Tag: E.On

  • Duurzame energie en de stijgende energierekening

    Sinds begin oktober is er een discussie gaande over de stijgende kosten van energie als gevolg van de ambities om meer duurzame energie op te wekken. Volgens sommige energiebedrijven is er een extra energieheffing nodig om buffercapaciteit aan te leggen. Volgens weer anderen, zoals Rene Leegte van de VVD, is Duitsland het voorbeeld van een land waar de kosten van de energietransitie de pan uit reizen. Tijd om de eigen elektriciteitsrekening er bij te pakken en de Duitse en het Nederlandse systeem in prijs te vergelijken.

    De kosten van buffercapaciteit

    Volgens GDF Suez en E.ON is een extra energieheffing nodig om buffercapaciteit aan te leggen. Deze buffercapaciteit moet voorkomen dat het licht uit gaat als het aandeel duurzame elektriciteit in Nederland stijgt. Dat de regelkosten voor fossiele centrales behoorlijk volgens sommige energiebedrijven behoorlijk kunnen zijn laat Hans Labohm zien. Hij schrijft op basis van gegevens van Rob Walter dat deze regelkosten ongeveer 4 Eurocent per kWh bedragen voor windenergie en iets minder voor zonne-energie.

    Inmiddels heeft Eneco via haar website weten geen aanleiding te zien voor een extra energieheffing ten bate van fossiele energie. Dat laat meteen zien hoe dit soort zaken opgelost kan worden sinds het opheffen van de Samenwerkende Energieproducenten: via marktwerking. Dit is nou typisch zo’n geval waarin dat werkt.

    GDF Suez en E.ON wensen blijkbaar een hogere prijs te berekenen aan hun klanten i.v.m. benodigde back-up capaciteit. Eneco stelt dat dit niet nodig is en denkt dat de prijs gelijk kan blijven. Effect: klanten stappen over naar Eneco, of naar andere energieproducenten die een lagere vergoeding vragen voor het dragen van programmaverantwoordelijkheid. In een markt waarbij de NMA de consument vooral aanzweept om op de prijs te letten is het dan exit GDF Suez en E.ON.

    Bovenstaande neemt overigens niet weg dat ik volledig bereid ben om een energiebedrijf te betalen voor programmaverantwoordelijkheid.

    Onze elektriciteitsrekening

    Het variabele deel van onze elektriciteitsrekening bestaat uit 3 delen:

    1. leveringstarief elektriciteit
    2. energiebelasting
    3. BTW

    Elektriciteitskosten

    Uitgaand van ons verwachte elektriciteitsverbruik voor 2013 gaan we zo’n € 280 aan elektriciteit betalen (inclusief BTW).

    Prijs ex btw BTW Prijs incl btw Jaarverbruik Kosten
    Laagtarief  € 0,055 21%  € 0,0666 1.600  € 106,48
    Hoogtarief  € 0,075 21%  € 0,0908 1.900  € 172,43
    Elektriciteitskosten 3.500  € 278,91

    Energiebelasting vs. feedin opslag

    In het eerste deel staan de kosten van elektriciteitslevering. Die blijven gelijk, ongeacht de keuze voor energiebelasitng of feedin dat je hanteert voor de financiering van duurzame energie. Het verschil tussen beide systemen ontstaat zodra je gaat kijken naar de energiebelasting en de feedin opslag. De berekening zie je in de tabel hieronder.

    Energiebelasting Feedin opslag
    ex BTW € 0,11400 € 0,05277
    BTW 21% 21%
    incl. BTW € 0,13794 € 0,06385
    Jaarverbruik 3.500 3.500
    Totaal belasting € 483 € 223
    Totaal elektriciteit € 279 € 279
    Totaal variabel € 762 € 502
    Verschil met EB € – € 259
    Besparing tov EB 0% 34%
    Belastingdruk 173% 80%

    Zoals je ziet levert het Duitse feedin systeem een besparing op de elektriciteitsrekening op van € 259. Dat is dik 30% minder en fors meer duurzame energie dan in Nederland. De stijgende energierekening voor particulieren in Nederland ligt dus veel minder aan het succes van het duurzame energie beleid in Nederland, dan aan het ophogen van de energiebelasting door de overheid.

    De belastingdruk op elektriciteit in Nederland voor particulieren is dan ook dik 170%. Oftewel voor iedere Euro aan elektriciteit die je koopt betaal je € 1,70 aan energiebelasting. In Duitsland betaal je na verhoging van de feedin opslag nog steeds slechts € 0,80 aan feedin opslag voor iedere Euro aan elektriciteit.

