CO2-heffing: ’Industrie is kleuter die tegenstribbelt’

De industrie schreeuwt moord en brand omdat het kabinet een CO2-heffing invoert. Gaat dit banen kosten in de staalindustrie en bij andere vervuilende bedrijven? Klimaateconoom Reyer Gerlagh ontkent de risico’s niet, maar is toch voorstander. De Tilburgse hoogleraar klimaateconomie was mede-initiatiefnemer van een open brief van 71 economen die pleitten voor een CO2-heffing. In een interview met De Telegraaf stelt Gerlagh:

We kunnen wel op elkaar blijven wachten, dan komen we helemaal nergens.

(…)

Er wordt van twee walletjes gegeten. De prijs moet laag zijn én ze moeten een hoge compensatie krijgen. Met zo’n hoge compensatie kun je je juíst een hoge prijs veroorloven zonder dat je failliet hoeft te gaan. De energie-intensieve industrie gedraagt zich heel behoudend, hakken in het zand. Terwijl je je de vraag moet stellen: waar wil je staan over 20 jaar? Maar de industrie richt zich te veel op het tegenhouden van verandering. De industrie is als een tegenstribbelende kleuter.

Met compenserende maatregelen kun je volgens Gerlagh voor een belangrijk deel voorkomen dat bedrijven naar het buitenland verdwijnen. Een ander doel waar een CO2 heffing bij helpt is technologische veranderingen, dat blijkt uit empirisch onderzoek. Als er een prijs is voor CO2 ontwikkelen bedrijven patenten voor zuiniger productieprocessen. Precies de innovaties die nodig zijn voor een CO2 arme economie.

Gerlach stelt dat bedrijven die hun ingenieurs opdracht geven om slimme manieren te bedenken om minder CO2 uit te stoten uiteindelijk minder CO2-heffing betalen en subsidies ontvangen. Bedrijven die dat niet doen en het allemaal maar gedoe vinden, betalen de heffing en doen verder niks. Dan zijn bedrijven die investeren beter af. Die bedrijven blijven bestaan, bedrijven die niets doen gaan failliet.

Gerlach geeft in het interview ook aan dat de energieprijs voor de industrie in Nederland laag is. Als we die lage energieprijs zouden houden en die CO2-heffing er bovenop zetten, komt Nederland misschien op het niveau van gewone energieprijzen. Op papier is Nederland dan het enige land met een CO2-prijs, in de realiteit is de Nederlandse lastendruk dan vergelijkbaar met andere landen. Waarmee niet gezegd is dat het geen spannend experiment is, op deze specifieke manier is het volgens Gerlach nog niet eerder gedaan door andere landen.

Dit bericht is geschreven voor en gepubliceerd op Sargasso.

Groene stroom voor de industrie

In de commentaren op Sargasso (waar ik voor blog) is het een veel gebezigd argument: duurzame energie kan de industrie niet van betaalbare stroom voorzien. In Australië denken ze daar inmiddels anders over. De van oorsprong Engelse staal miljardair Gupta werkt daar gestaag aan zijn plannen om 10 GW aan zonne-energie te realiseren, waarmee hij onder andere zijn eigen staalfabrieken van stroom wil voorzien.

Gisteren maakte Gupta en de Zuid-Australische Kamer voor Mijnbouw en Energie (SACOME) een langjarige overeenkomst bekend om groene stroom te leveren aan vijf bedrijven. De verwachte besparing voor deze bedrijven ten opzichte van hun huidige energieprijs bedraagt 20 tot 50%. Deze kostenbesparing wordt bereikt door de nieuwe zonne-energie projecten te combineren met energieopslag en waterkracht. Onder de afnemers zit onder andere een kopermijn. De overeenkomst volgt op eerdere overeenkomsten die Gupta sloot, waaronder een overeenkomst om zonnestroom te leveren aan een staalfabriek in Victoria.

Kortom: het verhaal dat duurzame energie de basisindustrie niet van stroom kan voorzien kan in kolenminnend Australië naar de prullenbak. Nu nog in andere landen.

Dit bericht is eerder gepubliceerd op Sargasso.

