Tag: Tweede Kamer

  • Ruimtelijke ordeningsverkiezingen 2023

    De afgelopen 13 jaar was visie de olifant die het zicht belemmerde. Waar het eerste kabinet Rutte zo’n 10 jaar geleden verklaarde dat Nederland af is kondigde het laatste Kabinet Rutte de ‘grootste verbouwing van Nederland’ aan. Hoewel veel mensen dan denken aan het energiesysteem, gaat de verbouwing op veel meer terreinen spelen en veel meer aspecten van de leefomgeving raken. Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) publiceerde vier scenario’s voor de inrichting van Nederland in 2050.

    In deze vier scenario’s schetst het PBL wat de effecten zijn van verschillende keuzes voor de inrichting van Nederland. Het PBL heeft een scenario ontwikkeld waarin grote bedrijven de lead hebben, een scenario met nog verdere digitalisering waardoor afstanden verdwijnen, een scenario met veel ruimte voor de natuur en een scenario waarin burgers het initiatief nemen in hun eigen leefomgeving. De uitkomsten van de scenario’s laten zien dat er wat te kiezen valt en laat dat nou net zijn wat in november 2023 mag doen: kiezen.

    Het belang van visie

    Investeringen die nu gedaan worden in nieuwe woonwijken, (energie)infrastructuur of waterhuishouding gaan zeker 50 jaar mee. Het is daarom van belang om vooruit te kijken naar het land waar we over 30 tot 50 jaar in willen wonen. Hoe ziet het er uit? Hoe en waar verdienen we er ons brood? Hoe en waar wonen we? Hoe ziet onze energievoorziening er uit? Waar bufferen we water voor droge tijden? Hoe ziet onze zorg er uit? Hoe verplaatsen we ons binnen de stad, maar misschien juist wel in de gebieden buiten de stad? Zetten we landelijk nog steeds in op de auto, terwijl steden die stapsgewijs weg lijken te plaatsen?

    En controversiëler wie verdienen hier hun brood? Als een kabinet al valt over een paar duizend gezinsherenigers, waarom zijn de honderdduizenden arbeidsmigranten dan geen onderwerp van discussie? Of is dat de onbenoemde olifant in de kamer? Hoe zorgen we voor voldoende arbeidskrachten voor onze economie? Willen we dat arbeidsmigranten weer terugkeren na gedane arbeid i.p.v. hier te blijven en zo ja, hoe zorgen we daar dan voor? Blijven we inzetten op arbeidsintensieve sectoren met lage lonen (bv. distributiehallen en kassen vol arbeidsmigranten die druk leggen op de woningmarkt en op schaarse ruimte)? Gaan we verplegend personeel uit het buitenland halen voor onze ouderenzorg of gaan we mee in het VVD verhaal dat de ouderenzorg digitaal wordt? Blijven we inzetten op meer werken en meer mantelzorg leveren i.p.v. op kwaliteit van leven?

    Ook wat controversiëler: Hoe ziet de landbouw er uit? Welke plek is er nog voor de intensieve, niet grondgebonden veeteelt? Hoe gaan we bodemdaling en de methaan en CO2 uitstoot van onze veenweidegebieden aanpakken? Maken we bodem en water sturend en gaan we weer CO2 vastleggen in onze veenweidegebieden? En wat betekent dat voor het verdienmodel van de boeren in deze gebieden en voor bv de energietransitie in het Groene Hart (pdf)?

    En hoe gaan we alle veranderingen organiseren. Is het initiatief aan het grote bedrijfsleven, is het aan inwoners, neemt de overheid weer de lead?

    Wie het antwoord weet mag het zeggen. Dat het komende kabinet de komende jaren op deze punten voor belangrijke keuzes staat is zeker. Want nationale ruimtelijke ordening is dan wel terug, maar de nationale keuzes zijn nog lang niet allemaal gemaakt.

    Dit bericht is eerder gepubliceerd op Sargasso.

  • Energieverkiezingen 2023

    De komende jaren zijn er tal van belangrijke onderwerpen waar de komende jaren belangrijke keuzes gemaakt moeten worden. Keuzes die vragen om visie. Vandaag de energieverkiezingen van 2023. Want de bij elkaar gefabuleerde migratiecrisis, is een doorzichtige poging tot machtsbehoud en focussen op het spel i.p.v. de knikkers.

    Concept plannen energie

    De afgelopen weken zijn belangrijke conceptplannen gepubliceerd voor iedereen die wat vindt van windturbines, zonnevelden, kerncentrales, hoogspanningsleidingen, waterstof en andere energiegerelateerde zaken. Te weten het concept Nationaal plan energiesysteem 2050, het Ontwerp-programma Energiehoofdstructuur, de zonnebrief van Jetten, het Nationaal programma verduurzaming industrie en de Routekaart verduurzaming industrie. Taaie kost, maar wel van stevige invloed op de economische en ruimtelijke structuur van Nederland de komende decennia. Daarmee kunnen deze verkiezingen wel eens de energieverkiezingen worden. Gezocht: partijen met visie en lef om keuzes te maken.

    Ontwerp-programma Energiehoofdstructuur

    Het Programma Energiehoofdstructuur (PEH) laat zien welke nieuwe nationale energie-infrastructuur nodig is richting 2050 en waar deze geplaatst kan worden. Hiermee kan het Rijk eerder afspraken maken over ruimte met gemeenten, provincies, havenbedrijven en netbeheerders. Ook geeft het PEH nationale kaders om zorgvuldig om te gaan met de ruimte en met respect voor de natuur, cultureel erfgoed, en leefbaarheid. Daarmee draagt het PEH bij aan het doel van een klimaatneutraal energiesysteem in 2050.

    Het ontwerp-PEH geeft een eerste beeld van de energiehoofdstructuur die nodig is voor het energiesysteem van de toekomst en de sturingsinstrumenten om hier te komen. De energiewereld en ruimtelijke ordening zijn hierin dichter bij elkaar gebracht.

    De ruimtelijke strategie die het Rijk voert via het PEH bestaat uit vijf peilers. De afwegingen waar welke functie het beste past kunnen per landschap en daarmee per regio verschillen. Op de eerste plaats wordt uitgegaan van hergebruik van fossiele ruimte voor energiehoofdstructuur. Dit is het meest efficiënt. Het gaat daarbij om hergebruik van bestaande leidingen en buisleidingstraten (bijvoorbeeld waterstof als vervanging van aardgas) alsook om het behoud van locaties van bestaande nationale energiecentrales voor toekomstige centrales. Voor kernenergie blijven enkel de locaties Borssele en Maasvlakte over. De locatie Eemshaven wordt geschrapt (bedankt VVD).

    Een tweede uitgangspunt is voorsorteren op elektrificatie. Op basis van scenario’s rekent het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat er op dat er op veel meer plekken elektriciteit wordt geproduceerd en gebruikt. Als reactie hierop komt er een diepe aanlanding van wind op zee. Hogere taalkunde voor een gelijkspanningskabel vanaf de kust naar Chemelot in Limburg.

