Burgers laten Nederlandse bewindspersonen CO2-neutraal naar Madrid vliegen

Momenteel vindt de 25e klimaatconferentie plaats in Madrid. De Nederlandse bewindspersonen reizen per vliegtuig heen en terug. De afstand Schiphol-Madrid vv. bedraagt 2925 kilometer. Een vlucht tussen de 700-2500 kilometer stoot 200 gram CO2 per reizigerskilometer uit. Dat maakt 585 kilogram CO2 per kilometer. Premier Rutte en de Nederlandse overheid lijken niet in staat om deze CO2 uitstoot te compenseren, of doen dat alleen via aankoop van CO2-credits.

Op initiatief van Andy van den Dobbelsteen, Hoogleraar Climate Design & Sustainability aan de TU Delft, heeft een gelegenheidscoalitie van 7 twitteraars 7 ton CO2 gecompenseerd via Carbon Killer.

De compensatie via Carbon Killer zorgt ervoor dat er 7 ton CO2 uit het Europees Emissiehandelsysteem afgeboekt is. Waarmee de beschikbare emissieruimte voor de industrie is gedaald. Ondergetekende heeft nog een ton CO2 extra mogen compenseren via Carbon Killer ter compensatie van domme rekenfouten over de hoeveelheid CO2 compensatie die Klaas Dijkhoff van zijn wachtgeld zou kunnen betalen.

Open waanlink

Dit bericht is geschreven voor en gepubliceerd op Sargasso.

2019: Kolen omlaag, CO2 omhoog

De productie van elektriciteit in kolencentrales daalt dit jaar met zo’n 300 TWh. Tegelijkertijd is er volgens de  World Meteorological Organization nog geen zicht op stabiliserende, laat staan dalende, wereldwijde CO2 emissies.

Daling kolen

Eerder schreef ik al over de wereldwijde terugval in de kolensector. In een nieuwe analyse van de elektriciteitsproductie van de eerste 6 tot 9 maanden van 2019 komt Carbon Brief tot de conclusie dat de productie van kolenstroom dit jaar met 3% daalt. Dat is 300 TWh, oftewel zo’n 230 keer de hoeveelheid stroom die de NS in 2018 verbruikte.  De daling van kolenstroom wordt veroorzaakt door een daling van de hoeveelheid kolenstroom in ontwikkelde landen, zoals de Zuid-Korea, de EU (inclusief Duitsland). De daling is het grootst in de VS, waar weinig terecht komt van Trump’s belofte om de kolensector te redden. Dit jaar sloot wederom 14GW aan Amerikaanse kolencentrales (5,8% van de totale capaciteit) Een tweede belangrijke reden is de scherpe koerswijziging in India. In China stabiliseert de vraag naar elektriciteit.

In China wordt nog steeds iedere twee weken een kolencentrale opgeleverd. De vraag stijgt echter niet mee, waardoor de capaciteitsfactor (hoeveel % van de tijd een centrale stroom produceert) van Chinese kolencentrales daalt. Dit jaar ligt de capaciteitsfactor voor het vierde jaar op rij onder de 50%. Een andere zorgwekkende ontwikkeling voor de kolensector is dat in China volgend jaar de eerste wind- en zonneparken in gebruik worden genomen die tegen dezelfde kosten als kolencentrales stroom gaan leveren. Waarmee de sector op weg is naar subsidievrije productie. In India ligt de capaciteitsfactor van de kolencentrales momenteel op 58%. De kolensector heeft last van de economische terugval, terwijl de elektriciteitsproductie van wind- en zonne-energie blijft groeien.

Stijging CO2 emissies

De daling in kolenstroom heeft vooralsnog geen grote effecten op de wereldwijde CO2 emissie. Sterker Petteri Taalas, the WMO secretary-general, zei bij de recente publicatie van een nieuw rapport over de CO2 concentratie:

There is no sign of a slowdown, let alone a decline, despite all the commitments under the Paris agreement on climate change. We need to increase the level of ambition for the sake of the future welfare of mankind.

It is worth recalling that the last time the Earth experienced a comparable concentration of carbon dioxide was 3-5m years ago. Back then, the temperature was 2-3C warmer and sea level was 10-20 metres higher than now.

Daarbij is driekwart van de reductiedoelstellingen die landen hebben ingediend voor het klimaatakkoord van Parijs volstrekt onvoldoende is om de doelstellingen van het klimaatakkoord van Parijs te halen. Ook de hoeveelheid olie, gas en kolen die landen nog willen winnen is te hoog om de doelstellingen van het klimaatakkoord van Parijs te halen. De winning van olie, kolen en gas wordt door veel overheden nog steeds stevig ondersteund in alle fases van het proces. Van opsporing tot daadwerkelijk winning.

Conclusie

Dat de wereldwijde stroomproductie m.b.v. kolen daalt is goed nieuws, al is het nog even wachten of de trend in 2020 en verder doorzet (wat ik zelf wel verwacht). Voor het halen van de doelstellingen van het klimaatakkoord van Parijs zijn we er daarmee nog niet. Dat vergt zowel verdergaande maatregelen om de CO2 te verminderen als maatregelen om de winning van olie, kolen en gas aan banden te leggen. Tot nu toe is er slechts een handvol landen dat de winning van fossiele brandstoffen aan banden legt. Nederland heeft daarin slechts een zeer klein stapje genomen door geen nieuwe opsporingsvergunningen voor aardgas meer af te geven buiten bestaande opsporingsconcessies.

Dit bericht is geschreven voor en gepubliceerd op Sargasso.

Energieverbruik en productie november 2019

November is afgelopen en eerder ben ik al ingegaan op de ontwikkeling van ons energieverbruik voor verwarming. Tijd om ook de andere aspecten van ons energieverbruik en onze energieproductie te analyseren. Te beginnen met een overzicht van de belangrijkste kengetallen.

Wat (alles in kWh)20182019verschil
Ruimteverwarming781487-38%
Warm water2022052%
Apparaten343278-19%
Verbruik/graaddag2,181,31-40%
Gasverbruik963205-79%
Elektriciteitsafname343786129%
Teruglevering21
Elektriciteitsverbruik343765123%
Zonnepanelen8460-29%
Zonnedelen17170%
Winddelen11167-40%
Zonneboiler200-100%
Totaal opwekking232144-38%
Netto elektriciteitsverbruik131622373%

Verdeling energieverbruik

November was een frisse maand met 371 graaddagen, meer dan de 359 van 2018. Dat is te zien in de toename van ons energieverbruik.

Het energieverbruik voor warm water was constant. Het energieverbruik van apparaten daalde met 65 kWh, oftewel 19%, ten opzicht van 2018. Als je bedenkt dat ons infraroodpaneel in de badkamer zo’n 70 kWh heeft verbruikt in november 2019 en dat deze in 2018 nog meetelde in het elektriciteitsverbruik van apparaten dan is het elektriciteitsverbruik van apparaten eigenlijk stabiel ten opzichte van november 2018. Het energieverbruik voor verwarming ligt met 487 kWh wel 38% lager dan in november 2018, dat is nog afgezien van de 70 kWh van de badkamer die ik vorig jaar nog meerekende bij apparaten en die nu meetelt bij verwarming.

Bezien over een periode van 12 maanden is ons energieverbruik licht aan het dalen. Ten opzichten van oktober is het energieverbruik op jaarbasis met 3% gedaald. Ten opzichte van november 2018 bedraagt de daling 10%. Inmiddels is ons bruto energieverbruik tot net boven de 10.000 kWh gedaald. Als de ontwikkeling van ons energieverbruik voor verwarming in december doorzet dan verwacht ik dat we in 2019 voor het eerst sinds we hier wonen minder dan 10.000 kWh verbruiken voor verwarming, warm water en apparaten samen.

Doordat de hoeveelheid energie die we verbruiken voor verwarming licht daalt daalt ook het aandeel verwarming in onze energiemix. Verwarming vormt nu zo’n 45% van ons energieverbruik, warm water 24% en elektrische apparaten 31%.

Herkomst energie

In november heeft onze zonneboiler niet zoveel gedaan. Sterker die droeg eigenlijk niets bij. Hierdoor is het aandeel aardgas weer gestegen tot zo’n 20%. De stijging van het aandeel elektriciteit was echter veel sterker, wat het effect van onze infraroodverwarming laat zien.

In voorgaande jaren lag het aandeel elektriciteit in ons energieverbruik in november veel lager dan nu.

De hoeveelheid aardgas die we in november hebben gebruikt ligt in november 2019 veel lager dan in dezelfde periode vorig jaar. Ondanks de stijging van het aandeel gas in november ten opzichte van oktober. In bovenstaande grafiek is ook goed zichtbaar dat we in november onvoldoende elektriciteit produceerden om in ons eigen elektriciteitsverbruik te voorzien. We hebben behoorlijk wat stroom in moeten kopen bij onze energieleverancier.

Op jaarbasis begint ook zichtbaar te worden dat we elektriciteit in moeten kopen bij Greenchoice. Leverden we voorgaande jaren nog wel eens stroom terug, inmiddels is dat niet meer het geval en nemen we op jaarbasis zo’n 1.000 kWh af. Al komt dat deels ook doordat de hoeveelheid die we opwekken met onze winddelen, zonndelen, zonneboiler en zonnepanelen gedaald is ten opzichte van november 2018. Ook nemen we dit jaar minder aardgas af. Ten opzichte van 2018 is ons gasverbruik met 2.700 kWh gedaald, dat is zo’n 280 m3 minder aardgas.

Door de daling van het gasverbruik daalt ook het aandeel van aardgas in onze energiemix. Inmiddels is het aandeel gas gedaald tot 44%, terwijl elektriciteit op 44,7% zit. Daarmee is elektriciteit onze grootste energiebron geworden. Er vanuit gaande dat de infraroodverwarming goed blijft bevallen verwacht ik dat het aandeel aardgas volgend jaar terugvalt tot minder dan 25%. Dan hebben we enkel nog warm water voor de winter te regelen.

Netto energieverbruik

Ons netto energieverbruik ligt dit jaar lager dan voorgaande jaren. Al scheelt het niet heel veel me 2014.

Ons bruto energieverbruik ligt dit jaar 1.400 kWh lager dan in 2018. Ten opzichte van het gemiddelde over de periode 2011-2018, exclusief 2013, ligt ons bruto energieverbruik 94 kWh, oftewel 10%, lager. De energieproductie van onze winddelen, zonnepanelen, zonnedelen en zonneboiler ligt echter ook 300 kWh lager dan in 2018. Per saldo ligt ons netto energieverbruik daarmee 200 kWh onder het netto energieverbruik van 2014.

Variabele energiekosten

Onze variabele energiekosten liggen dit jaar hoger dan vorig jaar. Maar voordat ik daar naar ga kijken eerst de ontwikkeling van de kosten voor aardgas.

Doordat ons aardgasverbruik dit jaar fors lager ligt dan vorig jaar liggen de kosten voor aardgas ook veel lager. Ten opzichte van vorig jaar liggende kosten Euro 131 lager. Op basis van het gemiddeld verbruik en het aantal graaddagen tot en met november schat ik dat onze gasrekening 161 Euro hoger zou zijn als we met de cv-ketel zouden verwarmen. De grootste kosten voor gas hebben we in januari en februari gemaakt, toen we nog wel op gas stookten. Vanaf half maart is gas enkel nog ingezet voor warm water.

Onze variabele elektriciteitskosten liggen dit jaar 294 Euro hoger dan vorig jaar. Wanneer COP = 1 zou kloppen had dit 438 Euro moeten zijn. Wanneer we nog met een CV-ketel zouden hebben verwarmd, dan was de elektriciteitsrekening 312 Euro lager geweest.

Hoe je ook precies rekent de variabele energiekosten zijn dit jaar omhoog gegaan door de overstap naar infraroodverwarming in onze label C-woning. Het verschil over de eerste elf maanden bedraagt 157 Euro ten opzichte van 2018 en 153 Euro ten opzichte van verwarming met de hr-ketel. Daar staat tegenover dat we zo’n 172 Euro gaan besparen zodra we de gasaansluiting kunnen laten verwijderen.De stijging die plaats had moeten vinden wanneer de COP = 1 politie gelijk zou hebben bedraagt 301 Euro ten opzichte van 2018 en 297 Euro ten opzichte van verwarmen met een hr-ketel.

Kortom ook de overschakeling naar infraroodverwarming vergt extra maatregelen aan onze label C-woning om de energierekening binnen de perken te houden als we van gas af gaan. Een van de opties die ik overweeg is de muren behandelen met speciale verf. Een andere optie is om de kozijnen onder handen te nemen en als laatste maatregel zullen we extra groene stroom moeten produceren om op jaarbasis stroomproductie en verbruik weer in evenwicht te krijgen. Ik verwacht dat we zo’n 3.000 kilowattuur extra stroom moeten produceren.

Raad van State kritisch: klimaatplan volstaat niet voor behalen doelen klimaatwet

In juni presenteerde het Kabinet het Klimaatakkoord, waarin het klimaatbeleid tot 2030 vast wordt gelegd. Het Klimaatakkoord is bedoeld als het eerste Klimaatplan, zoals deze volgens de Klimaatwetten minste elke 5 jaar moet worden opgesteld door het kabinet. In de klimaatwet zijn de harde doelstellingen voor 2030 vervallen. Volgens de Afdeling advisering van de Raad van State geeft het eerste Klimaatplan van de regering blijk van een stevig klimaatbeleid. Maar volgens de Raad van State zijn, net als het Planbureau voor de Leefomgeving eerder al concludeerde, aanvullende maatregelen nodig om in 2030 een broeikasgasreductie van 49% te behalen.

Het uiteindelijke doel is een broeikasgasreductie van 95% in 2050. Dit vergt volgens de Raad van State een herordening van productie en consumptie in alle sectoren van de maatschappij en de economie, en niet een veelheid aan losse maatregelen. Het Klimaatplan geeft nog weinig blijk van dit besef.

Toetsing Klimaatplan door Raad van State

De Klimaatwet schrijft voor dat de Raad van State over het Klimaatplan wordt “gehoord”. De Klimaatwet is bijzonder: niet alleen zijn daarin klimaatdoelstellingen voor de regering vastgelegd, maar ook een kader voor beleidsontwikkeling, effectmeting en verantwoording door de regering. Dit beleidskader is voor alle betrokken partijen nieuw. Alle betrokken partijen – ook de Afdeling – moeten ervaring opdoen met hun nieuwe taak. De Afdeling is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur. De Afdeling advisering van de Raad van State heeft voor haar advies een toetsingskader opgesteld dat zij voor de beschouwing over het Klimaatplan heeft gehanteerd. Het toetsingskader bestaat uit vier hoofdonderwerpen. De vier hoofdonderwerpen zijn: klimaatdoelen, economische afwegingen, bestuur en uitvoering en juridische aspecten. Voor de onderwerpen doelrealisatie en economische afwegingen gaat de Afdeling uit van de onafhankelijke analyses en ramingen van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) en het Centraal Planbureau (CPB).

Realisatie van de klimaatdoelen

Het concept-Klimaatplan heeft betrekking op de periode tot en met 2030. Daarom richt de Afdeling zich in deze beschouwing – als startpunt – op de vraag of dit concept-Klimaatplan de maatregelen bevat die ertoe leiden dat het tussendoel van 49%-emissiereductie van broeikasgassen in 2030 ten opzichte van 1990 wordt bereikt. Daarnaast beschouwt de Afdeling de maatregelen in het concept-Klimaatplan ook in het licht van het realiseren van het doel van 95%-emissiereductie in 2050.

PBL heeft de effecten van het Klimaatakkoord doorgerekend en de resultaten daarvan gepubliceerd in de policy brief ‘Het Klimaatakkoord: effecten en aandachtspunten’. De studie geeft antwoord op de vraag of het doel van 49% emissiereductie bij uitvoering van het akkoord bereikt wordt. Ondanks het grotere effect t.o.v. het ontwerp klimaatakkoord is het antwoord op deze vraag negatief. De studie concludeert dan met het akkoord een reductie van 43% – 48% bereikt kan worden. Naast het kwantitatieve gedeelte biedt de policy brief enkele belangrijke aandachtspunten voor de uitvoeringsfase van het akkoord.

De ramingen van PBL voor 2030 laten ruime bandbreedtes zien van boven- en ondergrenzen, die het gevolg zijn van vormgevings- en gedragsonzekerheden van de maatregelen. In de onzekerheidsanalyse in de KEV 2019 zijn daarnaast de onzekerheden over omgevingsfactoren (omgevingsonzekerheden) meegenomen. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om de prijsontwikkeling van fossiele brandstoffen, economische ontwikkelingen, technologische ontwikkelingen en ontwikkelingen in het buitenland. Deze zijn van groot belang voor de uiteindelijke emissies in 2030. Dit betekent dat de emissies in 2030 met uitvoering van het Klimaatakkoord nog lager of hoger kunnen uitvallen dan de onder- en bovengrens van 43-49%.

Het PBL concludeert dat het 2030-klimaatdoel van 49%-reductie met het Klimaatakkoord naar verwachting niet wordt bereikt. Het akkoord leidt tot een emissiereductie van 43 – 48% ten opzichte van 1990. Verder concludeert het PBL onder meer dat het Klimaatakkoord zich sterk richt op 49%-emissiereductie in 2030 en nog weinig voorsorteert op verdergaande reductie in de periode daarna. Het Nederlandse klimaatdoel 2050 impliceert ook een enorme opgave in de periode 2030-2050, die, meer dan de opgave tot 2030, structurele aanpassingen zal vergen.

Daar komt bij dat Nederland voor de verdere reductie van broeikasgassen vooral is aangewezen op de reductie van CO2, terwijl juist dat tot nu toe – volgens de KEV 2019 – niet eenvoudig is gebleken. Uit de KEV 2019 blijkt dat de totale emissie van broeikasgassen in 2018 bijna 15% lager is dan in het referentiejaar 1990. Deze afname komt echter vooral voor rekening van de overige broeikasgassen methaan, lachgas en fluorhoudende gassen (F-gassen), waarvan de gezamenlijke emissies sinds 1990 met 52% zijn gedaald. (zie noot 6) In de KEV 2019 wordt de verwachting uitgesproken dat tot 2030 nog maar een beperkte verdere reductie van deze overige broeikasgassen wordt bereikt.

Het concept-Klimaatplan geeft volgens de Raad van State wel blijk van een stevig klimaatbeleid, dat naar verwachting tot een aanzienlijke emissiereductie van broeikasgassen leidt. Vanwege de urgentie van de klimaat- en energietransitie is het zaak om dit jaar het Klimaatplan vast te stellen en de uitvoering van het klimaatbeleid voortvarend en planmatig ter hand te nemen. Daarbij is speciale aandacht nodig voor maatregelen die onvoldoende uitgewerkt zijn, zoals de CO2 heffing.

Tegelijkertijd stelt de Raad van State dat het Kabinet aanvullende beleidsmaatregelen voor zou moeten bereiden om de 49% CO2 reductie in 2030 te bereiken en om het uiteindelijke, in de Klimaatwet verankerde, doel van 95% broeikasgasreductie in 2050 te bereiken. Een dergelijke, even noodzakelijke als enorme reductie vergt niet louter een veelheid aan losse maatregelen, maar herordening van productie en consumptie in alle sectoren van de maatschappij en economie. Het concept-Klimaatplan geeft onvoldoende blijk van dat besef en plaatst de maatregelen voor 2030 onvoldoende in het perspectief naar 2050.

Visie op 2050

Het behalen van deze lange termijn doelstelling vergt volgens de Raad van State dat Rutte de olifant waar met hoofdletters visie op staatonder ogen komt. De ontwikkeling van een visie met de benodigde structuurveranderingen voor de langere termijn richting 2050 vergen een grondige afweging. Een voor de hand liggende criterium daarbij is de  omvang van de uitstoot (in bijvoorbeeld een sector of subsector). Immers, daar waar de emissie van broeikasgassen het meest omvangrijk is, kan wellicht ook de grootste emissiereductie worden behaald. De Raad van State vraagt hierbij specifiek aandacht voor de grote omvang van de CO2 emissies in de transport- en mobiliteitssector. Ook in 2030 zullen de emissies van deze sector nog nauwelijks gedaald zijn ten opzichte van 1990. Terwijl de ontwikkelingen in de internationale scheepvaart en luchtvaart achterblijven, wat vraagt om aanvullende nationaal beleid (ook al tellen deze sectoren niet mee voor de Nederlandse CO2 uitstoot).

Bij kosteneffectiviteit als afweging spelen zowel de effectiviteit van een maatregel in termen van emissiereductie als de kosten van een maatregel een rol. Daar komt bij dat niet alleen naar iedere maatregel afzonderlijk zou moeten worden gekeken, maar ook naar de samenhang tussen verschillende maatregelen. Ook de samenhang tussen het diverse instrumentarium van klimaatbeleid en de keuze die daarin gemaakt wordt, is zeer relevant: beprijzing van de emissie van broeikasgassen, belastingen, subsidies en normering van gedrag. Aanvullend is ook technologiebeleid en beleid gericht op het verduurzamen van productieprocessen en consumptiepatronen nodig.

Het klimaatdoel voor 2050 vraagt om ingrijpende veranderingen van de structuur van de economie en om innovatie op systeemniveau. Het concept-Klimaatplan geeft nog te weinig blijk van een visie op de systeemvraagstukken in het licht van de doelen van 2050. De maatregelen in het huidige klimaatbeleid richten zich vooral op de aanpassing van productieprocessen, maar volgens de Raad van State is er meer nodig. Bijvoorbeeld nieuwe infrastructuur voor nieuwe energiebronnen, kennis ontwikkelen en basisinfrastructuur aan leggen voor onder meer de energie- en grondstoffenvoorziening gericht op de toekomst. De Raad van State vraagt in dit licht ook aandacht voor technologiebeleid gericht op systeeminnovatie.

Het concept-Klimaatplan besteedt volgens de Raad van State relatief weinig aandacht aan het aanpassen van consumptiepatronen, bijvoorbeeld op het gebied van voeding (minder vlees eten), mobiliteit (minder auto rijden) en energiegebruik. Voorlichting is daarbij belangrijk, maar dat is niet meer dan een eerste stap. Wenselijke consumptiepatronen van burgers, bedrijven en de overheid kunnen actief worden bevorderd, bijvoorbeeld door de overheid als consument via aanbestedingen door overheidsorganisaties. Bovendien kan meer gebruik worden gemaakt van beschikbare inzichten in (keuze)gedrag. Het beïnvloeden van consumentenkeuzes hangt bijvoorbeeld sterk samen met hoe keuzes worden gepresenteerd. Zonder te zeer inbreuk te maken op de keuzevrijheid van burgers kunnen hier kosteneffectieve stappen in de goede richting worden gezet. Gedragsverandering is daarbij niet alleen de verantwoordelijkheid van individuen, het moet ook mogelijk zijn en voldoende aantrekkelijk. Daar ligt een verantwoordelijkheid voor de overheid en voor bedrijven.

Draagvlak

Het behalen van het klimaatdoel voor 2030, maar zeker ook het doel voor 2050, vergt ingrijpende veranderingen in economie en samenleving. Het huidige Klimaatplan zou hierin meer inzicht moeten geven dan nu gebeurt. Daarbij is ook aandacht nodig voor wanneer welke maatregelen worden getroffen en hoe de uitvoering gaat verlopen.

Om deze veranderingen door te voeren is het opbouwen en versterken van het draagvlak in de samenleving cruciaal. Zo moet duidelijk worden gemaakt wat de baten van klimaat- en energietransitie zijn. Daarbij valt te denken aan de verbetering van milieu en natuur, bescherming van de gezondheid, maar ook het voorkomen en tegengaan van zowel overstromingen als droogte. De kosten moeten inzichtelijk zijn en kosten en baten moeten evenwichtig worden verdeeld. De economische effect op inkomens, lasten en groei is beperkt, maar voor lagere inkomens is de impact het grootst. De gevolgen voor de werkgelegenheid betreffen naar verwachting transitieproblemen.

In het licht van draagvlak zijn deze gevolgen van de transitie van belang. Koolstofintensieve sectoren zullen in de toekomst minder werkgelegenheid bieden. De transitie van werknemers in dergelijke sectoren naar nieuwe werkgelegenheid is, ook in het licht van toenemende schaarste aan arbeid (vergrijzing), aanleiding om veel aandacht te besteden aan bij- en omscholing. Draagvlak voor de transitie zal kunnen worden bevorderd door hier vroegtijdig over na te denken en tijdig te handelen.

Samenwerking en sturing

Voor succesvol klimaatbeleid is de inzet van de hele samenleving nodig: overheden, (markt)partijen en burgers. Daarvoor is samenwerking essentieel. Niet alleen tussen verschillende onderdelen van de samenleving, maar zeker ook binnen alle bestuurslagen van de overheid. De urgentie en complexiteit van klimaat- en energietransitie vraagt van de wetgever een ‘samenhangend pakket van wetgeving waarbinnen stevige sturing, samenwerking en coördinatie plaatsvindt’. Alleen dan kan de noodzakelijke broeikasgasreductie daadwerkelijk en op tijd worden gerealiseerd.

Conclusie

Nu zowel het advies van de Raad van State, PBL al CPB op het klimaatakkoord gepubliceerd is is duidelijk dat er nog steeds werk aan de winkel is voor het kabinet. Niet alleen om aanvullende beleidsmaatregelen voor te bereiden om 49% CO2 reductie in 2030 te halen en om een visie op het bereiken van de doelstelling voor 2050 te ontwikkelen. Veel belangrijker gaat het worden om buiten de standaard klimaatbeleidshoek aan de slag te gaan met een eerlijke verdeling van de baten en lasten van de noodzakelijke transitie. Daarbij gaat het zowel om verdeling van de financiële kosten, die nu vooral bij de lagere inkomens neer lijken te slaan, als om het werken aan draagvlak voor het benodigde klimaatbeleid en om het opstellen van plannen om werknemers in krimpende sectoren van werk naar werk te begeleiden.

Dit bericht is geschreven voor en gepubliceerd op Sargasso.

Energieverbruik verwarming november 2019

November is voorbij. Tijd om te kijken naar ons energieverbruik. Vandaag met uitgebreidere analyse van het energieverbruik voor onze verwarming. De analyse van energieproductie en overig energieverbruik volgt later deze week.

Verwarming

November was redelijk koud, waardoor het de eerste maand was waarin we weer behoorlijk gestookt hebben. Interessant dus om te kijken naar wat hoeveel energie we hebben verbruikt voor verwarming van ons huis. De eerste overwinning is dat de cv-ketel niet gebruikt is voor verwarming. Het huis is comfortabel verwarmd m.b.v. onze infraroodverwarming. Een tweede opmerkelijk punt is dat het maar niet lukt om in de buurt te komen van de verbruiken die de COP = 1 politie voor infraroodverwarming voor rekent. CE Delft rekent in haar model met 24% besparing door een lagere luchttemperatuur, door sommigen omschreven als een gedrags-COP.

Energieverbruik per maand per graaddag 2011-2019

In bovenstaande grafiek is te zien dat ons energieverbruik per graaddag in november lager lag dan in voorgaande jaren. Niet een klein beetje, maar 40% lager dan in 2018. Ook ten opzichte van ons gemiddelde energieverbruik per graaddag in november in de periode 2011-2018 ligt het verbruik 40% lager. Zelfs als ik 2013, het jaar waarin we bovengemiddeld veel gestookt hebben, niet meereken.

Dit jaar telt het stroomverbruik van de verwarming van onze badkamer voor het eerst mee als verwarming. In voorgaande jaren telde dit mee als elektriciteitsverbruik apparaten, aangezien ik voorheen geen mogelijkheid had om het elektriciteitsverbruik van dit infraroodpaneel uit te splitsen van het overige elektriciteitsverbruik. Dat scheelt bijna 75 kWh in het nadeel van infraroodverwarming. De werkelijke besparing t.o.v. de cv-ketel ligt dus nog wat hoger.

Elektriciteitsverbruik per infraroodpaneel in november 2019. Bron BeNext meetapparatuur.

Ik heb in november een paar keer geprobeerd om de luchttemperatuur een graad lager te krijgen dan voorgaande jaren of om slechts een deel van de kamer te stoken (de gedrags COP), alleen levert dat telkens commentaar op van de dames over het comfort. Dus daar ben ik mee gestopt. Vandaar dat het elektriciteitsverbruik in de keuken, speelhoek en zithoek nagenoeg gelijk is. Andere theorieën over het verminderde energieverbruik zijn welkom.

Sinds januari is de daling van ons energieverbruik per graaddag minder groot, omdat we in de infraroodpanelen pas sinds halverwege maart gebruiken. Het energieverbruik voor verwarming ligt zo’n 15% lager dan het gemiddelde over de periode 2011-2018, exclusief 2013.

Ook in bovenstaande grafiek is te zien dat het aantal kilowattuur dat we verbruiken voor verwarming per graaddag daalt. De meest heldere maand om dat te gaan zien wordt januari, lager dan 2,5 kWh/graaddag hebben we nog nooit gehaald.

Energieverbruik verwarming omgerekend naar standaardjaar

Bovenstaande grafiek is wat lastiger te begrijpen. De blauwe lijn geeft weer hoeveel kilowattuur gas of elektriciteit we in een standaardjaar zouden verbruiken op basis van het gemiddelde verbruik van de afgelopen 12 maanden. We houden sinds januari 2011 het energieverbruik bij, dus de eerste maand waarvoor dat te berekenen is is december 2012. De rode lijn geeft het gemiddelde energieverbruik voor een standaardjaar aan sinds we in ons huis wonen. Dit ligt hoger, want het effect van 2013 ijlt hierin nog steeds na. De twee rechte horizontale lijnen geven het verwachte energieverbruik in een standaardjaar aan op basis van het Vesteda model van CE Delft. Waarbij de verbruiken gecorrigeerd zijn voor ons eigen gasverbruik en voor de besparing waar Vesteda mee rekent voor infraroodverwarming t.o.v. hr-ketels. De rode geeft aan hoe hoog het verbruik naar verwachting is op basis van ons langjarig gemiddelde gasverbruik in een standaardjaar. De groene lijn gaat uit van het ons langjarig gemiddelde energieverbruik voor verwarming, gecorrigeerd met 24% energiebesparing waar CE’s Vesteda model vanuit gaat. Tot slot laat de gele lijn zien waar ik op verwacht uit te komen uitgaande van de gemiddelde besparing. Dat is ongeveer 3.000 kWh. Het verwachte elektriciteitsverbruik lijkt wel lager te liggen dan de 35% energiebesparing waar ik bij de installatie van de panelen rekening mee hield op basis van gegevens van Gerard de Leede

Het elektriciteitsverbruik is wel een stuk hoger dan de eerste inschatting die ik in 2015 maakte, maar 25 kWh/m2 is wel in lijn met het energieverbruik per vierkant meter van de infraroodwoning waar ik toen aan heb gerekend. Ons energieverbruik in kWh/m2 ligt inmiddels ook lager dan in eerdere jaren, zoals in bovenstaande grafiek te zien is.

Verwarmingskosten

Eerder dit jaar schreef ik dat de verwarmingkosten nog niet stegen. Inmiddels kan ik die woorden inslikken, want de verwarmingskosten stijgen wel degelijk. Als ik de verbruiken van de verschillende jaren omreken naar de te tarieven van 2019 dan is infraroodverwarming duurder dan verwarmen met de hr-ketel. Op basis van het verwachte elektriciteitsverbruik gaat het om Euro 246 per jaar. Daar staat tegenover dat we de gasaansluiting straks de deur uit kunnen doen, wat ons per jaar Euro 172 aansluitkosten aan Stedin en Euro 54 vaste leveringskosten aan Greenchoice scheelt. Waarmee infraroodverwarming Euro 20 per jaar duurder is bij de huidige tarieven. Dit verschil wordt kleiner als de energiebelasting op aardgas de komende jaren oploopt. Naar verwachting wordt

CO2 effect

In januari tot en met november 2018 verbruikte we bijna 4.700 kWh aan gas voor verwarming, dat is omgerekend zo’n 780 m2 aardgas. Goed voor een CO2 uitstoot van 0,9 ton CO2. In dezelfde periode in 2019 hebben we 2.200 kWh aan gas verbruikt voor verwarming, zo’n 226 m3 aardgas, en 1342 kWh aan elektriciteit. We nemen stroom af van Greenchoice, dat betekent dat we mogen rekenen met het stroometiket van het product dat we afnemen. Het betreft een mix van biogas en windenergie. Wanneer ik daar mee reken bedraagt de CO2 uitstoot 0,53 ton CO2, een daling met 41%.

Als ik de CO2 uitstoot via het netgemiddelde (413 gram CO2/kWh voor stroommix onbekend) bereken bedraagt dez 1 ton CO2, 10% hoger dan in dezelfde periode vorig jaar. De stroommix gaat de komende jaren groener worden, wat betekent dat dit een tijdelijke stijging is. Zelf werk ik ook mee aan de uitbreiding van die capaciteit. Zowel via de energiecoöperatie waar ik in het bestuur zit, als dat ik overweeg om extra zonnepanelen bij te plaatsen op de noordwest-zijde van ons huis of op de dak van onze schuur.

Closing Time – Babes in Toyland

Uit de tijd dat de kleine zaal van NightTown in Rotterdam vuige bandjes programmeerde en ik daar op de bonnefooi heen ging. Babes in Toyland met Bruise Violet. Ruige vrouwenrock, een bassiste die de hele avond achter haar haren verborgen zat en drie kwartier raggen op bas, gitaar en drum. Mijn liefde voor gitaarherrie was geboren.

Dit was mijn eerste bijdrage voor de onvolprezen serie Closing Time van Sargasso.

De haperende Europese auto-industrie

De Europese auto-industrie zit in behoorlijk zwaar weer. Na de aankondiging van de fusie tussen PSA (moederbedrijf Peugeot en Citroën) en Fiat-Chrysler, het nieuws dat Daimler (moederbedrijf Mercedes) meer dan een miljard wil bezuinigingen, en problemen bij toeleveranciers in Nederland volgde deze week het nieuws dat ook Tata Steel ingrijpt vanwege de tegenvallende resultaten in de Europese automotive sector. China is inmiddels bezig met het scheiden van het kaf van het koren in zijn automotive sector, wat niets afdoet aan de opkomende concurrentie van Chinese fabrikanten als Polestar en BYD, en vanuit de VS bouwt Tesla stevig door aan uitbreiding van de productiecapaciteit.

Problemen Europese autofabrikanten

De draai naar elektrische auto’s is door veel Europese autofabrikanten (te) laat ingezet. Volkswagen heeft wederom een ambitieus programma aangekondigd voor het introduceren van elektrische modellen. Dit keer zijn ook daadwerkelijk bezig met het realiseren van de doelstellingen. De eerste fabriek is omgebouwd en ook hebben ze een datum gegeven wanneer ze stoppen met de ontwikkeling van nieuwe brandstofmotoren. De plannen lijken daarmee af te wijken van de vorige, dit keer zet Volkswagen vol in op elektrische auto’s,het kan daarmee ook schade berokkenen aan concurrenten en de doorbraak van elektrisch rijden in de EU en VS versnellen.

De fusie tussen PSA en Fiat-Chrysler (FCA) lijkt volgens kenners niet uit kracht geboren. Beide bedrijven zijn op zoek naar schaalgrootte om de benodigde investeringen in R&D vol te houden en om de achterstand in de overstap naar elektrische auto’s in te lopen. Met name FCA loop achter op dat punt:

FCA moest ook vanwege de toegenomen vraag naar elektrische auto’s op zoek naar een partner. Het bedrijf loopt zelf hopeloos achter met de elektrificatie van het modellenaanbod. Fiat heeft nog geen elektrische auto in massaproductie. Groupe PSA heeft dat wel.

BMW heeft haar eigen problemen. In de VS is de BMW 3 serie na de Toyota Prius de meest ingeruilde auto voor een Tesla, volgens onderzoek van Bloomberg. BMW verkoopt nog steeds meer voertuigen in de VS dan Tesla, maar als rekening gehouden wordt met marktaandeel dan voert BMW volgens Bloomberg de lijst aan van meest kwetsbare fabrikanten.

Daimler, het moederbedrijf van Mercedes, en een van de twee vlaggenschepen als het gaat om onbeperkt scheuren op Duitse snelwegen heeft ondertussen haar eigen problemen. Daimler heeft plannen aangekondigd om tot 1,6 miljard Euro per jaar te besparen. Een deel van dat geld is waarschijnlijk bedoeld om een spaarpot op te bouwen om dreigende boetes van de EU te betalen. Door de toenemende populariteit van SUV’s lukt het Mercedes namelijk niet om de gemiddelde CO2 uitstoot van de verkochte voertuigen op het door de EU voorgeschreven doel te krijgen. Mercedes loopt, net als FCA en PSA, achter bij elektrificatie van zijn vloot en met de verkoop van waterstofauto’s wil het ook nog niet echt vlotten.

De CO2 doelstellingen van de EU spelen overigens ook andere Europese autofabrikanten parten. Kredietbeoordelaar Euler Hermes becijferde in mei dit jaar dat de boetes op zouden kunnen lopen tot 30 miljard Euro per jaar, op een jaarwinst van 80 miljard Euro. Een probleem dat ook de toeleverende industrie raakt. Dat de Europese autofabrikanten in zwaar weer zitten, begint nu ook effecten te hebben in de keten. Waren het eerst de toeleveranciers rond Eindhoven, inmiddels heeft ook Tata Steel bezuinigingsmaatregelen aangekondigd. Waarbij Tata verwijst naar de slechte marktomstandigheden, onder andere in de Europese autoindustrie.

Tesla

Tesla, waar ik vorig jaar een aantal keer aandacht aan heb besteed, zit nog steeds in een achtbaan. Al lijkt de boel wel te stabiliseren. De problemen bij het opschalen van de productie van de Model 3 in de Amerikaanse fabriek zijn inmiddels onder controle en Tesla levert een gestage stroom auto’s af. De Model 3 verkoopt zowel in de VS als in verschillende EU landen goed. In de VS stond de Model 3 in het derde kwartaal van 2019 in de top van best verkochte modellen en in de top 10 van modellen die de meest omzet genereren. Tesla domineert de Amerikaanse markt voor elektrische auto’s met een marktaandeel van 77%. De fabrikant domineert ook de markt voor luxe sedans en verkoopt er meer dan Mercedes C-klasse en BMW 3-serie samen. Tesla weet ook als een van de weinige merken de merkloyaliteit van mensen te doorbreken.

De Chinese fabriek, die vorig jaar werd aangekondigd, is inmiddels grotendeels gereed en operationeel. De eerste kleine series van Chinese Model 3 voertuigen is inmiddels in de buitenlucht gesignaleerd. Het is wachten op het opschalen van de productie in China. Tesla heeft in de VS bewezen dat te kunnen, dus de kans is groter dat het ook in China gaat lukken. Inmiddels heeft Tesla ook bekend gemaakt dat de vierde fabriek in de buurt van Berlijn, Duitsland, komt te staan. Daarmee vissen Nederland, Frankrijk en andere EU landen achter het net.

China

China heeft de financiële voordelen voor het aanschaffen van elektrische auto’s afgelopen jaar fors verlaagd, zonder de doelstelling voor het aandeel elektrische auto’s te verlagen. Door het wegvallen van de ruime vergoedingen zijn veel Chinese fabrikanten in de problemen gekomen. Vooral fabrikanten van technisch slechte producten. Tegelijkertijd biedt het vasthouden aan de doelstellingen ruimte voor autofabrikanten die wel kwaliteit leveren om marktaandeel te vergroten. Het gaat dan zowel om Chinese als buitenlandse fabrikanten. Tegelijkertijd zetten Chinese fabrikanten als BYD en Polestar onverminderd in op het vergroten van hun marktaandeel in het buitenland. De tijdelijke terugval in de Chinese verkopen van elektrische auto’s zijn dan ook niet iets om wakker van te liggen. Het is eerder het gevolg van een beproefde methode van industriepolitiek, die China eerder toepaste bij de productie van zonnepanelen. Ook in die sector zijn de subsidies een aantal keer fors verlaagd om de kostprijs verder omlaag te brengen en om zwakkere bedrijven van de markt te verdrijven.

Conclusie

In de EU lijken de CO2 normen voor autofabrikanten de komende jaren eindelijk te gaan bijten met dreigende boetes voor verschillende autofabrikanten. Al zou het beter zijn als ze deze voorkomen door hun inspanningen voor het verkopen van elektrische auto’s te vergroten, zodat de SUV afgevoerd kan worden uit de lijst van grootste oorzaken van de stijgende CO2 emissies. Voor de werkgelegenheid in de Europese auto-industrie is het te hopen dat meer autofabrikanten het pad van Volkswagen volgen en daarin succesvol zijn. Zo niet, dan is het een kwestie van tijd totdat met name Chinese autofabrikanten de Europese markt overnemen.

Dit bericht is geschreven voor en gepubliceerd op Sargasso.