Dit boek vertelt het verhaal van de Duitse “Energiewende”, en een drijvende kracht erachter is het concept “Energie Democratie”. Er is bij burgers een behoefte om mee te praten over het energie systeem. De transitie voor het klimaat is een kans daar vorm aan te geven.
In de week van 14 tot 18 november 2016 komt Craig Morris in Nederland en België, voor zeven bijeenkomsten. Zouden wij in Nederland kunnen leren van de ervaringen van de duitse Energiewende? Hebben ook wij een behoefte aan “Energie Democratie”? Willen Nederlandse burgers ook meer controle over de energie? Zie hier de lijst van bijeenkomsten.
Craig Morris kan goed vertellen over de Duitse Energiewende. Dit is de aanzet voor een discussie met een panel van mensen die middenin de Nederlandse Energietransitie staan. En met zo’n thema komt ook het publiek natuurlijk aan het woord. De voertaal zal Engels zijn.
Je bent van harte welkom! Meer informatie op de site van Impact Hub Rotterdam. Informatie over andere bijeenkomsten vind je hier.
Een Nederlands voorproefje van de analyses van Craig Morris vind je op Sargasso of hier. Ook de MOOC van Craig Morris in samenwerking met IASS Potsdam is de moeite waard om te bekijken:
Het Instituut voor Energie Onderzoek (IER) stelt dat angst een belangrijke drijfveer is van de Duitse Energiewende. Een energietransitie die zonder de inzet van schaliegas zal falen in het reduceren van emissies, zeker zonder inzet van kernenergie. Craig Morriss stelt echter dat het erop lijkt dat sommige critici zelf bang zijn, bang dat de Duitsers hun energietransitie voor elkaar krijgen zonder inzet van schaliegas of kernenergie.
De grootste angst van critici van de Duitse Energiewende is niet dat deze zal falen, maar dat deze zal slagen (foto credits: Günter Hentschel, CC BY-ND 2.0
De IER schrijft in zijn commentaar met de titel ‘Duitsland’s angst voor hydraulisch fracken en emissie reductie doelstellingen:
“[…] als Duitsland vasthoud aan het halen van haar CO2 doelstellingen, sluit een verbod op hydraulisch fracken het land af van een energiebron met relatief lage emissies en maakt het het halen van de gestelde doelstellingen moeilijker.
Er valt niks weinig af te dingen op die zin, maar veel meer op stellingen elders – te beginnen met de titel.
Beschuldigingen van Duitse angst ploppen op zoals in het spel Whack-A-Mole. Ze zijn gemakkelijk te weerleggen, zeker als we rekening houden met de reactie van andere landen op nucleaire incidenten.
Zorgen over de risico’s van kernenergie speelden een hoofdrol in het Duitse debat na het ongeluk in Tsjernobyl in 1986, toen Duitse ambtenaren het publiek waarschuwde voor de risico’s. In reactie daarop implementeerde Duitsland z’n eerste uitfasering van kernenergie – 16 jaar later, in 2002. De regering die de uitfasering implementeerde trad aan in 1998 en besteedde vier jaar aan het plannen en uitonderhandelen van de details van de uitfasering met experts en eigenaren van kerncentrales. Zo’n tijdsplanning klinkt eerder als professioneel, dan als paniek voetbal.
Italië reageerde na het ongeluk in Tsjernobyl snel met z’n eigen referendum door in 1987 een eigen uitfasering van kernenergie te starten. De Italianen sloten de laatste van hun vier kernreactoren in 1990. Ze hadden geen plan voor het vervangen van kernenergie, dus is Italië nu een van de grootste elektriciteitsimporteurs van Europa, voornamelijk uit Frankrijk. Maar wellicht is Italië’s beslissing slimmer dan je op het eerste gezicht denkt, want de Italianen lijken tegen de Fransen te hebben gezegd: “We willen jullie kernenergie best kopen, maar jullie moeten de risico’s voor ons dragen.”
Vergelijk dat met de Zweedse rectie – niet op Tsjernobyl (1986), maar oop het veel minder zware ongeluk bij Three Mile Island (1979). In 1980 – op een moment dat zonnecellen een buitenaardse techniek waren en de ontwikkeling van de eerste moderne, maar nog steeds kleine windturbine nog niet eens begonnen was – besloten de Zweden in een referendum tot het uitfaseren van kernenergie in 2010. De Zweedse uitfasering faalde, omdat de Zweden (net als de Italianen) geen tijd hadden genomen om na te denken over hoe kernenergie vervangen kon worden.
Oostenrijk had al een referendum gehouden in 1978, het jaar voor Three Mile Island, om de ingebruikname van de eerste afgebouwde kerncentrale van het land te blokkeren. Sindsdien staat de afgebouwde centrale weg te roesten, zonder ooit een kilowattuur elektriciteit te hebben geproduceerd, en Oostenrijk begon z’n eigen uitfasering van kernenergie in 1997. Bezien vanuit de Europese context lijkt de Duitse reactie op kernenergie van de afgelopen decennia simpelweg verstandig.
Veiligheidstheater
Toegegeven, het besluit om kernenergie uit te faseren van bondskanselier Merkel in 2011 was een verrassing. Toendertijd noemde ik het incompetent en onverantwoordelijk. Zo minitieus, gedetailleerd en flexibel als de uitfasering van 2002 was, zo plotseling en drastisch was de uitfasering van 2011. En het vormde de ergste vorm van overheidsingrijpen in een markt en private bezittingen. Daarbij moet ook rekening gehouden worden met het terugdraaien van de uitfasering van kernenergie door bondskanselier Merkel, een paar maanden voor het ongeluk in Fukushima; in de zomer van 2010 was de levensduur van Duitse kerncentrales met 8 tot 14 jaar verlengd. De uitfasering van 2011 vormde de tweede draai in het kernenergiebeleid in 8 maanden.
Ik denk dat de IER en ik het met elkaar eens zijn dat de wijze waarop de uitfasering van 2011 is aangepakt ruimte biedt voor verbetering. Maar onze wegen scheiden als het aankomt op de onderbouwing van de uitfasering van kernenergie. Zij schrijven dat “het zeer onwaarschijnlijk is dat Duitsland getroffen wordt door een tsunami.” Dat is waar, maar dat betekent niet dat kernenergie risicoloos is.
Dit soort denken is wat veiligheidsexpert Bruce Schneier veiligheidstheater noemt – geen echte veiligheid, maar alleen maar acteren om mensen zich veilig te laten voelen: “als we ons bij de beveiliging van vliegvelden concentreren op het controleren van schoenen en het in beslag nemen van vloeistoffen, en de terroristen verstoppen hun explosieven in bh’s of vaste stoffen, hebben we ons geld verspild.” Een kernongeluk in Duitsland zou niet het gevolg zijn van Soviet onbekwaamheid of een tsunami, maar eerder van een combinatie van technisch en menselijk falen, eventueel met een natuurramp als aanstichter. Verschillende Duitse kerncentrales zijn gebouwd op tectonische breuklijnen en ontberen de meest basale bescherming tegen aardbevingen. Het hele land is gevoelig voor overstromingen, maar bij verschillende Duitse kerncentrales ontbreekt fatsoenlijke bescherming tegen overstromingen. Onvoorziene gebeurtenissen zijn dus mogelijk.