    De derde peiler is ruimtelijke regie op opslag en conversie als nieuwe onderdelen in het energiesysteem. Voor grootschalige conversie en opslag van energie bestond tot nu toe geen ruimtelijk beleid. Hoewel de ontwikkeling van elektrolyse zich nog in een beginstadium bevindt, is het belangrijk om nu al rekening te houden met stevige groei. Ook omdat de Tweede Kamer een hoog ambitieniveau heeft vastgelegd. Electrolyse vraagt ruimte, aansluiting op het elektriciteitsnetwerk, aansluiting op het buisleidingennetwerk en water.

    In het energiesysteem van de toekomst zullen batterijen in toenemende mate een belangrijke rol spelen voor het opvangen van korte-termijn onbalans in vraag en aanbod van elektriciteit. Deze vergen ook ruimte (fysiek en op het elektriciteitsnetwerk).

    De vierde en vijfde peiler zijn de duizenddingendoekjes van het moderne beleid: de integrale afweging in de leefomgeving en de lerende aanpak.

    Na vaststelling van het PEH start een juridisch traject waarin onderdelen uit het PEH worden vertaald naar het Besluit Kwaliteit Leefomgeving en de Energiewet. Daarnaast wordt de interbestuurlijke handhaving en monitoring voor het behoud
    van ruimte voor energiehoofdstructuur aangescherpt. Of het PEH nog vastgesteld gaat worden nu het Kabinet demissionair is, is een goede vraag.

    Nationaal plan energiesysteem 2050

    Een tweede belangrijk document dat op 3 juli naar de Tweede Kamer is gestuurd en dat tot en met 1 oktober ter inzage en consultatie ligt is het Nationaal plan energiesysteem 2050 (NPE). Het doel om in 2050 klimaatneutraal te zijn heeft grote gevolgen voor het toekomstige energiesysteem. Het NPE kijkt met een integrale blik en vanuit klimaatneutraliteit in 2050 naar het energiesysteem. Door de ontwikkelpaden van energieketens en vraagsectoren in kaart te brengen, wordt helder waar deze niet op elkaar aansluiten. Hier zijn dus keuzes nodig.

    Op basis van gesprekken met experts, een Energieraadpleging en diverse bijeenkomsten concludeert de Minister dat we een duurzaam en rechtvaardig energiesysteem willen. Het concept Nationaal plan energiesysteem 2050 bevat 5 richtinggevende keuzes:

    1. Maximaal aanbod: ontwikkeling van maximaal aanbod en infrastructuur van elektriciteit, waterstof, duurzame koolstofdragers en warmte.
    2. Energiebesparing: energiebesparing is onmisbaar bij schaarste aan energie en infrastructuur.
    3. Verdelen bij schaarste: verdeling en inzet van energie en energie-infrastructuur vanuit een systeemperspectief.
    4. Internationale samenwerking: Nederland als belangrijke energiehub voor de EU.
    5. Samen sturen: met burgers en bedrijven, met ruimte voor participatie en perspectief.

    Maximaal aanbod

    De sturende keuze ‘maximale inzet op aanbod van energie’ is een belangrijke. Het concept-NPE bevat een tamelijk ambitieus te noemen groeiscenario voor het aanbod van elektriciteit, onder het motto: afschalen is makkelijker dan opschalen. Het concept Nationaal plan energiesysteem zet maximaal in op een groei van de elektriciteitsproductie van zo’n 122 TWh in 2022 naar zo’n 600 TWh in 2050. Een groei die nodig is om de toenemende vraag naar elektriciteit aan te kunnen, waarbij het uitgangspunt lijkt: we blijven alles doen wat we nu doen.

    Met een beetje rekenen en meten op basis van de tabel op bladzijde 26 van het NPE kom ik grofweg tot de volgende hoeveelheden. Kleine zonnedaken zijn meegerekend bij wind en zon op land (al mag dat niet volgens de huidige systematiek van de regionale energiestrategieën, wat ik stom vind). Bij de bron waterstof gaat het om energiecentrales die elektriciteit maken met behulp van waterstof. Alle getallen zijn in TWh, dat staat gelijk aan 1.000.000 kWh. Voor de productie van 1 TWh zijn volgens het Nationaal Programma Regionale Energiestrategieën zo’n 54 windturbines van 5 MW of 1.000 ha zonnepanelen benodigd (op dak, water of veld). Een kerncentrale van 1 GW produceert zo’n 7,4 TWh, uitgaande van 85% beschikbaarheid op jaarbasis (gemiddelde van Belgische kerncentrales van 2000-2021).

    Npe Elektriciteitsproductie 1024x273 1

    Een andere belangrijke vraag is waar de elektriciteit voor gebruikt wordt. Daarbij zijn er twee hoofdcategorieën te onderscheiden: elektriciteit die ingezet wordt als eindgebruik (bv voor verlichting in je huis) en elektriciteit die ingezet wordt in andere ketens (bv voor de productie van waterstof) of elektriciteit die verloren gaat (bv door omzettingsverliezen). Onderstaande tabel laat zien om wellke hoeveelheden het gaat volgens het NPE.

    Npe2050 Elektriciteitsvraag 1024x345 1

    Wat opvalt is de sterke stijging bij transport (is nationaal en internationaal samen, omdat de grafiek slecht leesbaar is), de stijging bij de industrie en vooral de forse stijging van de inzet van elektriciteit bij de productie van waterstof, koolstofdragers en warmtelevering. In totaal is de verwachte vraag naar elektriciteit in 2050 568 TWh. Dat lijkt een groot verschil, maar betekent dat de minister inzet op 6% meer productie dan de verwachte vraag.

    Een beetje extra productie t.o.v. de vraag is geen overbodige luxe, want De Groene Amsterdammer heeft een aantal weken geleden berekend dat alleen al de chemie en raffinaderijen 350 TWh nodig heeft. Daarmee wordt dan rond 2050 brandstoffen geproduceerd voor Afrika en andere landen met minder strenge milieuregels (als de oliebedrijven voor elkaar krijgen wat de kolenindustrie niet lukt).

    Wanneer ik de cijfers uit de Groene vergelijk met de cijfers uit het NPE zou het volledige stroomgebruik van industrie en van de inzet voor waterstof, koolstofdragers en warmtelevering enkel voor chemie en raffinaderijen bestemd zijn. Wat niet waarschijnlijk lijkt, want er zijn meer sectoren. Volledige verduurzaming van de bestaande industrie zou de vraag naar elektriciteit dus nog wel eens verder kunnen verhogen.

    Een van de redenen dat bijvoorbeeld Natuur&Milieu zich op basis van een CE rapport afvraagt of energie-intensieve basisindustrie nog een plaats heeft in Nederland.