Waarom ik niet naar het 1ste FD energiedebat ga

Op 28 september organiseert het FD samen E.On het eerste FD Energiedebat. Daarin staat de rol van de energie-intensieve industrie centraal. Met als centrale stelling: Hoe kun je grootverbruikers verduurzamen met behoud van hun concurrentiepositie? Op zich een interessant thema, waar ik me in mijn vorige baan veelvuldig mee heb beziggehouden.

Op BNR wordt al weken, zo niet maanden, reclame gemaakt voor het debat met een schreeuwerig reclamespotje. De cliffhanger van het spotje luidt ongeveer:

Kunnen we wachten tot de industrie haar productieproces heeft verduurzaamt? Of kiezen we een radicalere optie? Een industrie op kernenergie?

In zoveel ongeïnformeerdheid heb ik geen behoefte. Verduurzaming van de industrie lijkt in het spotje puur te draaien om het overschakelen van de industrie op duurzame energie, terwijl bij verduurzamen nog wel wat meer zaken komen kijken. Zelfs als je enkel naar de planet kant kijkt… Daarnaast heeft de Nederlandse industrie de afgelopen decennia grote stappen gemaakt als het gaat om het terugdringen van milieu-onvriendelijke emissies naar bodem, water en atmosfeer. De kreet wachten tot de industrie haar productieprocessen verduurzaamd doet geen recht aan die resultaten. In de Kamerbrief ‘Milieubeleid industrie na afronding milieuconvenanten‘ schreef VROM hier in 2010 over:

In de jaren »90 heeft het Rijk met elf bedrijfstakken en het IPO en de VNG milieuconvenanten afgesloten met ambitieuze doelen om de industriële milieubelasting per 2010 te decimeren ten opzichte van 1985. Deze doelen zijn grotendeels gehaald en de milieuconvenanten zijn dan ook succesvol geweest. Zo zijn voor 18 van 31 prioritaire stoffen de convenantsdoelen voor de luchtemissies voor 2010 gehaald, met reducties van 80–90% ten opzichte van 1985. Ook de emissies naar het oppervlaktewater zijn sterk verminderd, wat heeft bijgedragen aan een veel betere waterkwaliteit. Alleen bij specifieke bronnen is op grond van de Kaderrichtlijn Water nog een verdere reductie van PAK’s3 en zware metalen nodig. De externe veiligheid van de industrie is goed geregeld, het industrielawaai is  beperkt, het aanbod van industrieel afval is teruggedrongen, het industrieel grondwatergebruik is verminderd en er is aandacht voor bodemsanering en bodembescherming en milieuzorg.

De energiesector heeft ook aan bijgedragen aan het verminderen van de vervuilende emissies. Wat veel moeilijker blijkt is het halen van de doelstellingen voor het omschakelen naar hernieuwbare en duurzame energie door de energiesector. Dat was een uitdaging toen de energiebedrijven nog in handen van gemeenten en provincies waren, en dat is het nog steeds. De laatste schatting van het PBL die ik een paar weken geleden langs zag komen sprak van 12% in 2020 (iets onder de Europese doelstelling voor Nederland van 14%). Een energie-intensieve industrie op kernenergie is niet radicaal, dat is een oude koe uit de sloot trekken. Een die onze voorouders voor ogen stond nog voordat ze aardgas vonden.

Een radicale en eigentijdse optie is in mijn ogen een energie-intensieve industrie op duurzame energie. Zoals bijvoorbeeld het Duurzaam Arrangement AkzoNobel en Nyrstar (DAAN) beoogt. Of de voorstellen voor vergroening van de basislast en grootverbruik. Voor de lezer die wel gaat: breng het gerust in en hou scherp wat er bedoeld wordt met duurzaam. Gaat dat enkel om de energievoorziening voor de energie-intensieve industrie, of gaat het om het duurzaam maken van de productieprocessen van de energie-intensieve industrie? In het eerste geval is de vraag namelijk of we wel kunnen wachten tot de energiebedrijven dat voor elkaar hebben.

Leesvoer: TNO rapporten Future of Industry

TNO developed a methodology to identify sector specific opportunities by examining bottlenecks and drivers for sustainable innovation. Their research results are presented in 4 reports: