de openbare ruimte, (duurzame) energie, zorg en welzijn, wet- en regelgeving, etc. In de eerste drie

maanden van 2015 wil Huib Sneep gericht werken aan het uitbouwen van het netwerk. Wie beschikt over waardevolle professionele kennis, wie kan samenwerken met een ambtelijke organisatie en geen belangen verstrengelt, kan een cv sturen naar burgerkennisnetwerk@schiedamsdoen.nl.

Wederzijdse en gelijkwaardige inbreng

Wethouder Houtkamp: “SchiedamsDOEN is gericht op een betere samenwerking en communicatie tussen Schiedammers en de gemeentelijke organisatie. Dus zal ik de samenwerking binnen de organisatie zeker blijven aanmoedigen. Dat maakt het werk voor iedereen leuker.” Houtkamp is er blij mee dat met het kennisnetwerk de deskundigheid in de stad beter wordt benut. Die bijdrage gaat verder dan een vrijblijvend advies. We gaan echt uit van een wederzijdse en gelijkwaardige inbreng van kennis en visie.”

Provinciale ontgasverboden

Nu Zuid-Holland en Noord-Brabant werken aan een beperkt ontgassingsverbod, is het de vraag wat andere provincies gaan doen.

In mei berichtte Sargasso dat het ministerie van Infrastructuur en Milieu, de provincies Noord-Brabant en Zuid-Holland en de gemeente Rotterdam overeenstemming hadden bereikt over het terugdringen van ontgassingen door varende binnenvaartschepen. Onderdeel van het akkoord zijn provinciale ontgasverboden in Zuid-Holland en Noord-Brabant die in 2015 in zouden moeten gaan.

Deze regionale aanpak betekent dat schippers kunnen gaan uitwijken naar provincies waar ontgassen nog niet is verboden. Reden voor Sargasso om deze zomer een rondje langs de provincies gelegen aan de belangrijkste vaarroutes naar Duitsland en België te maken. De vraag daarbij was simpel: overweegt uw provincie een provinciaal ontgasverbod voor de binnenvaart in te stellen?

Ontgassen: wat was het ook al weer?

Bij transport van natte bulklading is het soms nodig om de ruimen (of beter gezegd de tanks) te ontdoen van restanten van die lading, omdat anders geen nieuwe vracht geladen kan worden. Wanneer het vluchtige stoffen betreft, wordt dit vaak gedaan door middel van het ontgassen van het varende schip aan de buitenlucht. Dit is wettelijk toegestaan.

De dampen die daarbij vrijkomen, bijvoorbeeld van benzeen of benzeenhoudende stoffen, kunnen stankklachten, maar ook milieu- en gezondheidsschade veroorzaken. Met behulp van ontgasinstallaties op de wal of op het schip kunnen schepen echter gecontroleerd worden ontgast, zonder de ladingdampen naar de buitenlucht te laten ontsnappen.

Status Noord-Brabant en Zuid-Holland

Inmiddels hebben de provincies Noord-Brabant en Zuid-Holland beide een conceptwijziging van hun Provinciale Milieuverordening opgesteld. In Zuid-Holland is de inspraakperiode inmiddels achter de rug (mijn zienswijze vind je hier). Het doel van de aanpassingen van de provinciale milieuverordening is het verbieden van het ontgassen van benzeen aan de buitenlucht per 1 januari 2015 en benzeenhoudende stoffen vanaf 1 januari 2016.

Toch wijken beide provinciale milieuverordeningen op punten van elkaar af. Een ontwikkeling die Steven Lak, voorzitter van Deltalinqs (vereniging van Rotterdamse havenondernemers), bij een recente bijeenkomst over het verwerken van ladingdampen in de petrochemische keten deed opmerken dat een lappendeken van provinciale verordeningen dreigt.