    Vragen om visie en keuze

    De vragen waar ik van politieke partijen graag een antwoord op zou zien is:

    Het tijdperk van goedkope beschikbare energie als comparatief voordeel voor het aantrekken van energie-intensieve bedrijven is met het afbouwen van de gaswinning in Groningen voorbij voor Nederland. Wat niet wil zeggen dat energie voor alle gebruikers duurder wordt.

    Het vraagt wel antwoord op de vraag: Welke bedrijfstakken willen we voor Nederland behouden? Zijn er (deel)sectoren die beter herplaatsbaar zijn binnen de EU, naar delen met een comparatief voordeel in tijden van goedkope energie van wind, zon en water?

    Als we wel actief een sector ondersteunen om deze te behouden, hoeveel elektriciteit en ruimte vergen die dan? Hoe en waar gaan we de elektriciteit opwekken? Geen gratis lunch meer: alles houden, dan ook zelf de zaaltjes in om uit te leggen dat er extra windturbines / zonneparken / energieopslag / kerncentrales / waterstofcentrales* etc. nodig zijn?

    Hoeveel extra windturbines/zonnevelden/waterstofcentrales/kerncentrales* gaat uw partij realiseren voor verkoop van fossiele brandstoffen in andere landen, of zetten we in op meer duurzame elektriciteitsproductie in die landen en elektrificatie van het vervoer daar. Op die manier verplaatsen we de overlast van windturbines en zonnevelden en verlagen we de CO2 uitstoot wereldwijd. Of accepteren we zo’n 42 GW aan extra kerncentrales om Afrika te voorzien van fossiele brandstoffen?

    Maar ook andersom geen gratis lunch: Als uw partij geen windturbines / zonneparken / energieopslag / kerncentrales / waterstofcentrales* wil, welke economische sector gaat dan krimpen?

    Als uw partij geen warmtenet of wijkaanpakken voor aardgasvrij wil hoe gaat u dan de extra benodigde stroom voor aardgasvrij verwarmen opwekken?

    Hoe denkt uw partij over de nieuwe milieunormen voor windparken en over de nieuwe zonneregels? Passen deze opvattingen bij uw opvatting over het tempo van opschaling van uw variant van het NPE en past uw variant van het NPE in het bredere klimaatbeleid?

    * doorhalen wat van toepassing is

    Dit bericht is eerder gepubliceerd op Sargasso.

  • Professor maakt gehakt van argumentatie tegen verbod varend ontgassen

    Eerder schreef ik over het onderzoeksrapport ‘Floating Degassing in the Netherlands: Rights and Obligations under International Law.‘Dat professor Arcuri en phd-kandidaat Errol, beide van Erasmus School of Law, schreven met ondersteuning van The Erasmus Initiative ‘Dynamics of Inclusive Prosperity’. Ook heb ik aandacht besteed aan de reactie van minister Harbers, waarin hij uitlegde dat een nationaal verbod niet zou kunnen. Dinsdag publiceerde professor Arcuri een open brief aan de minister, waarin ze de argumenten van de minister weerlegt. Reden voor de Tweede Kamer om de stemmingen over de moties over varend ontgassen uit te stellen. Uit de wandelgangen hoort Sargasso dat er mogelijk een technische briefing georganiseerd gaat worden met professor Arcuri, zodat Tweede Kamerleden zich kunnen laten informeren over de (on)mogelijkheden van een nationaal verbod.

    Brief professor Arcuri

    In de open brief gaan Arcuri en Erol in op de drie argumenten die minister Harbers noemt als oorzaak om geen nationaal ontgasverbod in te kunnen of hoeven stellen. Op de eerste plaats hanteerde minister Harbers het argument dat artikel 18 van het Verdrag van Wenen inzake Verdragenrecht. Op de tweede plaats noemde de minister praktische bezwaren en ten derde beargumenteerde de minister dat de Nederlandse staat voldoet aan zijn mensenrechten verplichtingen door zich internationaal in te zetten voor een verbod op varend ontgassen.

    Verdrag van Wenen inzake verdragenrecht

    Op p. 2 van de brief geeft de minister een concrete motivering waarom specifieke bepalingen van internationale verdragen worden gezien als een belemmering voor de Nederlandse regering om  maatregelen te nemen tegen varend ontgassen. De minister stelt in zijn brief dat Nederland geen nationale wetgeving kan aannemen om ontgassen te verbieden  vanwege artikel 18 van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht (VCLT). Dit artikel luidt als volgt:

    Artikel 18. Verplichting voorwerp en doel van een verdrag niet ongedaan te maken alvorens zijn inwerkingtreding

    Een Staat moet zich onthouden van handelingen die een verdrag zijn voorwerp en zijn doel zouden ontnemen, indien:

    • a) hij het verdrag heeft ondertekend of de akten die het verdrag vormen heeft uitgewisseld onder voorbehoud van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring, totdat hij zijn bedoeling geen partij te willen worden bij het verdrag kenbaar heeft gemaakt; of
    • b) hij zijn instemming door het verdrag gebonden te worden tot uitdrukking heeft gebracht in de periode die aan de inwerkingtreding van het verdrag voorafgaat op voorwaarde dat deze inwerkingtreding niet onnodig wordt vertraagd.

    De minister betoogt dat de plicht tot het instellen van de infrastructuur voor verantwoord ontgassen, vastgelegd in het Verdrag, impliceert dat een nationaal verbod zonder de oprichting van een dergelijke installatie in strijd zou zijn met de bepalingen uit het verdrag:

    Omdat de oplossing voor het aanleggen van ontgassingsinstallaties is opgenomen in dit verdrag, zou een nationale beperking zonder het aanleggen van ontgassingsinstallaties in strijd zijn met de bepalingen uit het
    verdrag.

    Deze redenering is volgens Arcuri en Erol echter twijfelachtig. Artikel 5.02 van de 2017 Wijzigingen van het CDNI bepaalt:

    De Verdragsluitende Staten verplichten zich ertoe om infrastructurele en andere voorzieningen voor de afgifte en inname van restlading, overslagresten, ladingrestanten, waswater en dampen tot stand te brengen dan wel te laten brengen.

    Dit is een positieve verplichting, wat inhoudt dat de staat verplicht is iets te doen. Niets in het verdrag belet de Nederlandse staat om deze infrastructuur al te realiseren. De redenering van de minister zou deugdelijk zijn als de bepaling zou zijn geformuleerd als een negatieve verplichting, dat wil zeggen een verplichting iets niet te doen. Het artikel had bijvoorbeeld kunnen luiden:

    De Verdragsluitende Staten verbinden zich er niet toe de infrastructuur op te zetten of te laten opzetten vóór het
    verdrag is in werking getreden.

    Nergens in het verdrag kan echter zo’n negatieve verplichting gevonden worden. Dit betekent dat, mocht de Nederlandse staat dat willen, nu al kan worden begonnen met het opbouwen van een dergelijke infrastructuur. Evenzo is er in het verdrag geen
    verplichting om varend ontgassen niet te verbieden of varend ontgassen niet door te voeren in nationale regelgeving voordat het verdrag in werking treedt. Het verdrag stelt een algemene en onvoorwaardelijke verplichting om varend ontgassen te verbieden. Nederland kan varend ontgassen dus verbieden voordat het verdrag in werking treedt.