    Doe mij dus maar de Duitse insteek: meer resultaat tegen 1/3 minder kosten. Maar ja, marktwerking tussen nationale overheden vergt dat je multinational of grootverbruiker bent…

    PS de berekeningen vind je hier.

  • Waarom ik niet naar het 1ste FD energiedebat ga

    Op 28 september organiseert het FD samen E.On het eerste FD Energiedebat. Daarin staat de rol van de energie-intensieve industrie centraal. Met als centrale stelling: Hoe kun je grootverbruikers verduurzamen met behoud van hun concurrentiepositie? Op zich een interessant thema, waar ik me in mijn vorige baan veelvuldig mee heb beziggehouden.

    Op BNR wordt al weken, zo niet maanden, reclame gemaakt voor het debat met een schreeuwerig reclamespotje. De cliffhanger van het spotje luidt ongeveer:

    Kunnen we wachten tot de industrie haar productieproces heeft verduurzaamt? Of kiezen we een radicalere optie? Een industrie op kernenergie?

    In zoveel ongeïnformeerdheid heb ik geen behoefte. Verduurzaming van de industrie lijkt in het spotje puur te draaien om het overschakelen van de industrie op duurzame energie, terwijl bij verduurzamen nog wel wat meer zaken komen kijken. Zelfs als je enkel naar de planet kant kijkt… Daarnaast heeft de Nederlandse industrie de afgelopen decennia grote stappen gemaakt als het gaat om het terugdringen van milieu-onvriendelijke emissies naar bodem, water en atmosfeer. De kreet wachten tot de industrie haar productieprocessen verduurzaamd doet geen recht aan die resultaten. In de Kamerbrief ‘Milieubeleid industrie na afronding milieuconvenanten‘ schreef VROM hier in 2010 over:

    In de jaren »90 heeft het Rijk met elf bedrijfstakken en het IPO en de VNG milieuconvenanten afgesloten met ambitieuze doelen om de industriële milieubelasting per 2010 te decimeren ten opzichte van 1985. Deze doelen zijn grotendeels gehaald en de milieuconvenanten zijn dan ook succesvol geweest. Zo zijn voor 18 van 31 prioritaire stoffen de convenantsdoelen voor de luchtemissies voor 2010 gehaald, met reducties van 80–90% ten opzichte van 1985. Ook de emissies naar het oppervlaktewater zijn sterk verminderd, wat heeft bijgedragen aan een veel betere waterkwaliteit. Alleen bij specifieke bronnen is op grond van de Kaderrichtlijn Water nog een verdere reductie van PAK’s3 en zware metalen nodig. De externe veiligheid van de industrie is goed geregeld, het industrielawaai is  beperkt, het aanbod van industrieel afval is teruggedrongen, het industrieel grondwatergebruik is verminderd en er is aandacht voor bodemsanering en bodembescherming en milieuzorg.

    De energiesector heeft ook aan bijgedragen aan het verminderen van de vervuilende emissies. Wat veel moeilijker blijkt is het halen van de doelstellingen voor het omschakelen naar hernieuwbare en duurzame energie door de energiesector. Dat was een uitdaging toen de energiebedrijven nog in handen van gemeenten en provincies waren, en dat is het nog steeds. De laatste schatting van het PBL die ik een paar weken geleden langs zag komen sprak van 12% in 2020 (iets onder de Europese doelstelling voor Nederland van 14%). Een energie-intensieve industrie op kernenergie is niet radicaal, dat is een oude koe uit de sloot trekken. Een die onze voorouders voor ogen stond nog voordat ze aardgas vonden.

    Een radicale en eigentijdse optie is in mijn ogen een energie-intensieve industrie op duurzame energie. Zoals bijvoorbeeld het Duurzaam Arrangement AkzoNobel en Nyrstar (DAAN) beoogt. Of de voorstellen voor vergroening van de basislast en grootverbruik. Voor de lezer die wel gaat: breng het gerust in en hou scherp wat er bedoeld wordt met duurzaam. Gaat dat enkel om de energievoorziening voor de energie-intensieve industrie, of gaat het om het duurzaam maken van de productieprocessen van de energie-intensieve industrie? In het eerste geval is de vraag namelijk of we wel kunnen wachten tot de energiebedrijven dat voor elkaar hebben.