Duitsers begrijpen dat het volgende kernongeluk gemakkelijk anders kan zijn dan Tsjernobyl en Fukushima. Maar zoals Merkel zich in 2011 realiseerde, het volgende ongeluk zou in Duitsland plaats kunnen vinden – om verschillende redenen.
Duitsland wist hoe kernenergie te vervangen
In tegenstelling tot de Zweden en Italianen, wisten de Duitsers in 2002 hoe kernenergie te vervangen – en ze hebben zelfs alle kernenergie die vanaf 2011 verloren is gegaan vervangen. De IER beweert het tegendeel:
Duitsers zijn teruggevallen op kolen als back-up voor de onregelmatige hernieuwbare technologiën en om zich te verzekeren van voldoende vermogen om te voldoen aan de elektriciteitsvraag.
Deze claim is gebaseerd op een eerdere publicatie van de IER zelf (PDF). Maar zoals we al gedemonstreed hebben in onze studie German Coal Conundrum (zie ook het artikel Welke rol voor kolen in de Duitse energietransitie?), overstijgt de groei van hernieuwbare elektriciteit vanaf 2011 de reductie in kernenergie. En zoals regelmatige lezers van mijn stukken weten vergroot de vraag van het buurlanden naar Duitse stroom het aandeel van de resterende vraag dat bediend wordt door conventionele centrales (in 2013 waren Nederland en Frankrijk in 2013 de grootste importeurs van Duitse stroom). Preciezer gesteld als we de Duitse recordexport van elektriciteit in 2013 buiten beschouwing laten zouden kolenstroom en CO2-emissies met ongeveer 2.5 procent gedaald zijn. Vooral het buitenland maakt massaal gebruik van Duitse kolenstroom; Duitsland heeft veel minder elektriciteit van kolen nodig om in z’n eigen elektriciteitsvraag te voldoen.
We zouden ook niet moeten stoppen met tellen bij 2013. De verandering in TWh (terawattuur, 1 miljard kilowattuur) staat in de grafiek hierboven. Maak je maar vast op voor rapporten over dalende emissies in Duitsland dit jaar.
Koolstof in de grond laten
Tot slot: neemt iemand bij de IER de term ‘unburnable carbon’ serieus? Meerdere organisaties, die je niet kunt beschuldigen van te groen zij, zoals het Internationaal Energie Agentschap (IEA), stellen inmiddels dat we ten minste tweederde van de huidige bewezen reserves fossiele brandstoffen in de grond moeten laten. Als Duitsland schaliegas gaat produceren verhoogt dat enkel de hoeveelheid koolstof die in de grond moet blijven.
De IER stelt dat Duitsland schaliegas afwijst ‘ondanks stijgende elektriciteitsprijzen,’ alsof binnenlands geproduceerd Duits schaliegas op een of andere magische wijze de elektriciteitsprijzen zou verlagen. Duitsland heeft een van de grootste en minst dure bruinkool voorraden in de wereld. Elektriciteit van schaliegas gaat niet automatisch elektriciteit van bruinkool vervangen, en gas zou relatief goedkoop moeten zijn om elektriciteit van steenkool te vervangen, die ook steeds vaker de markt uit gedrukt wordt (zie grafieken hierboven). Het meest waarschijnlijk is dat Duits schaliegas de Duitse import van gas zou verlagen, zonder de CO2 emissies substantieel te veranderen.
Globaal genomen lijkt het er op dat het doel van de IER studie is om de Duitse Energiewende in een kwaad daglicht te stellen. Zinnen zoals deze zijn veelzeggend:
In de nasleep van het besluit tot sluiting van kerncentrales uit 2011 zijn de Duitse CO2 emissie daadwerkelijk gestegen en Duitsland is nu het EU land met de hoogste CO2 emissie (met 760 miljoen ton in 2013) volgens het statistisch bureau van de EU, Eurostat.
Duitsland heeft niet ‘nu’ de hoogste CO2 emissies, het is verreweg de grootste economie van de EU en is de grootste CO2 uitstoter voor zo ver terug als je wenst te gaan.
We moeten bedenken dat het voorzien in goedkope fossiele brandstof geen doel is van de Energiewende. Voor het klimaat moet het doel zijn om om zoveel mogelijk koolstof in de grond te laten, niet om meer grondstoffen (schaliegas) om te zetten in bewezen reserves. Maar het IER lijkt sowieso bezorgder om goedkope energie voor de industrie dan het klimaat. Zoals ik recent uitlegde is Duitsland nieuwe wetgeving geïnterpreteerd als het open zetten van de sluizen (door degene die fracking willen verbieden) of als een verbod (door het bedrijfsleven). De interpretatie van de IER valt duidelijk in het tweede kamp.
Niemand maakt zich zo druk om de Duitse economie als de voorstanders van fracking en kernenergie lijken te doen. De Duitse economie heeft er sinds de hereniging nog nooit zo goed voorgestaan, en marktanalisten zeggen dat Duitsers zich op kunnen maken voor de Golden 20s in het volgende decenium. Hoe dan ook maakt de IER zich geen werkelijke zorgen om klimaatverandering, CO2 emissies of het succes van de Energiewende. De IER is bezorgd dat Duitsland de omslag voor elkaar gaat krijgen zonder schaliegas of kernenergie.
Craig Morris is Amerikaan van geboorte en woont sinds 1992 in Duitsland. In 2006 schreef hij het boek ‘Energy Switch’ en hij schrijft regelmatig over de Duitse energietransitie. Hij is editor van Renewables International, hoofdauteur van EnergyTransition.de en directeur van Petite Planète en is te vinden op Twitter als PPChef.
Een mythe waard door de Engelstalige wereld (en door Nederland): naar verluidt stijgt de CO2 uitstoot in Duitsland omdat hernieuwbare energiebronnen nucleaire energie niet kunnen vervangen – en dat Frankrijk gelijk heeft om te kiezen voor kernenergie. Wat laten de gegevens zien? Craig Morris onderzoekt het.
Tekst: Craig Morris. Vertaling: Krispijn Beek.
Duitsland verlaagde de CO2 emissies terwijl het kerncentrales sloot (publiek domein).(meer…)
In mei berichtte ik dat de productie van Duitse kolenstroom daalde. Inmiddels zijn de gegevens voor het eerste half jaar van 2019 binnen en wederom is de elektriciteitsproductie met behulp van kolen in Duitsland gedaald. Vooral de productie van bruinkool, de meest milieuonvriendelijke vorm van elektriciteitsproductie, is fors gedaald. In absolute zin met 13,8 TWh ten opzichte van de eerste helft van 2018, in relatieve zin met 20,7% ten opzichte van de eerste helft van 2019. Ook de elektriciteitsproductie van steenkoolcentrales is teruggelopen. In absolute zin is de terugloop met 8,2 TWh kleiner dan bij bruinkool, procentueel is de stroomproductie van steenkoolcentrales met bijna een kwart teruggelopen ten opzichte van 2018. De productie van gascentrales is in het eerste half jaar van 2019 wel gestegen ten opzichte van de eerste helft van 2018
Wind en zon als werkpaarden van de Duitse Energiewende
De productie van wind- en zonne-energie steeg in het eerste half jaar met 15,6% ten opzichte van de eerste helft van 2018. De productie van windenergie steeg met 19% en zonne-energie met 5,6%. Wind- en zonne-energie zijn daarmee de werkpaarden van de Duitse energietransitie. De elektriciteitsproductie met behulp van biomassa bleef gelijk, terwijl waterkracht een behoorlijke daling liet zien. Het aandeel groene stroom ligt in Duitsland inmiddels op 47,7%. De kale stroomprijs is gedaald van 4,326 Eurocent per kWh in 2018 naar 3,681 Eurocent per kilowattuur in 2019.
De groei van wind- en zonne-energie en de daling van de productie van kolenstroom wil niet zeggen dat er geen zorgen zijn over de marktontwikkeling voor hernieuwbare energie in Duitsland. De groei is er uit bij wind op land in Duitsland en met name de burgerenergiebeweging (energiecoöperaties) heeft het hierdoor zwaar, precies zoals Craig Morris in 2105 en 2017 al voorspelde. In de twee veilingrondes van 2019 is slechts 746 megawatt aan nieuwe windturbines toegewezen, terwijl er 1.350 megawatt werd getenderd. Oftewel minder dan de helft. Een bijkomend probleem zijn de oplopende termijnen om een vergunning te bemachtigen. Deze zijn opgelopen tot gemiddeld 300 dagen. In het eerste kwartaal van 2019 kwam slecht 413 megawatt aan capaciteit door het vergunningverleningproces. De groei van het geïnstalleerd vermogen ligt daarmee op het laagste niveau sinds het begin van de Energiewende.
Burgers zijn via lokale energiecoöperaties en bewonersinitiatieven grote spelers en een belangrijke succesfactor van de Duitse Energiewende. Er zijn meer dan 1.000 energiecoöperaties die samen 42% van de Duitse ‘hernieuwbare energiecentrales’ in handen hebben. Kleine energieproducenten kunnen nog steeds een feedin tarief krijgen, maar bijna alle commerciële en niet-commerciële energieproducenten zijn hiervan uitgezonderd. Zij moeten meedoen aan de veilingen. De veilingen brengen kosten met zich mee, die niet terug te verdienen zijn als het project niet doorgaat. Ook de langere tijd tussen winnen van een veiling en vergunningverlening zorgen voor extra kosten, die voor kleinere spelers, zoals energiecoöperaties, lastig op te brengen zijn.
De verschuiving naar grote energiebedrijven is een vergissing, omdat lokaal eigenaarschap en lokale zeggenschap een belangrijke rol spelen bij de acceptatie van de energietransitie. De protesten tegen wind op land nemen in Duitsland dan ook toe nu het steeds vaker grote energiebedrijven zijn die projecten realiseren.
Deze week heeft Macron bekendgemaakt dat Frankrijk tot 2035 14 van zijn 58 kerncentrales wil sluiten. Het aandeel kernenergie in de elektriciteitsmix zal daardoor dalen tot 50%. Hollande was al van plan om het aandeel kernenergie in 2025 al terug te brengen tot 50%, Macron stelt dit 10 jaar uit. Op social media klinkt van verschillende mensen kritiek op de plannen om kerncentrales te sluiten, omdat daarmee een CO2 arme energiebron gesloten wordt. De vraag is of die kritiek terecht is.
Combinatie van kernenergie en duurzame energie
Met de plannen om het aandeel kernenergie te verlagen volgt Frankrijk het beleid van Duitsland om kerncentrales te sluiten om ruimte te maken voor duurzame energiebronnen, zoals wind- en zonne-energie. Daarmee volgt Frankrijk het beleid van Duitsland en Spanje, hoewel de eerlijkheid gebied te zeggen dat de meningen over de flexibiliteit van kerncentrales verschillen:
Jilles van den Beukel verwijst naar een Duits artikel dat stelt de het vermogen van kerncentrales op- en afgeregeld kan worden, maar niet onder de 50% van het maximale vermogen.
Lenny Coel stelt dat Franse kerncentrales regelmatig terug geregeld worden tot 15-20% van hun maximale vermogen . Hij verwijst naar verschillende rapporten over dit onderwerp.
Macron wil minder centrales sluiten dan aanvankelijk verwacht om het aandeel kernenergie terug te brengen, al heb ik geen volledige lijst kunnen vinden van de veertien kerncentrales die Macron wil sluiten voor 2035. Wie op Wikipedia kijkt naar de bouwjaren van Franse kerncentrales ziet echter dat Frankrijk 19 kerncentrales heeft die voor 1982 in gebruik zijn genomen. In 2035 zijn die tenminste 54 jaar oud. De oudste zal dan zelfs 64 jaar in gebruik zijn. Het is dus niet geheel onlogisch dat een deel daarvan voor die tijd aan vervanging of sluiting toe is. Cleantechnica schrijft dat het gaat om centrales van de eerste generatie. Volgens Het Laatste Nieuws gaat het onder andere om de centrales in Gravelines uit 1980. Ook de oude centrales in Fessenheim staan al langer op de lijst om te sluiten. De kerncentrales in Fessenheim zijn volgens Reuters ook de enige twee die zullen sluiten tijdens de termijn van Macron. In 2025-206 volgen mogelijk nog 1 of 2 kerncentrales en in 2027-2028 nog 1 of 2, mits de energievoorziening dat toestaat. De resterende 6 tot 8 centrales zullen tussen 2030 en 2035 sluiten. Reuters stelt dat het gaat om de centrales in Tricastin (1980), Bugey (1979), Gravelines (1981) en Chinon (1984). Reuters verwacht dat de sluitingsplannen kunnen leiden tot een herstructurering van EDF, de Franse exploitant van kerncentrales.
Gelet op de impact die het sluiten van kerncentrales heeft op de energievoorziening in Frankrijk en op de bouwtijd voor een nieuwe kerncentrale is het eigenlijk niet meer dan logisch dat de Franse overheid nu al aankondigt wat de plannen met kernenergie tot 2035 zijn. De nieuwe reactor in Flamanville is bijvoorbeeld in aanbouw sinds 2007 en zou in 2012 opgestart worden, een bouwtijd van 5 jaar. Inmiddels is de geplande commerciële ingebruikname verschoven naar het 2e kwartaal van 2020 (bouwtijd van 13 jaar) en zijn de kosten opgelopen van €3.3 miljard naar €10,9 miljard. Finland begon in 2005 met de bouw van een nieuwe centrale, die in 2010 opgeleverd zou worden. De verwachting is nu dat deze in 2019 in gebruik genomen gaat worden. Een bouwtijd van 14 jaar. De verwachte opleverdatum van de Engelse kerncentrale Hinkley C is inmiddels 2025, een vertraging van 8 jaar. De eerste vergunningen voor deze centrale werden in 2012 afgegeven. Een voorlopige doorlooptijd van 12 jaar.