    Sterker nog, als art. 18 VCLT überhaupt moet worden ingeroepen, kan het zijn om het tegenovergestelde te beweren. In dit verband moeten we opmerken dat een van de belangrijkste doelstellingen van het CDNI verdrag de bescherming van het milieu is. Er is onderhandeld over de CDNI-amendementen van 2017 om dit doel te realiseren. De onderhandelingen waren succesvol en consensus tussen de Overeenkomstsluitende partijen over inhoudelijke wijzigingen zijn bereikt. In 2017 heeft de CDNI Wijzigingen zijn aangenomen door de Conferentie van de Verdragsluitende Partijen. Dit draagt er getuige van dat een internationaal gecoördineerde oplossing voor varend ontgassen bestaat. Het is dan moeilijk te begrijpen hoe het doel en doel van de amendementen van 2017, dat is om het milieu te beschermen door een verbod op varend ontgassen uit te vaardigen, kan worden overtreden door een daarop gerichte binnenlandse regeling.

    In de brief van het ministerie staat verder dat het verboden zou zijn ‘het verdrag voorlopig toepassen’. In het rapport Floating Degassing in the Netherlands: Rights and Obligations under International Law hebben Arcuri en Erol echter al aangetoond dat staten het recht hebben om varend gassen te reguleren om andere redenen dan de veiligheid tijdens de navigatie. Die andere redenen omvatten ook de bescherming van het milieu. Dit is iets anders dan voorlopige toepassing van de CDNI-amendementen. Bijvoorbeeld volgens art. 7.2.3.7.0 van de bijlagen bij het ADN kan een ontgassingsverbod worden geregeld
    via nationale wettelijke maatregelen, zoals ik op Sargasso ook al meerdere keren heb betoogd. Eenzijdige binnenlandse maatregelen verenigbaar met de Wijzigingen van 2017 zouden volgens Arcuri en Erol dan ook niet noodzakelijkerwijs neerkomen op een voorlopige toepassing van het CDNI verdrag.

    Praktische argumenten tegen een nationaal ontgasverbod

    Afgezien van de kwestie van de verenigbaarheid met het internationaal recht, geeft de minister andere argumenten met betrekking tot de effectiviteit van een nationaal verbod op varend ontgassen, zoals het onvoldoende aantal ontgassingsinstallaties. In het eerdere rapport houden Arcuri en Erol zich niet bezig met vragen over effectiviteit, omdat ze zich alleen richten op de vraag of gerechtelijke stappen niet mogelijk zijn vanwege internationaal recht. Hoewel deze argumenten buiten het bestek van hun rapport vallen, merken ze op dat het de verantwoordelijkheid van de Nederlandse staat is om een oplossing voor dit probleem te vinden.

    Het is ook begrijpelijk dat er niet genoeg installaties zijn, aangezien varend ontgassen is toegestaan. De instelling van een nationaal verbod (met een gewenningsperiode) zou de oprichting van dergelijke installaties kunnen bespoedigen. Zoals het er nu uitziet, lijkt de situatie op een kip-ei-probleem: omdat er onvoldoende ontgassingsinstallaties zijn is de minister van mening dat varend ontgassen niet verboden kan worden en omdat er geen regel is die varend ontgassen verbiedt, wordt de betreffende infrastructuur niet aangelegd. Het risico van deze redenering is dat tekortkomingen in het huidige economisch systeem kan worden ingezet als excuus om niet te handelen. Bovendien, overwegende dat de onderhandelingen over de wijziging in 2012 zijn gestart en afgesloten in 2017 en dat de verwachting was dat alle leden dat in 2020 zouden moeten doen
    hebben geratificeerd, kan het redelijk zijn geweest om al jaren geleden begonnen te zijn met de aanleg van de infrastructuur. Evenzo heeft Nederland de wijziging van 2017 in 2020 geratificeerd, en had het volgens Arcuri en Erol aantoonbaar werk moeten maken van praktische oplossingen uitvoering te geven aan het overeengekomen verbod op varend ontgassen. Het ontbreken van bestaande ontgassingsinstallaties is  waarschijnlijk geen rechtvaardiging voor het niet nakomen van deze verplichtingen. Kortom, in het licht van haar mensenrechtenverplichtingen en het feit dat het CDNI binnenkort in werking kan treden, staat de Nederlandse regering onder druk verplichting om de voorwaarden te scheppen voor de uitvoering van het verbod.

    Ook stelt de minister dat een nationaal verbod de kosten bij de schippers zou leggen. De wijzigingen van het CDNI uit 2017 bepalen dat de verlader de kosten van het verantwoord ontgassen van een schip moet dragen. Uit de brief van de minister wordt niet duidelijk waarom de Nederlandse geen verordening kan aannemen die deze regel uit het Verdrag al volgt. Bij de uitvoering van het CDNI-verdrag zal de Nederlandse deze regel sowieso volgens nationaal recht moeten uitvoeren en, vanuit internationaalrechtelijk oogpunt, is er geen reden om geen regel vast te stellen die de kosten al bij de bevrachter legt.
    Kortom, met betrekking tot de argumenten rond effectiviteit, willen we dat graag benadrukken dat het ontbreken van voldoende voorwaarden om een verbod uit te voeren (zoals het ontbreken van van voldoende ontgassingsinstallaties) lijkt Arcuri en Erol geen legitiem argument om verder te gaan uitstellen van de goedkeuring van de noodzakelijke wetgeving ter bescherming van de Nederlandse burgers en de milieu tegen de schade veroorzaakt door drijvende ontgassing.

    Europees Verdrag voor de rechten van mens

    Tot slot stelt de brief van de minister dat Nederland zijn mensrechtenverplichtingen vervult door het initiatief te nemen voor de CDNI 2017 Wijzigingen. Arcuri en Erol stellen dat prijzenswaardig is dat Nederland een actieve rol heeft gespeeld bij de totstandkoming en goedkeuring van de amendementen. Maar dat de enkele handeling van het onderhandelen over en ratificeren van een conventie waarschijnlijk niet zal volstaan om aan de zorgplicht te voldoen. Evenzo is het volgens hen moeilijk in te zien hoe het feit dat een uitvoeringsregeling gereed is, maar niet uitgevoerd kan worden, gelijkgesteld kan worden aan de naleving van mensenrechtenverplichtingen. Als dit het geval zou zijn, zouden veel regeringen internationale wetgeving en/of wetsontwerpen kunnen gebruiken om mensenrechtenverplichtingen te omzeilen. De belangrijkste vraag is of de rechten op leven en op gezinsleven voldoende zijn beschermd door de enkele bekrachtiging of het bestaan van een uitvoeringsverordening.

    Gezien de stagnerende situatie rond drijvende ontgassing en het feit dat internationaal verdragen zijn ingezet als argument om niet op te treden, is het volgens Arcuri en Erol de vraag of in in dit geval de bekrachtiging en het bestaan van een uitvoeringsverordening beschouwd kan worden als een voldoende voorwaarde om aan de mensenrechtenverplichtingen te voldoen.

    Moties Tweede Kamer

    In de Tweede Kamer zijn vorige week vier moties ingediend over varend ontgassen. Lammert van Raan, PvdD, heeft een motie ingediend waarin hij oproept om binnen 3 maanden tot een nationaal verbod op varend ontgassen te komen.

    De motie van Kröger, GroenLinks, Alkaya, SP, en De Hoop, PvdA, verzoekt de regering om een nationaal verbod op varend ontgassen aan te kondigen en om alles in het werk te stellen om de besluiten te nemen zoals geformuleerd in de roadmap om een nationaal verbod ook daadwerkelijk zo snel mogelijk in te laten gaan.

    Tjeerd de Groot, D66, heeft een motie ingediend waarin hij het Kabinet oproept om provincies aan te sporen haast te maken met vergunningverlening aan ontgassingsinstallaties en provincies daar waar nodig en mogelijk in bij te staan. Ook roept hij het Kabinet op om parallel een landelijk verbod op varend ontgassen voor te bereiden dat in moet gaan als er een netwerk van ontgassingsinstallaties gerealiseerd is of als Zwitserland het CDNI-verdrag ratificeert.

    Pouw Verweij, JA21, en Van der Plas, BBB, hebben een motie ingediend waarin ze het ministerie oproepen om in overleg te gaan met de industrie om uit te zoeken welke ruimte nodig is voor alternatieven voor varend ontgassen En om in overleg met de Inspectie Leefomgeving en Transport, de betrokken overheden en het bedrijfsleven in overleg te gaan om het bedrijfsleven voldoende aanwezige alternatieve ontgassingscapaciteit te laten inzetten alvorens een algeheel verbod op varend ontgassen ingaat.

    Conclusie

    In hun brief komen professor Arcuri en phd-kandidaat Erol tot dezelfde conclusies als ik voor Sargasso al eerder deed: een nationaal ontgasverbod is mogelijk en er is geen internationale belemmering voor de invoering ervan. Dat het ministerie van I&W hulp heeft ingeroepen van het ministerie van Buitenlandse Zaken bevreemd, omdat verschillende provincies in het verleden aan hebben gegeven dat het ministerie een landelijk en provinciaal ontgasverbod tegen hield op basis van een geheim verklaard advies van de landsadvocaat. Dat nu het Verdrag van Wenen inzake het Verdragsrecht wordt aangehaald leest dan ook als een gelegenheidsargument en de brief van Arcuri en Erol bevestigd die indruk. Het maakt ook nieuwsgierig naar het advies van de landsadvocaat.

    De in de Kamer voorliggende moties zijn van wisselende kwaliteit. De motie van JA21 en BBB klinkt als een voortzetting van de taskforce varend ontgassen, of hoe dat praatcircus tegenwoordig ook heet. Het is het huiswerk dat de minister sinds de aankondiging in 2018 van een landelijk verbod in 2020 al lang en breed had moeten uitvoeren. Zoals Arcuri en Erol ook stellen is er niets in het CDNI of de wijzigingen uit 2017 dat dat verhinderd. Het is eerder politiek, bestuurlijk onwil en meestribbelen van verladers als Vitol, Trafiqura en Glencore. De motie van PvdD roept simpelweg op tot een snel verbod. Daarmee is er nog geen oplossing voor schippers, omwonenden of natuur. Tenzij er gehandhaafd gaat worden op basis van de wet economische delicten, maar dan zijn schippers de dupe in plaats van verladers. De motie van D66 en die van GroenLinks, SP en PvdA geven allebei blijk van besef dat er naast een verbod ook gewerkt moet worden aan een netwerk van ontgassingsinstallaties. Waarbij de motie van GroenLinks, SP en PvdA de minister vastklinkt aan zijn eigen roadmap. Al kom ik daar alleen een uitstelbrief over tegen.

    Dit bericht is eerder gepubliceerd op Sargasso.

  • Tweede Kamer dringt wederom aan op voldoen aan vonnis Urgenda Klimaatzaak

    Op 20 december wordt de uitspraak van de Hoge Raad in de Urgenda klimaatzaak verwacht. In aanloop daarnaartoe heeft de Tweede Kamer nogmaals bij het kabinet aangedrongen om zich in te spannen om het Urgenda-doel, 25% CO2 reductie in 2020 ten opzichte van 1990, te halen. Het parlement nam gisteren een reeks moties aan die hier op aandrongen.

    NIEUWS –

    Als gevolg van de rechterlijke uitspraak in de klimaatzaak van Urgenda tegen de staat moet Nederland in 2020 een CO2-reductie van 25% hebben bereikt ten opzichte van 1990. Het PBL presenteerde begin november berekeningen waaruit blijkt dat het kabinet dit doel waarschijnlijk niet gaat halen. Gelet op het eerdere advies van de procureur-generaal aan de Hoge Raad is de verwachting dat het vonnis in stand blijft. Het Kabinet presenteerde op 1 november extra maatregelen in reactie op het PBL rapport. De extra maatregelen bestaan uit een extra ronde in de SDE+, een verhoging van het subsidieplafond van de ISDE en een nieuwe regeling voor gemeenten om energiebesparing bij huiseigenaren te bereiken.

    Ondanks deze maatregelen is de Tweede Kamer er niet gerust op dat het Urgenda-doel gehaald wordt. De Tweede Kamer nam verschillende moties aan, waaronder een motie van de Partij voor de Dieren die het Kabinet oproept de kans te minimaliseren dat de ondergrens van 25% CO2 reductie in 2020 gemist wordt. Tevens werd een  tweede motie van de Partij voor de Dieren waarin zij vraagt om het 40 puntenplan van Urgenda serieus te nemen werd aangenomen. Dat betekent dat het kabinet een schriftelijke reactie op de 40 voorgestelde maatregelen van Urgenda moet nemen. De GroenLinks motie waarin gevraagd wordt om een aanvullend maatregelenpakket voor 1 april werd ook aangenomen. Verder werd de motie van D66 en ChristenUnie aangenomen, waarin ze het kabinet oproepen om kort na de uitspraak van de Hoge Raad te inventariseren wat de resterende opgave is.

    De wintermaanden bieden Rutte bij terugkomst van de klimaattop in Spanje volop ruimte om invulling te geven aan zijn uitspraak dat dit het groenste kabinet ooit is.

    Dit bericht is geschreven voor en gepubliceerd op Sargasso.