Overige provincies

Sommige provincies hebben meer kans dan andere om last te krijgen van binnenvaarttankschepen die uitwijken om een ontgasverbod in Zuid-Holland en Noord-Brabant te ontlopen. De provincie Zeeland ligt op een belangrijke verbindingsroute tussen Rotterdam en Antwerpen. De provincies Utrecht en Gelderland liggen op de verbindingsroute tussen Rotterdam en het Duitse achterland, en in de provincie Noord-Holland ligt de grootste benzinehaven ter wereld. De vraag aan deze provincies was simpel:

Overweegt uw provincie het instellen van een provinciaal ontgasverbod?

Zo ja, neemt de provincie dan de al in ontwikkeling zijnde aanpassingen van de provinciale milieuverordening uit Noord-Brabant of Zuid-Holland over, of wordt aan een eigen verordening gewerkt?

Zo nee, kunt u aangeven waarom niet?

De persvoorlichter van de provincie Utrecht gaf in een reactie aan niet te werken aan een provinciaal verbod op ontgassen, omdat de provincie van mening is dat het Rijk het probleem internationaal moet oplossen (via het Scheepsafvalstoffenverdrag, CDNI). De provincie wil daarom geen verordening instellen waarmee het probleem verplaatst wordt en waarvan het juridisch gezien onduidelijk is of ze deze kunnen handhaven (zie ook mijn eerdere berichtgeving op Sargasso of op mijn blog).

De provincie Zeeland gaf aan in gesprek te zijn met betrokken partijen over de mogelijke gevolgen van een ontgasverbod in Noord-Brabant en Zuid-Holland. De provincie wil verder geen inhoudelijke openheid van zaken geven over de inhoud van deze gesprekken.

De persvoorlichter van de provincie Noord-Holland gaf aan dat er binnen de provincie niet wordt gewerkt aan een provinciaal ontgasverbod, waarbij op persoonlijke titel werd toegevoegd dat het probleem in Noord-Holland mogelijk minder speelt.

De aanwezigheid van het Havenbedrijf Amsterdam en de vereniging van Amsterdamse ondernemers (ORAM) bij de bijeenkomst waar ook Steven Lak vorige week maandag sprak doet echter vermoeden dat er in Noord-Holland wel degelijk nagedacht wordt over een provinciaal ontgasverbod.

De provincie Gelderland heeft niet gereageerd op het verzoek om informatie. In mei gaf de provincie evenwel aan niet mee te zullen doen aan de afspraken tussen Rijksoverheid en de provincies Noord-Brabant en Zuid-Holland.

Conclusie

Vooralsnog lijkt de kans op een provinciale lappendeken beperkt. Al is het natuurlijk mogelijk dat de ondervraagde provincies liever in stilte een ontgassingsverbod voorbereiden of wachten met aanpassing van hun provinciale milieuverordening totdat de wijzigingen in Zuid-Holland en/of Noord-Brabant van kracht zijn.

Update Wob-verzoek DCMR dampretourinstallaties

Tijdens mijn speurtocht naar ontgassen in de binnenvaart stuitte ik vorig jaar op een presentatie van het ministerie van I&M. In deze presentatie werd gesteld dat er nog dampretourinstallaties zijn vergund die rechtstreeks naar de buitenlucht afblazen (sheet 8). Dampretourinstallaties die de schadelijke dampen die ze retour nemen dus niet door een dampverwerkingsinstallatie (DVI) leiden. De reden volgens is volgens de presentatie dat dampverwerkingsinstallaties traag, duur en log zijn.

Een bizar fenomeen leek me, maar genoeg reden om bij DCMR (Milieudienst Rijnmond) informatie te vragen om een overzicht van installaties waar dat voor geldt in de regio Rijnmond. Na weken wachten op een antwoord werd dit Wob-verzoek net voor het verstrijken van de besluittermijn afgewezen, omdat ik om een overzicht vroeg en DCMR een dergelijk bestand niet heeft. Beetje flauw, want er is dan wellicht geen overzicht, maar van milieuvergunningen is natuurlijk gewoon documentatie. Even een belletje of mailtje mijn kant op en we hadden dat kunnen oplossen.