Andere klimaatplannen van Macron
Naast het sluiten van kerncentrales houdt Macron vast aan eerdere plannen om de laatste vier kolencentrales per 2022 te sluiten. Tegelijkertijd wil Macron het aandeel duurzame energie verhogen. De stroomproductie van Franse windmolens op land wordt voor 2030 verdrievoudigd en het aandeel zonne-energie moet vijf keer zo groot worden. Er wordt ook gewerkt aan meer wind op zee, de komende 5 jaar zal Frankrijk vier tenders voor offshore wind in de markt zetten. Volgens Bloomberg houdt Frankrijk last van logge administratieve procedures, die tot vertraging leiden. Het goede nieuws is dat de eerste offshore windturbine inmiddels stroom levert aan het net.
Je kunt niet op maandag voor het milieu zijn en op dinsdag tegen de verhoging van brandstofprijzen. Wat in een verkiezingscampagne is gezegd, schept verplichtingen.
De opbrengst van de brandstofaccijnzen wordt volgens Cleantechnicaingezet voor de financiering van de plannen met duurzame energie.
Conclusie
Gelet op de leeftijd van de Franse kerncentrales die de komende 15 jaar gaan sluiten is het de vraag of het terecht is om kritiek te hebben op de plannen om kerncentrales. Het is goed mogelijk dat deze centrales aan het einde van hun technische of economische levensduur zitten. Het kan zijn dat ze met een forse investering weer een aantal jaar meekunnen. Het is echter de vraag of dat economisch verstandig is gelet op de dalende kosten van duurzame energiebronnen, zoals windenergie en zonne-energie. Het is ook de vraag of het voor Frankrijk economisch verstandig is om enkel in te blijven zetten op kernenergie, gelet op de tegenvallers bij de drie kerncentrales die EDF in aanbouw heeft in Europa.
Dit bericht is geschreven voor en gepubliceerd op Sargasso.
De Duitse overheid heeft voorgesteld om trams en bussen in bepaalde steden gratis te maken om luchtvervuiling tegen te gaan. Het gezondste aan dit idee is het debat dat op gang is gekomen. Craig Morris voegt een eigen idee toe, waar ook Nederlandse gemeenten hun voordeel mee kunnen doen.
Tekst: Craig Morris. Vertaling: Krispijn Beek.
De totale kosten van autoverkeer zijn drie keer zo hoog als de kosten voor openbaar vervoer in Duitsland (Foto door Platte C, edited, CC BY-SA 3.0)
Herinner je je dieselgate nog? (Auto’s in de EU zijn niet zo schoon als fabrikanten beweren,) De EU steunt stevig op Duitsland om de lucht in steden schoner te maken. Het lijkt onmogelijk om deze auto’s te laten voldoen aan de huidige emissienormen – zo niet technisch, dan politiek; het zou Duitse autofabrikanten een vermogen kosten.
Daarom lieten de sociaal democraten (SPD) een volstrekt onverwacht proefballonnetje op tijdens de coalitieonderhandelingen half februari: maak openbaar vervoer gratis. Het informele voorstel werd op praktische gronden kritisch ontvangen; de huidige infrastructuur zou niet in staat zijn om de plotselinge groei aan te kunnen en het zou vele jaren duren om de dienstregeling uit te breiden.
De verandering in reiswijze in Freiburg, Duitsland naar vervoerswijze tussen 1982 en 2016. Van links naar rechts: wandelen, fietsen, openbaar vervoer, auto’s met chauffeur en passagiers, en auto’s met enkel chauffeur. Het autogebruik is gedaald van 39% naar 21% in deze 34 jaar, maar openbaar vervoer is gedaald in de tweede periode tussen 1999 en 2016. Fietsen is het sterkst gegroeid maar kan niet gecombineerd worden met het lokale openbaar vervoer; fietsen mogen niet mee in de bus of tram in Freiburg. De bevolkingsomvang staat links. Bron: gemeente Freiburg.
Maar het debat bleef de krantenkoppen domineren en we leerden er veel van. Bijvoorbeeld dat gemeentelijke openbaar vervoerbedrijven naar schatting 10 miljard Euro aan jaarlijkse inkomsten zouden verliezen; en dat is enkel nog het verlies aan directie kaartverkoop. Steden kruissubsidiëren openbaar vervoer jaarlijks voor naar schatting 71 miljoen Euro in een middelgrote stad als Kassel. (In Berlijn is de kaartverkoop goed voor iets meer dan de helft van de totale kosten.) Onderzoekers schatten (in het Duits) dat de totale kosten van autoverkeer driekeer zo hoog zijn als de kosten van openbaar vervoer. Deze bevindingen zijn niet bepaald nieuw, maar ze zouden onderbelicht blijven zonder de huidige discussie.
Denemarken doet het beter
De Denen weten al lang beter. We kunnen voorbij externe gezondheidskosten van vervuiling en ongevallen kijken: fietspaden en stoepen zijn goedkoper en behoeven veel minder onderhoud dan wegen voor auto’s en vrachtauto’s. Er zijn ook voordelen in comfort (revitalisatie van stadscentra) en toerisme. In 2010 al schreef de Deense Fiets Ambassade (PDF):
When all these factors are added together the net social gain is DKK 1.22 (0.13 euros) per cycled kilometer. For purposes of comparison there is a net social loss of DKK 0.69 (0.09 euros) per kilometer driven by car.
Denemarken voert deze discussie dus al een aantal decennia, terwijl de discussie in Duitsland pas een maand geleden is gestart.
Er is ook principiële kritiek op het plan: mensen nemen een dienst voor lief als deze gratis is. Maar veel mensen zouden nog steeds autorijden. De publieke discussie heeft laten zien dat voor sommigen het openbaar vervoer sneller en comfortabeler is dan autorijden, maar niet voor iedereen. En als meer mensen overschakelen naar tram en bus nemen de files af en wordt autorijden aantrekkelijker.
Steden door de centrale overheid laten betalen om gratis openbaar vervoer aan te bieden is misschien sowieso niet zo’n goed idee. Steden zullen weerstand bieden als lokale beslissingsbevoegdheden worden afgenomen. En een goed plan behoeft ook ontwikkeling van infrastructuur, wat de gemeente op lokaal niveau het best kan.
We willen het autogebruik terugdringen, niet alleen openbaar vervoer bevorderen
Daarom een ander idee: waarom geven we mensen die hun auto verkopen geen transport krediet? Op dit moment wordt een bonus van 4,000 euro geboden, bijvoorbeeld voor het aanschaffen van een elektrische auto. Geef mensen die een auto verkopen die ze minsten twee jaar in bezit hebben gehad een krediet dat ze kunnen inzetten voor elke andere soort van vervoer. Een jaarabonnement voor het openbaar vervoer in Berlijn begint op 761 Euro, dus je zou vijf jaar gratis door Berlijn kunnen reizen van dat geld. Of je zou een nieuwe fiets kunnen kopen en nog steeds voldoende geld overhouden om een paar jaar de tram en bus te gebruiken. Lange afstandstreinen zouden ook uit de bonus betaald kunnen worden, inclusief de jaarpas van 4,270 euros. Je gaat dan ook een heleboel wandelen, dus je gaat ook behoefte hebben aan meerdere paren goede schoenen – serieus.
Deze transitie zou iedereen de mogelijkheid geven om te kiezen wat het best is voor zijn situatie. Het gebruik van openbaar vervoer zal stijgen maar krijgt ook kans om zich aan te passen – en steden blijven in de positie om keuzes te maken over openbaar vervoer tarieven en infrastructurele planen. Sommige mensen zullen ook blijven autorijden.
In mijn volgende post zal ik focussen op een aantal ideeën van andere steden rond de wereld. Veel van deze voorbeelden komen uit de reacties van lezers in de Duitse discussie. Mensen leren niet alleen van journalisten, maar ook van elkaar.
ANALYSE – Gebaseerd op voorlopige cijfers voor 2017 is de productie van groene stroom in Duitsland met een recordhoeveelheid gegroeid. De productie van kolenstroom daalde ook merkbaar, terwijl de hoeveelheid kernenergie afnam en de stroomexport recordhoogte bereikte. Maar één groot nieuwswaardig feit wordt mogelijk over het hoofd gezien tussen alle nieuwe records. Craig Morris duikt in de cijfers.
Tekst: Craig Morris. Vertaling: Krispijn Beek.
Duitsland haalt zijn duurzame energie doelstelling voor 2020 drie jaar eerder (Foto door Usein, edited, CC BY-SA 1.0)
De productie van groene stroom is harder gegroeid dan de productie van kernenergie is gedaald sinds in 2003 de eerste kernreactor werd stilgelegd als onderdeel van Duitslands nucleaire uitfasering. De productie van kolenstroom – zowel van bruin- als van steenkool – is ook gedaald. Toch zijn de lichten in Duitsland aangebleven.
De Duitse export van elektriciteit bedroeg 53 TWh, voor het vijfde jaar op rij een record. De netto export van elektriciteit biedt ruimte aan conventionele elektriciteitscentrales (kolen, gas en kern). Groene stroom heeft voorrang op het Duitse netwerk, wat betekent dat groene stroom geconsumeerd wordt voor conventionele stroom. Meer specifiek reageren windenergie en zonne-energie op het weer, niet op vraag naar elektriciteit. Dat betekent dat buitenlandse vraag de elektriciteitsproductie van deze bronnen niet kan vergroten.
Foto via CleanEnergyWire
De stroomproductie van gascentrales is in 2017 weer een beetje gegroeid, daarmee is de totale elektriciteitsproductie van gascentrales met een kwart gegroeid sinds 2013. De elektriciteitsproductie van steenkolen is in dezelfde periode met een kwart gedaald. De stroomproductie van bruinkoolcentrales daalde slechts 8%, omdat groene stroom deze centrales nog niet dwingt om hun productie veel te verlagen.
Kernenergie
De productie van kernenergie daalde met bijna 11% in 2017. Eind december werd er een reactor gesloten, maar dat veroorzaakte slechts een kleine daling. Een grotere factor was de verlengde stop van Brokdorf, een kernreactor die vorig jaar geschiedenis schreef doordat het de eerste kernreactor was die specifiek sloot vanwege schade veroorzaakt door de elektriciteitsproductie actief te variëren op basis van de vraag naar stroom. Andere kernreactors, zoals de Franse Civaux, hebben ook moeilijkheden gekend door de productie te variëren op basis van de vraag naar stroom, maar het op- en afregelen van de elektriciteitsproductie was nooit eerder zo helder benoemd als oorzaak van problemen bij een andere kernreactor.
Elektriciteitsproductie van alle 8 overgebleven kerncentrales in 2017. Het wegvallen van Brokdorf van begin februari tot eind juli verminderde de productie aanzienlijk. (via Fraunhofer ISE)
Groei groene stroom
De toename van groene stroom met 29 TWh in 2017 betekent een nieuw jaarrecord. De groei staat gelijk aan zo’n 5% van de Duitse stroomvraag. Als de Duitse groene stroomproductie in dit tempo blijft doorgroeien zou het theoretisch mogelijk zijn om in 20 jaar van 0% op 100% groene stroom uit te komen.
Alleen begon Duitsland in 2017 niet vanaf 0% groene stroom, maar vanaf ongeveer 30% (inclusief export). Dat steeg afgelopen jaar naar 33%. Belangrijker is dat de doelstelling voor 2020 35% van de elektriciteitsvraag is (exclusief export). Vorig jaar bereikte Duitsland 36,5% hernieuwbare elektriciteit, op basis van de elektriciteitsvraag (exclusief export). Duitsland heeft zijn doelstelling voor 2020 dus 3 jaar eerder gehaald.
Als Duitsland door zou gaan met het toevoegen van 5% hernieuwbare stroom per jaar dan zou het in slechts 13 jaar op 100% (in 2030) uitkomen op 100%. Maar deze groei zal de komende jaren stagneren. De overheid is recent overgeschakeld op veilingen om de toekomstige groei te beheersen: het volume dat geveild wordt is beperkt, en de tijd voor realisatie van de projecten is royaal. Dit jaar is misschien nog niet zo slecht, maar de windsector valt naar verwachting stil in 2019 en 2020, omdat veel van de recent geveilde projecten tot 2021 en 2022 hebben om het project te realiseren. Het aandeel groene stroom in 2020 zou daarom wel eens weinig af kunnen wijken van het aandeel groene stroom in 2017.
Technische beperkingen zijn een belangrijke reden voor deze vertraging: een aandeel groene stroom van 100% (of zelfs van 50%) is niet triviaal. Basislast centrales zullen volledig moeten verdwijnen terwijl er tegelijkertijd voldoende flexibele capaciteit beschikbaar moet blijven. Brancheorganisatie BDEW roept daarom op om meer nieuwe gas turbines te bouwen (in het Duits), en bedrijven zoals Uniper (voormalig Eon) onderzoekt momenteel haar mogelijkheden (in het Duits). Dat doen ook gemeentelijke energiebedrijven, zoals dat van Cottbus die recentelijk plannen aankondigde om over te schakelen van lokaal geproduceerd bruinkool naar gas (in het Duits). Tussen al het nieuws over records in duurzame elektriciteitsproductie en elektriciteitsexport verdient dit kleine nieuws item meer aandacht: een gemeentelijk energiebedrijf in een van Duitslands drie grootste bruinkoolmijngebieden (Lausitz) schakelt over op gas.