  • Rekenkamer: stimuleren elektrisch rijden 65% goedkoper dan verwacht

    Gisteren kwam de Rekenkamer met een brief aan de Tweede Kamer over de kosten van het stimuleren van elektrisch rijden. Het onderzoek is uitgevoerd op verzoek van de Tweede Kamer. De Rekenkamer concludeert dat het reduceren van CO2 via het stimuleren van elektrisch rijden een dure manier is om de CO2 uitstoot te verlagen. De Rekenkamer kwam in de verantwoordingsonderzoeken over 2013 en 2014 ook al tot deze conclusie. Het Interdepartementale Beleidsonderzoek CO2 (IBO CO2) uit 2016 noemde het stimuleren van elektrisch rijden de duurste maatregel per ton CO2 reductie bezien vanuit de overheidsfinanciën. De Rekenkamer trekt in zijn brief de berekeningen van de staatssecretaris , die uitkomt op € 1.700 per vermeden ton CO2, in twijfel. Met de rekenmethode van de Algemene Rekenkamer kunnen die kosten oplopen tot bijna € 2.000 euro per bespaarde ton CO2. Dat is echter nog steeds een 65% lager dan de € 5.700 per bespaarde ton CO2 uit IBO CO2 van 2016. De echte vraag zou moeten zijn: waarom wijkt de prognose van IBO CO2, PBL en ECN zoveel af van de werkelijke overheidskosten per ton CO2 reductie?

    Kosten elektrisch rijden: IBO CO2 en Rekenkamer

    In het IBO CO2 van 2016 (pdf) staan tabellen met de kosten en effecten van verschillende maatregelen om CO2 te reduceren. In tabel 5.2 staat voor het stimuleren van elektrisch rijden een prijs van € 5.700 per ton vermeden CO2 voor de overheid. Ook de Rekenkamer constateerde al in 2013 en 2014 dat elektrisch rijden een dure manier is om de CO2 uitstoot te reduceren. Elektrisch rijden is dan ook een maatregel die thuishoort in de categorie meters voorbereiden in plaats van meters maken. Bij meters voorbereiden gaat het om doorbraaktechnologieën die nodig zijn om in 2050 de CO2 reductie te halen. De nationale kosten lagen volgens IBO CO2 met ruim € 900 per bespaarde ton CO2 een stuk lager en dalen richting 2030 scherp naar € 90 per ton CO2. De nieuwste prognoses van het PBL zijn dat de nationale kosten in 2030 nog lager zullen zijn en rond de € 0 per ton CO2 reductie uit komen. Journalisten en politici draaien het frame ondertussen de andere kant op en doen het voorkomen alsof de hoge overheidskosten voor het stimuleren van elektrisch rijden een verrassing zijn, terwijl ze dus feitelijk nu al 65% lager liggen dan de verwachte overheidskosten per ton CO2 reductie in 2020.

    Ook de reactie van Remco Dijkstra, Tweede Kamerlid voor de VVD, speelt in op de hoogte van de subsidie.

    https://twitter.com/remcovvd/status/1143878062410522624

    Gelet op de verantwoordingsrapporten van de Rekenkamer uit 2013 en 2014 en het rapport van IBO CO2 uit 2016, dat in de Tweede Kamer volop gebruikt werd in de discussies over klimaatbeleid, kan het echter geen verrassing zijn dat het stimuleren van elektrisch rijden geen kosteneffectieve manier is om de CO2 uitstoot te verminderen. De verantwoordingsrapporten van de Rekenkamer uit 2013 en 2014 zijn voor de VVD ook geen reden geweest om na 2013 tegen de stimulans van elektrische auto’s te stemmen in de Tweede Kamer of om deze af te bouwen. Het is voor de VVD ook geen reden om zich zorgen te maken over de kosten van die andere vorm van nulemissie personenauto’s: waterstof. Sterker nog die kan Kamerlid Remco Dijkstra niet snel genoeg gaan:

    https://twitter.com/remcovvd/status/1143051163182469120

    Ook al zijn er miljoenensubsidies van de EU en Nederlandse staat nodig om een winstgevend bedrijf als Shell te porren om 4 waterstoftankstations aan te leggen. Shell ontvangt 1 miljoen Euro per waterstofstation van de Nederlandse staat en 7,2 miljoen van de EU voor de realisatie van 8 waterstoftankstations in de Benelux, waarvan 4 in Nederland. Uitgaande van de doelstelling om in 2025 15.000 waterstofauto’s te hebben rijden is dat een subsidie van 533 Euro per voertuig.

    Daar komt dan nog de subsidie voor het voertuig bovenop en die gaan minstens gelijk zijn aan de kosten van elektrische auto’s. Ook bij waterstofauto’s zijn de voordelen vooral voor de zakelijke rijders, waarbij er voor waterstof een speciale Louwman-bonus geldt. Vanaf 2019 is er, voor de categorie van 4% bijtelling, een maximum van 50.000 euro fiscale waarde. Voor bedragen daarboven geldt het bijtellingspercentage van 22 procent. Uitzondering hierop zijn auto’s die op waterstof rijden. Een voordeel ten opzichte van batterij-elektrische auto’s met een fiscale waarde boven de 50.000 euro, dat vooral ten goede komt aan rijders van Toyota (80.000 Euro) en in minder mate Hyundai (vanaf 70.000 Euro). De overheidskosten per bespaarde ton CO2 gaan waarschijnlijk minstens zo hoog zijn als voor elektrische auto’s, waarschijnlijk zelfs hoger vanwege conversieverliezen bij de productie van waterstof en bij de conversie van waterstof naar elektriciteit om de elektromotor van de waterstofauto aan te drijven.

    Klimaatbeleid tegen minder overheidskosten

    Wie wil weten hoe klimaatbeleid dat een minder groot beslag legt op overheidsmiddelen er uit ziet kan ook bij het IBO CO2 rapport terecht, want de overheidsmiddelen zijn veel effectiever in te zetten voor klimaatbeleid. Alleen liggen die electoraal wat gevoelig bij de VVD en het CDA, die het klimaatbeleid sinds 2013 vorm heeft gegeven onder premier Rutte. Kijk maar even mee naar de rangschikking van klimaatmaatregelen op basis van oplopend overheidskosten, zoals het IBO CO2 die in 2016 publiceerde. Waarbij ik de tabellen van maatregelen voor sectoren die onder het Europees emissiehandelsysteem voor CO2 (ETS) en de sectoren die daar niet onder vallen heb samengevoegd. Het gaat om de overheidskosten en emissiereductie in 2020. Maatregelen waarvoor geen overheidskosten voor 2020 vermeld zijn heb ik weggelaten.