Aangezien ik niet voor één gat te vangen ben vroeg ik om raad aan Brenno de Winter. Dat leidde tot een nieuw Wob-verzoek dat ik als nieuwjaarscadeautje op 3 januari verstuurde. Daarin stelde ik de volgende vragen:

Ik wil u vragen mij informatie te verschaffen, welke mogelijk is vervat in documenten, met betrekking tot ontgassen en dampretourinstallaties. Specifiek gaat het om navolgende informatie:

  1. Alle actuele vergunning voor dampretourinstallaties met inbegrip van de documenten met betrekking tot het verkrijgen van die vergunningen met inbegrip van eventuele procedures. Met actueel bedoel ik vergunningen die in het jaar 2013 zijn aangevraagd alsmede vergunningen die in de periode 2013 tot heden nog niet verlopen waren;
  2. Onderzoeken en metingen met betrekking tot ontgassing uitgevoerd of beschreven in de periode 2010 tot heden;
  3. Informatie met betrekking tot toezicht op vergunningen voor dampretourinstallaties alsmede ontgassing gedurende de periode 2013;
  4. Communicatie met interne en externe partijen met betrekking tot dampretourinstallaties of ontgassing;
  5. Besluiten, opinies, standpunten welke in voorbereiding zijn.

Op 15 januari ontving ik een ontvangstbevestiging, waarin DCMR aangaf 6 weken nodig te hebben voor een besluit. Inmiddels zijn we bijna 8 weken verder en heb ik niks meer gehoord van DCMR. Dat betekent dat ik februari af heb gesloten met het in gebreke stellen van DCMR. Lang leve de open overheid, nu graag boter bij de vis :-(

Mansveld zet in op internationaal verbod op ontgassen

binnenvaarttanker

Staatssecretaris Wilma Mansveld heeft vorige week aan de Tweede Kamer laten weten dat ze inzet op een internationaal verbod op ontgassen door de binnenvaart, dus niet op een verbod in de havens zoals RTV Rijnmond in december meldde. Ze deed dit in antwoord op Kamervragen van Henk van Gerven (SP) en Liesbeth van Tongeren (GroenLinks). Dat is goed nieuws. Uit de antwoorden valt op te maken dat er in juni belangrijk internationaal overleg is om tot zo´n internationaal verbod op ontgassen te komen. Helaas vermeldt de staatssecretaris geen beoogde ingangsdatum van het verbod, ondanks berichten in diverse media dat dit wel zo zou zijn. Ook biedt ze vooruitlopend op een internationaal verbod geen zicht op nationale maatregelen.

Wel positief is dat het RIVM opdracht krijgt om opnieuw naar het protocol waarmee de omvang van emissie door ontgassen bepaald wordt te kijken. De kans is groot dat de officiële emissies daarmee gaan stijgen, zowel de emissies naar de lucht als de emissies naar het oppervlaktewater. Waarschijnlijk nog meer dan CE al berekende, omdat de staatssecretaris aangeeft dat het ontgassen van toxische stoffen naar de buitenlucht is toegestaan, zoals ik ook al schreef. CE Delft gaat in haar rapport ervan uit dat toxische stoffen niet aan de buitenlucht ontgast worden. Volgens CE gaat het om maximaal 24 ton aan toxische stoffen, te weten UN 1093 (acrylonitrile), UN 1230 (methanol), UN 1662 (nitrobenzene) and UN 2312 (phenol) en UN 1547 (aniline).

Nieuwe vragen

De staatssecretaris geeft aan dat ze de mening deelt dat de havens van Amsterdam, Dordrecht, Moerdijk en Rotterdam grotendeels in de buurt van woonkernen zijn gelegen. Een begrip dat voorkomt in internationale verdragen, maar niet is gedefinieerd in de Nederlandse regelgeving. Tot mijn verbazing laat de Staatssecretaris het bij deze constatering, zonder de logische vervolgstap om het begrip woonkern te koppelen aan een bestaand definitie. Bijvoorbeeld gebieden met de bestemming wonen.