100% groene stroom?
Misschien wel het hipste nieuwsbericht kwam juist na de jaarwisseling, toen het nieuwe Duitse handelsplatform (SMARD) voor elektriciteit liet zien dat een korte tijd ruwweg 100% van de elektriciteitsvraag door groene stroom werd geleverd. In de grafiek van de website hieronder valt de rode lijn (de elektriciteitsvraag) over de top van het blauwe gebied dat het aanbod aan windenergie weergeeft, met de andere hernieuwbare energiebronnen eronder. De vraag naar elektriciteit was laag en de productie van windenergie hoog vanaf ongeveer 4 uur ’s nachts tot 6 uur ’s ochtends op 1 januari. De andere twee belangrijke elektriciteitsmarkt visualisaties – de Agorameter en Energy-Charts.de – tonen een aandeel groene stroom dat dichter bij 90% ligt. Het verschil wordt veroorzaakt door verschillen in de schattingen. Eerdere keren dat geclaimd werd dat Duitsland 100% hernieuwbare stroom produceerde bleken overschattingen te zijn (lees ook dit), maar misschien is dit nieuwe platform betrouwbaarder en had Duitsland werkelijk 2 uur lang 100% duurzame stroom.
In ieder geval was 2017 een goed jaar voor hernieuwbare energie in Duitsland, en 2018 is goed van start gegaan.
Een recente studie in opdracht van de Duitse Groenen komt tot de conclusie dat Duitsland weinig kans heeft om de 40% CO2 reductiedoelstelling voor 2020 te halen. Maar als je denkt dat elektriciteitsproductie door kolencentrales het grote probleem zijn, zal je verbaasd zijn over de analyse van Craig Morris.
Emissies blijven hoog, maar kolen zijn mogelijk niet de boosdoener (foto door Leon Liesener, edited, CC BY-SA 3.0).
Noem het onzinnig – of misschien simpelweg onrealistisch: maar in 2007 stelden Bondskanselier Merkel en toenmalig milieuminister Gabriel een ambitieuze doelstelling vast om de CO2 emissies met 40% te verminderen in 2020 ten opzichte van 1990. Hoe onrealistisch was het?
Overweeg in de eerste plaats dat de oorspronkelijk uitfasering van kernenergie in 2002 (teruggedraaid in 2020 en toen weer vastgesteld in 2011) er toe zou leiden dat de meeste kerncentrales in Duitsland in 2020 gesloten zouden zijn. De sluiting van deze CO2 arme energiecentrales zou het enkel moeilijker maken om de CO2 emissies in die jaren te verlagen.
Bovendien wisten we in 2007 nog niet dat hernieuwbare energie zo snel zou groeien. Van 2000 tot 2006 steeg het aandeel groene stroom van 6,6 procent naar 11,2 procent, een groei van minder dan één procentpunt per jaar. Sinds 2006 is dat aandeel twee keer zo hard gegroeid, maar in 2007 was het was nog niet zeker of dit succes zou doorzetten.
End dan was er nog de daling van CO2 emissies. Volgens het Kyoto protocol diende Duitsland in 2012 21 procent minder CO2 uit te stoten, wat nog acht jaar overlaat voor de resterende 19 procent – ruwweg 2,4 procentpunt per jaar. Om dit cijfer in context te plaatsen, de doelstelling voor 2050 is 80% reductie; gemeten vanaf 2012 is dat 1,55 procent per jaar. Dus de korte termijndoelstelling is 50% ambitieuzer dan de lange termijn doelstelling – ondanks de gelijktijdige uitfasering van kernenergie!
Er is een verzachtende factor: de werkelijke emissiereductie in Duitsland naderde in 2012 met 25% veel hoger dan Duitslands Kyoto doelstelling. Dat betekent dat Duitsland in 2020 zijn emissies nog slechts met 15 procentpunt hoefde te verlagen. Maar toch, 15 procent in acht jaar is snel – een derde sneller dan het lange termijn gemiddelde.
Gebaseerd op de uitfasering van kernenergie en de staat van hernieuwbare energie in 2007 ligt het meer voor de hand dat de vermindering van de CO2 uitstoot in de periode 2012-2020 lager zou liggen dan het lange termijn gemiddelde. Misschien dat Merkel en Gabriel dachten dat er voldoende laag hangend fruit was om succes te verzekeren. Hoe dan ook schat Arepo Consult in een rapport voor de Groenen (PDF in Duits) dat Duitse CO2 emissies in 2016 met 0,5 procent waren gestegen in 2016.
De harde cijfers voor 2016 zijn nog niet beschikbaar, maar in januari publiceerde het Duitse milieuagentschap UBA de cijfers voor 2015. Een kleine daling van 0,3 procent bracht de totale CO2 reductie t.o.v. 1990 op 27,9%. Duitsland heeft nu nog vijf jaar om de emissies met 12,1% te laten dalen – dat is 2,4 procent per jaar. Sinds 2012 zijn de emissies met slechts 0,5% per jaar gedaald. In dat tempo komt Duitsland dichter bij 32% dan bij 40% in 2020.
Kolen zijn misschien niet eens het grootste probleem
Hou in gedachten dat de emissies van kolencentrales omlaag zijn gegaan. Zowel UBA (PDF persbericht van 20 maart) als Arepo wijzen er op dat de emissies van transport en warmte het probleem zijn. De emissies van de gebouwde omgeving is praktisch gelijk aan de emissie in 1995; voor transport zijn ze gelijk aan het niveau van 1990. Er is duidelijk te weinig voortgang gemaakt in warmte en transport; Duitslands energietransitie blijft een elektriciteitstransitie.
Vluchtelingen zorgden in 2016 voor een stijging van de bevolking van Duitsland met ongeveer 1%. Veel van hen werden tijdelijk gehuisvest in grote, ongeïsoleerde tenten waar hete lucht in werd geblazen – een zeer inefficiënt proces. Dit effect kan echter tijdelijk blijken.
Maar dit tijdelijke effect telt op bij een structureel probleem: Duitsland heft nog niet bedacht hoe ze het tempo van energie-efficiënte gebouw renovaties kan opvoeren. En Berlijn heeft het afgelopen decennium besteed aan het verdedigen van diesel in plaats van elektrische mobiliteit, inclusief openbaar vervoer – om het maar niet te hebben over fietspaden en beloopbare steden.
De auteurs van Arepo hebben duidelijk aanbevelingen: sluit kolencentrales en maak de omslag naar hybride en elektrische mobiliteit, inclusief spoorwegen. Voor de warmtesector bevelen ze “grotere efficiency” aan. Maar hoe? Oproepen om huiseigenaren te dwingen tot geode isolatie en het vervangen van oud olie gestokte verwarmingssystemen door efficiëntere nieuwere (idealiter draaiend op gas of hernieuwbare warmte) worden beantwoord met beschuldigingen van aantasting van eigendomsrecht. Merkel is tegen een snelle uitfasering van kolen vanwege de impact op de betreffende gemeenschappen (bericht in het Duits). En gemeentelijke overheden die gaan over het aanleggen van fietspaden en verbeteren van openbaar vervoer missen de financiële middelen.