    ETS of non-ETSMaatregelOverheidskosten (in EUR/tonDirecte emissiereductie (excl. Evt. waterbed)
    ETS6. CO2 bodemprijs (brits model) industrie-233710
    Non-ETS12. Kilometerheffing vrachtverkeer-13650,4
    Non-ETS14. Kilometerheffing personenvervoer (7 Eurocent/km vlak)-8211,7
    ETS2. Aanpassen 3e en 4e schijf EB op aardgas-6600,2
    ETS10. Sluiting alle kolencentrales voor 2020-678,1
    ETS7. Sluiting oude kolencentrales van voor 1990-610,7
    ETS4. CO2 bodemprijs (brits model) elektriciteitsopwekking-441,6
    ETS8. Verdubbelen kolenbelasting elektriciteitsopwekking0 -0,7
    Non-ETS6. Reductie methaanslip uit (wkk-)gasmotoren00,9
    Non-ETS7. Afspraken gemiddeld label B huurwoningen00,4
    Non-ETS9. Verhogen aandeel biobrandstoffen transport00,6
    ETS5. Opkoop ETS-rechten111
    ETS11. Budgetneutrale prijsprikkel energie-intensieve160,6
    ETS13. CCS demonstratieproject ROAD461,2
    ETS14. SDE+ regeling wind op land813,7
    Non-ETS10 Label C koopwoningen binnen 2 jaar na verhuizing860,5
    Non-ETS13. Aanpassen 1e schijf EB aardgas (+) en elektriciteit (–)890
    ETS12. SDE+ regeling biomassameestook kolencentrales934,3
    Non-ETS11. Minimaal label B huurwoningen1390,9
    Non-ETS8. Verplichting monomestvergisting van mest1511,3
    ETS1. Verscherpte handhaving Wet Milieubeheer1541
    Non-ETS1. Verscherpte handhaving Wet Milieubeheer1541
    ETS16. SDE+ regeling grootschalig zon-pv1550,9
    ETS15.SDE+ regeling wind o pzee1663,6
    Non-ETS1. Verplichte toepassing zuiniger banden2191,2
    Non-ETS3. EU-norm CO2 uitstoot personenauto’s naar 95g/km2510,7
    Non-ETS5. Terugdraaaien verhoging maximum snelheid2580,1
    Non-ETS15. STEP-regeling (huursector)9300,1
    Non-ETS16. Fiscaal stimuleren nulemissieauto’s57000

    De top 10 goedkoopste klimaatmaatregelen, bezien vanuit overheidsfinanciën leest als de lijst met taboeonderwerpen voor de opeenvolgende Kabinetten onder leiding van de VVD van de afgelopen jaren. Van Remco Dijkstra en Pieter Omtzigt, die zich zorgen maken over de hoge kosten van het stimuleren van elektrische auto’s hoor ik graag welke andere maatregelen ze dan wel hadden willen nemen. Bij Bart Snels heb ik daar wel een beeld van, want GroenLinks stond in 2016 vooral andere maatregelen voor om de CO2 uitstoot te verminderen. Maatregelen die een stuk dichter bij het lijstje met voor de overheid goedkope maatregelen komen, zie de Klimaatbegroting 2017-2020 uit 2016 (pdf). Al moet daarbij gezegd dat ook GroenLinks voorstander was van het stimuleren van elektrisch rijden, omdat het een belangrijke techniek is om de autoindustrie op de middellange termijn minder CO2 uit te laten stoten. En omdat elektrisch rijden strategisch een belangrijke techniek is om een wig te drijven tussen de oliebedrijven en de autofabrikanten.

    Helemaal, helemaal onderaan staat het fiscaal stimuleren van nulemissieauto’s. Waarbij de CO2 reductie na verloop van het leasecontract ook nog wegvalt, omdat de auto dan naar het buitenland verplaatst wordt. Bij de industrie schreeuwen we dan moord en brand vanwege het waterbedeffect. Bij elektrische auto’s lijkt het kabinet het het niet zo erg te vinden, want hetzelfde probleem speelt al jaren en er is nog steeds geen fatsoenlijke stimulans om schone tweedehands auto’s in Nederland te houden. Wat ons extra CO2 uitstoot en extra stikstof uitstoot oplevert, want op de tweedehands markt wint de diesel nog steeds aan populariteit. Wat ons zowel voor CO2 als stikstof problemen oplevert met de internationaal afgesproken doelstellingen, de een vanuit het vonnis in de klimaatzaak van Urgenda (al zal het effect van het in Nederland houden van elektrische auto’s op de CO2 emissie in 2020 gering zijn), het ander vanuit het vonnis van de Raad van State dat de programmatische aanpak stikstof afkeurde.

    Slot

    De ophef gisteren over de brief van de Rekenkamer roept de vraag op of er nog journalisten zijn die hun huiswerk een beetje doen. Ieder zichzelf respecterende journalist had de Kabinetten en Tweede Kamerleden de afgelopen jaren kunnen bevragen waarom elektrische auto’s gestimuleerd worden terwijl Rekenkamer en het interdepartementale beleidsonderzoek CO2 beide aangeven dat het een erg dure optie is.

    Wat mij veel meer opvalt is dat de leercurve van nulemissievoertuigen, en dan meer specifiek elektrische auto’s, in de praktijk zoveel afwijkt dan waar de modellen van PBL en ECN mee rekenen. Daardoor worden de kosten van klimaatbeleid veel te hoog weergegeven. Iets waar ik in 2016 ook al tegenaan liep bij de doorrekening van het verkiezingsprogramma van GroenLinks. De kostprijs voor wind op zee in 2030 lag toen rond dan de tenderprijzen voor wind op zee. Inmiddels is duidelijk dat de kostendaling inderdaad sneller gaat dan verwacht en dat de kosten van het Energieakkoord vele miljarden lager uitvallen. De werkelijke discussie zou moeten zijn hoe het kan dat de overheidsuitgaven voor elektrisch rijden, windenergie en zonne-energie in een kort tijdsbestek zo fors kunnen afwijken van de modellen van PBL en ECN. Elektrisch rijden is een relatief nieuwe techniek, dat die leercurve nog gebreken toont kan ik me voorstellen. Voor windenergie en zonne-energie is er wereldwijd voldoende data beschikbaar om een grote verbeterslag te maken.

    Dit bericht is geschreven voor en gepubliceerd op Sargasso.

  • Klimaatlabel politieke partijen 2019

    In de aanloop naar de Tweede Kamerverkiezingen van 2017 heeft Sargasso het klimaatbeleid uit alle verkiezingsprogramma’s beoordeeld. Voor de provinciale verkiezingen is dat ondoenlijk met een redactie vol vrijwilligers. In tegenstelling tot de Tweede Kamerverkiezingen in 2017 speelt klimaatbeleid nu wel een landelijke rol, waarbij de provinciale statenverkiezingen een dubbel belang hebben. Klimaatbeleid voor de eigen provincie en de leden van de provinciale staten kiezen de nieuwe leden van de Eerste Kamer.

    Het klimaatlabel politieke partijen biedt enig houvast voor wie klimaat wil laten meewegen bij het uitbrengen van zijn of haar stem. De initiatiefnemers bekeken daarvoor ruim 100 stemmingsuitslagen van de Tweede Kamer in de periode 2017-2019. Heel wat meer dan Sargasso eerder deed voor de verhoging van uw energierekening. De uitslag van het klimaatlabel politieke partijen vertoont echter wel wat overeenkomsten met ons kleinere onderzoek. Ook bij het klimaatlabel politieke partijen staat PvdD bovenaan. Alleen GroenLinks en SP wisselen stuivertje, PvdD deelt bij klimaatlabel de eerste plaats met GL i.p.v. met de SP. Ook de onderkant toont gelijkenissen. met klimaatlabel F voor PVV en FvD.