Wat ook verrast, is dat de staatssecretaris schrijft dat alle dampretourinstallaties in Nederland in principe de teruggewonnen damp naar de buitenlucht mogen uitstoten. Het ontgaat me wat dan nog het milieuvoordeel van een dampretourinstallatie is. Tenzij ze bedoelt dat dampretourinstallaties teruggewonnen damp in geval van calamiteiten naar de buitenlucht mogen uitstoten. In mijn naïviteit dacht ik dat een dampretourinstallatie de dampen uit een tank retour nam of deze damp naar een dampverwerkingsinstallatie door zou sturen.

Inmiddels hebben Henk van Gerven en Liesbeth van Tongeren samen schriftelijke vervolgvragen gesteld aan Staatssecretaris Mansveld. Een volledig overzicht van vragen over ontgassen vind je hier.

Selectief informeren

De staatssecretaris stelt dat er tijdens handhavingsacties door de samenwerkende toezichthouders op de Zuid-Hollandse wateren en in de Rotterdamse haven slechts een beperkt aantal waarschuwingen en processen-verbaal zijn opgemaakt. In 2012 ging het om 38 waarschuwingen en 14 processen-verbaal en in 2013 om 6 waarschuwingen en 17 processen-verbaal. Deze gegevens komen uit het Evaluatieverslag (pdf) thema-acties ontgassen & boord-boord overslag 2012 van BTR-Rijnmond.

In dit evaluatieverslag staat ook dat de samenwerkende toezichthouders op basis van de uitgevoerde handhavingsacties concluderen dat het nalevingsniveau van het ADN en andere vigerende wet- en regelgeving laag is. De samenwerkende toezichthouders zijn van mening dat dit stringenter toezicht op de naleving van wet- en regelgeving met betrekking tot boord-boord overslag en ontgassen noodzakelijk maakt. De diversiteit aan overtredingen die de toezichthouders geconstateerd hebben is groot en de geconstateerde overtredingen brengen onaanvaardbaar hoge veiligheidsrisico’s voor bemanning en omgeving met zich mee.

Dat is een veel minder rooskleurig resultaat dan dat oprijst uit de aantallen die de staatssecretaris noemt in de beantwoording van de Kamervragen van Van Gerven.

De Rotterdamse dienstauto mag wat kosten

Vorige week raakte ik verzeild in een discussie over de nieuwe dienstauto´s voor de Rotterdamse wethouders. Om een beetje te prikkelen tweette ik:

Dat deed ik op basis de ervaringen van Houston met elektrische auto´s. Nu is Nederland Amerika niet, zo zijn de brandstofprijzen hier een maatje duurder. Om te onderbouwen dat het in Nederland ook kan stuurde ik Arno Bonte van GroenLinks een excelletje dat ik ooit heb gemaakt waarin ik een Toyota Prius met een Nissan Leaf vergelijk bij 30.000 km per jaar.

Arno Bonte stuurde de mail door aan de mensen achter Bogue.nl, een Rotterdams weblog, waarna ik dit weekend diverse mailwisselingen had om mijn rekenmodel toe te lichten. Vandaag kan je het resultaat terugvinden op Bogue en dat liegt er niet om: de BMW 520d die de Rotterdamse wethouders willen is niet alleen 1,5 keer zo duur per jaar als de elektrische Nissan Leaf, maar stoot ook 6.828 % meer CO2 uit per jaar (over luchtkwaliteit heeft Bogue het nog niet eens). En dan hebben we het over slechts 1 auto. Als we uitgaan van 30.000 km per jaar en 5 dienstauto´s kan er € 20.000 per jaar bespaart worden. Daar kan de Rotterdamse voedselbank 2 jaar van gehuisvest worden.

De Nissan Leaf heeft natuurlijk z’n beperkingen in rijafstanden, maar ik kan me niet voorstellen dat de Rotterdamse wethouders met regelmaat op meer dan 100 km van de stad moeten zijn…

Lees hier de finesses van het verhaal.