We weten allemaal wat de problemen zijn. We hebben zelfs een heleboel oplossingen. De oplossingen geïmplementeerd krijgen – dat is de crux. Om dat voor elkaar te krijgen hebben we sociale, en niet alleen technische, oplossingen nodig. Het Duitse publiek, dat naar verluidt de Energiewende sterk steunt, moet overtuig worden om de juiste stappen te nemen buiten de elektriciteitssector.
Hoe groot kan een coöperatief project zijn? Hoe groot klinkt ’93 windturbines’ en ‘400 miljoen euro’? Het grootste windpark op land in Nederland zal 50% groter zijn dan het grootste windpark tot nu toe – en dat is misschien pas het begin. Hoe komt het dat Nederlandse coöperatieve windprojecten zo op het niveau van nutsbedrijven zitten? Craig Morris onderzoekt het.
Zeewolde: een enorm succesvol wind park in gemeenschappelijk bezit (foto Floris Oosterveld, edited, CC BY 2.0)
De provincie Flevoland is letterlijk gevormd uit land dat gewonnen is uit het IJsselmeer. De provincie bestaat grotendeels uit landbouwgrond en is het centrum van de Nederlandse windenergieproductie op land.
Honderden windturbines in Flevoland naderen het einde van hun 20-jarige productieve leven. Het vervangen van deze turbines – een proces dat in het Engels repowering heet – is geen één-op-één-voorstel, omdat windturbines zo veel gegroeid zijn in de afgelopen decennia.
Wanneer ik het succes van Duitse gemeenschapsprojecten in de windenergiesector presenteer wordt vaak de vraag gesteld of of projecten niet simpelweg te groot zijn geworden voor kleine spelers. In het licht van de groei van turbines lijkt dat een logische vraag.
Het windpark bij Zeewolde geeft een duidelijk antwoord. Grofweg 200 lokale burgers, veel van hen boeren, en eigenaren van de oude windturbines, realiseerden zich een decennium geleden dat ze een plan moesten gaan maken voor het eind van hun huidige windturbines. Siward Zomer, hoofd van de Nederlandse windcoöperatie De Nieuwe Molenaars, legt uit:
Er was sprake van oud zeer. Sommige landeigenaren verdienden 30.000 euro per jaar omdat de turbines op hun land stonden, maar hun buren, die net zo dicht bij de windturbines woonden, kregen niks.
Onder invloed van de Europese Commissie schakelen de meeste Europese landen nu over op veilingen, een systeem waarin bieders met elkaar concurreren. Maar om de ongelijkheid van de huidige situatie te overkomen lieten de gemeentelijke en provinciale overheden iedereen samenwerken.
Het resultaat was een vijf jaar lange discussie waarin burgers vragen moesten beantwoorden zoals: ‘Hoeveel geld zou een landeigenaar moeten ontvangen als er een kabel over zijn eigendom loopt?’ en ‘Hoeveel krijg je als een windmolen op je land staat en hoeveel krijgen de buren?’ Normaal gesproken wordt over dit soort voorwaarden onderhandeld met de projectontwikkelaar. Nu werden deze voorwaarden vastgesteld door een democratisch georganiseerde windorganisatie, opgezet door burgers zelf. De overheid wilde slechts doorgaan met het verlenen van de vergunning als het publiek de uitkomsten van dit proces accepteerde – niet na één of ander referendum of een verkiezing gebaseerd op loze beloftes, maar na geïnformeerde en langdurige onderhandelingen tussen burgers. “Het was niet makkelijk” zo vat Zomer de ervaring van dit proces samen.
De burgers die een windturbine bezaten of die eigendom in de buurt bezaten waren al lid van een windorganisatie, maar burgers die in omliggende dorpen woonden vielen buiten de boot. REScoop.nl en REScoop.eu (de Nederlandse en Europese federatie van burger-energiecoöperaties) brachten daarom geld bij elkaar om een bestaande windturbine in het gebied te kopen en ze zetten een lokale energiecoöperatie op voor bewoners van de dorpen. Deze lokale energiecoöperatie zou dezelfde rechten krijgen om aan het nieuwe windpark deel te nemen. Zomer herinnert zich:
We kwamen op enig punt 40.000 euro te kort, dus gingen we samen werken met REScoop.eu om internationale burgers investeerders te vinden
REScoop verbond de Nederlanders met Spaanse burgers, die mee investeerden uit solidariteit en samenwerking met hun noordelijke mede-burgers.
Uiteindelijk moet voor de realisatie van het windpark zo’n 80 miljoen euro aan eigen vermogen opgehaald worden en zo’n 320 miljoen aan bankleningen om het totale prijskaartje van 400 miljoen euro te dekken. Daan Creupelandt, woordvoerder voor REScoop.eu, zegt dat zijn organisatie momenteel werkt aan een revolving fund, als onderdeel van het REScoop MECISE project, om het voor lokale energie coöperaties eenvoudiger te maken om internationale investeringen aan te trekken.
10,4 miljoen euro van het project zal via De Nieuwe Molenaars publiek aangeboden worden in de vorm van obligaties en risicodragende aandelen en obligaties. De prijs voor een aandeel start op € 250. Om ruimte te bieden aan elk budget worden de obligaties in coupons van € 50 uitgegeven. Hiermee wordt het project toegankelijk voor een brede groep burgers. Lokale bewoners krijgen voorrang, aldus Zomer, maar andere burgers kunnen deelnemen als niet alle aandelen lokaal verkocht worden. Uiteindelijk is de verwachting dat zo’n 1000 burgers de krachten zullen bundelen met zo’n 200 boeren en eigenaren van de bestaande windturbines om het gigantische project te financieren.
Als alles goed gaat kan het leiden tot vervolgprojecten. Tenslotte zullen binnenkort meer oude windturbines in aanmerking komen voor repowering. Zomer hoopt dat:
we binnenkort een revolving fund hebben. Nieuwe coöperaties die het aan geld ontbreekt zouden hun krachten kunnen bundelen met oude coöperaties die op zoek zijn naar nieuwe projecten.”
Zomer schat het potentieel aan vervangingsprojecten voor windenergie op 1.000 MW. Om dat in perspectief te zetten: eind 2016 was slechts 4.328 MW aan windenergie geïnstalleerd in Nederland (PDF).
Perspectief kan ook nuttig zijn om de omvang van het project te beoordelen. Met 350 MW is het project twee keer zo groot als enig enkel project in Duitsland (lijst in Duits). Het grootste windpark op land in Europa is een 600 MW project in Roemenië, gebouwd door de CEZ Group uit Tsjechië in 2012.
Bovendien zorgt de discussie over eigendomsmogelijkheden ervoor dat windenergie populairder wordt in Nederland. In andere landen zou je protesten verwachten tijdens de informatiebijeenkomsten in de planningsfase, maar Zomer zegt:
In toenemende mate komen mensen langs om te zien hoe hun windpark er uit komt te zien.
De geplande opleveringsdatum voor windpark Zeewolde is 2019, meer informatie over de Nieuwe Molenaars vind je hier.
ANALYSE – Nederland: het land van windmolens, tulpen… en een van ’s wereld tien grootste gasvelden. Maar wat ooit gezien werd als een zegen wordt in toenemende mate gezien als een ding van het verleden. Craig Morris vraagt zich af: is het tijd om te breken met de Nederlandse traditie van ‘prettige voortzetting’?
Je eerste Nederlandse zin van de dag: smakelijk eten. Ongeveer 98 percent van de huishoudens kookt en verwarmd met gas. Het is niet moeilijk om deze afhankelijkheid te verklaren: in 1959 ontdekte de Nederlanders het grootste gasveld van Europa en het in omvang 10e gasveld van de wereld onder hun voeten in Groningen. Nederland wilde dit gasveld zo snel mogelijk opmaken, omdat experts ten onrechte dachten dat kernenergie gas snel onverkoopbaar zou maken (een goed voorbeeld van de hype rond kernenergie rond 1959 – zie ook deze van een ander Nederlands bedrijf).
Citaat uit een speech van de Senior Vice President van Exxon in 2013.
Bijna zestig jaar verder is er veel gasinfrastructuur aangelegd, omdat kernenergie heeft gefaald. Deze afhankelijkheid van gas bleef niet zonder kritiek. In 1977 bedacht het Britse weekblad The Economist de term ‘Dutch disease‘ (Nederlandse ziekte) voor het vermeende onvermogen van Nederland om zich zelf uit economische neergangen te innoveren (niet te verwarren met de recentere Dutch Coal Mistake (Nederlandse kolen vergissing): meerdere kolencentrales bouwen die meteen verliesgevend waren). Nederlanders, zo werd gedacht, waren lui geworden door de grote hoeveelheid gas. Shell, de olie en gas gigant, is ook te groot voor zo’n klein land; de omzet van Shell is bijna net zo groot als de hele Nederlandse economie.
Maar recente gebeurtenissen zorgden voor een fundamentele omwenteling. Aardbevingen begonnen schade te veroorzaken aan huizen boven het Groninger gasveld (doordat het gas wordt gewonnen, klinkt de bodem in). De productie is daarvoor bijna gehalveerd t.o.v. 2013. Begin dit jaar besliste de rechtbank in een aangespannen spoedprocedure dat het gaswinningsbesluit voorlopig blijft gehandhaafd in afwachting van de inhoudelijke behandeling van de bezwaren tegen de gaswinning in mei. Maar gas is op z’n retour: vorig jaar verzocht de Tweede Kamer om de gasaansluitplicht af te schaffen en in de Energieagenda geeft het Kabinet aan dat de gasaansluitplicht geschrapt gaat worden. Amsterdam heeft inmiddels een plan om alle huizen voor 2050 van het gas af te halen. Nederland heeft als doel 100% hernieuwbare energie in 2050 (KB: in de Energieagenda wordt gesproken van een CO2-arme energievoorziening voor 2050).
“The mind is a funny thing”
“We moesten onszelf binnen ons bedrijf overtuigen dat een toekomst zonder gas mogelijk is,” zegt Elbert Huijzer van netwerkbedrijf Alliander. Huijzer en zijn collega’s probeerde een scenario voor Nederland te ontwikkelen zonder gas, om beter deel te kunnen nemen aan het debat over de mogelijkheid van een gasvrij Nederland. Hij en zijn collega’s dachten dat hun banen zeker waren, gegeven de dominantie van gas. “We namen de bedreiging simpelweg niet serieus.” Dus hij liet zijn collega’s eind 2015 vier dagen werken aan het ontwikkelen van scenario’s voor een gasvrij Nederland.
“Mijn doel was om te bewijzen dat het idee van een gasvrij Nederland onhaalbaar was. Maar het effect was tegenovergesteld,” zegt hij. Tot hun eigen verbazing ontdekten zijn collega’s dat een toekomst zonder gas mogelijk was voor Nederland. “Nadat we deze energiemix zelf hadden ontworpen begrepen we dat het risico reëel was,” zegt hij, “maar het kost veel tijd en discussie. The mind is a funny thig,” zo beschrijft hij de ervaring.
Dat inzicht komt precies op tijd. De directeur van NAM, het bedrijf dat het Groninger gasveld exploiteert, heeft recent opgeroepen om de gasbaten in een fonds voor hernieuwbare energie te stoppen: “Momenteel lopen de winsten van gaswinning nog in de miljarden en we kunnen die investeren in de energie van de toekomst.”
Shell heeft ook een ommezwaai gemaakt. Tot voor kort ondermijnde de olie- en gasgigant heimelijk achter de schermen de EU doelen voor hernieuwbare energie. De antidemocratische rol die Shell historisch gezien speelde in Nederland is goed beschreven in een boek waarvan de titel geen uitleg behoeft: Gaskolonie.
De Nederlanders zijn nog lang niet in de buurt van het doel voor 2020 van 14 hernieuwbare energie. Inderdaad, is er weinig voortgang geboekt. Bron: EnTranCe.
Recent heeft Shell, als onderdeel van een consortium, een winnend bod geplaatst voor wind op zee met een bod van 5,45 ct/kWh. Toch blijft er kritiek, een kenner van de Nederlandse energiesector waar ik mee sprak op voorwaarde van anonimiteit stelt dat Shell zich meester wil maken van de markt voor wind op zee: “Ze lobbyen voor een grote tender van 10-15 GW. Als ze die winnen, domineren ze de windmarkt, net zoals ze met NAM en Exxon voor gas doen.”
Het maakt een duidelijk politiek verschil wie de energietransitie drijft: een kleine groep grote bedrijven of een breder scala van kleinere ondernemingen en coöperaties. Hoewel dit aspect vaak over het hoofd wordt gezien is de wereldwijde energietransitie een eenmalige kans om de energiesector te democratiseren. In Nederland is het een eenmalige kans om de dominantie van een zeer kleine, maar machtige gas oligarchie te verzwakken.
Welke weg de Nederlanders ook kiezen, het publiek moet eerst rijp gemaakt worden voor een gasvrije toekomst. Hiervoor zet Nuon (een dochterbedrijf van Vattenfall) een Cook Truck in om mensen vertrouwt te maken met elektrisch koken. Je tweede Nederlandse uitspraak van de dag is: prettige voortzetting. Misschien zou prettige transitie beter zijn?
Craig Morris (@PPchef) is de hoofdauteur van Global Energy Transition. He is co-auteur van Energy Democracy, de eerste geschiedenis van de Duitse Energiewende en hij is momenteel Senior Fellow bij <ahref=”http://www.iass-potsdam.de/” target=”_blank”>IASS.
Dit artikel is eerder verschenen op Energy Transition en met toestemming van de auteur door mij vertaald voor Sargasso.