    Klimaatlabel2019
    Klimaatlabel politieke partijen, gebaseerd op stemgedrag 2017-2019.

    Het label is gebaseerd op het stemgedrag in de Tweede Kamer in de periode 2017-2019. Op de website van Klimaatlabel Politiek is terug te vinden welke stemmingen zijn meegenomen en hoe de partijen scoren op individuele voorstellen. Het klimaatlabel politieke partijen laat ook zien dat regeren pijn doet. PvdA stijgt van label D naar label B, CU zakt van label A naar label D en D66 zakt van label B naar label D. De uitdaging voor een volgende coalitie lijkt ook duidelijk: zorgen dat een van de coalitiepartijen in label C komt.

    Open waanlink

    Dit bericht is geschreven voor en gepubliceerd op Sargasso.

  • GroenLinks: de plannen & cijfers (focus energie & klimaat)

    Met minder dan 2 weken te gaan voor de verkiezingen leek het me tijd om nog even de belangrijkste effecten van de plannen van GroenLinks op een rij te zetten, met daarin de focus op de effecten op klimaat, energie en milieu. De plannen kun je nalezen in het verkiezingsprogramma en in de analyses van het verkiezingsprogramma door PBL, CPB, en SCP.

    programma_gl_ruggegraat
    Bron: GroenLinks

     

    Klimaat en energie

    GroenLinks heeft (zoals je kan verwachten) ambitieuze plannen op gebied van klimaat en energie. De CO2 reductie die GroenLinks behaalt ligt met 62% boven de doelstelling van het verkiezingsprogramma en boven wat volgens PBL nodig is om de doelstellingen van het klimaatakkoord van Parijs te halen. Volledigheidshalve: volgens Greenpeace en Urgenda is meer nodig dan PBL stelt.

    image2

    In de grafiek kan je zien dat GroenLinks met haar plannen behoorlijk op weg gaat om in 2050 uit te komen op 95% CO2 reductie.Terwijl het basispad na 2030 een behoorlijke versnelling vereist, kiest GroenLinks juist voor een versnelling in de komende jaren.

    De CO2 reductie die GroenLinks haalt in 2030 ligt iets lager dan de Partij voor de Dieren in het verkiezingsprogramma heeft staan (62% GroenLinks vs. 65% PvdD), daar staat tegenover dat de PvdD haar plannen niet heeft laten doorrekenen.Ook is opvallend dat PvdA en SP met hun plannen in 2030 niet de CO2 reductie van de Klimaatwet halen. Terwijl ze de Klimaatwet wel mede-ondertekend hebben.

    Voor energiebesparing en het aandeel duurzame energie heeft GroenLinks een stevige ambitie in vergelijking met andere partijen. Wat mij vooral opvalt is het lage percentage energiebesparing bij D66, terwijl deze partij toch meerdere initiatiefnota’s over energiebesparing op haar naam heeft staan (2013, 2016).

    score-energietransitie-klein-1024x722
    Aandeel duurzame energie en percentage energiebesparing in 2030, bron NVDE op basis van doorrekening PBL.

    GroenLinks scoort ook goed als het gaat om het ondersteunen van de lange termijn energietransitie.

    image1
    Bron: doorrekening PBL

    Luchtkwaliteit & biodiversiteit

    Een bijkomend effect van voorstellen van GroenLinks is de verbetering van de luchtkwaliteit t.o.v. het basispad. De emissies door transport van fijn stof dalen met 14%, van NOx met 10% en de landbouwemissies van ammoniak met 14%. De biodiversiteit stijgt met 20-25% t.o.v. het basispad.

  • Impact klimaatakkoord Parijs voor Nederlands langetermijn-klimaatbeleid

    Vorig jaar heeft Sargasso veel aandacht besteed aan klimaat in de verkiezingsprogramma’s. Onderstaand bericht heb ik geschreven voor Sargasso om te kijken naar wat volgens het Planbureau voor de Leefomgeving de impact is van het klimaatakkoord van Parijs op het Nederlands langetermijn-klimaatbeleid en dit te vergelijken met wat verschillende politieke partijen in hun verkiezingsprogramma hebben opgenomen. Bijstellingen op basis van amendementen bij partijcongressen zijn (nog) niet verwerkt, ontbreekt me de tijd voor. Voeg gerust met bronvermelding toe in de reacties, dan werk ik het overzicht bij.

    Impact klimaatakkoord van Parijs volgens PBL

    Om te bepalen hoeveel minder CO2 Nederland mag uitstoten heeft PBL eerst berekend hoe groot het wereldwijde koolstofbudget nog is. Hiervan heeft PBL concretere doelstellingen voor emissies in Nederland afgeleid. Hoe deze doelstellingen er uit zien hangt onder andere af van wat een rechtvaardige en eerlijke verdeling is van de wereldwijde emissieruimte per land. PBL is uitgegaan van een gelijke wereldwijde emissies per hoofd van de bevolking. De Nederlandse uitstoot moet dan dalen met 37 tot 47% in 2030 en met meer dan 87% in 2050.

    Belang van snelle omslag

    Volgens PBL zijn de komende jaren cruciaal, zowel wereldwijd als in Nederland, om aan de doelstellingen van het klimaatakkoord van Parijs te voldoen. De beleidsvoornemens moeten fors worden aangescherpt om binnen het koolstofbudget te blijven. Waarbij vermindering van de CO2 emissie en energietransitie de kern van de klimaatbeleidsopgave vormen. In Nederland wordt 85% van de broeikasgasemissies gevormd door CO2 en CO2 heeft een lange levensduur, een lagere CO2 emissie is volgens de analyse van PBL dan ook het belangrijkst voor het tegengaan lange termijn klimaatverandering.

    Op termijn zijn negatieve emissies volgens PBL mogelijk, maar de technieken hiervoor zijn niet onomstreden. Negatieve emissies kunnen bestaan uit CO2 afvang en opslag (CCS), CO2 afvang en vastlegging (CCU) in bijvoorbeeld bouwproducten, of het vastleggen van CO2 door bijvoorbeeld herbebossing. De CO2 emissie moet verder omlaag als er geen gebruik gemaakt wordt van negatieve emissies. Voor de doelstelling van 1,5°C  heeft PBL enkel een scenario doorgerekend met inzet van negatieve emissies.

    Huidig beleid

    De Nederlandse broeikasgasemissies dalen nu tamelijk geleidelijk: de emissiereductie in de laatste 10 jaar bedroeg zo’n 0,7 procentpunt per jaar voor alle Kyoto-broeikasgassen en ongeveer 0,5 procentpunt per jaar voor alleen CO2 (ten opzichte van het emissieniveau in 1990). Om de doelen voor 2030 en 2050 uit de illustratieve berekeningen te halen zou de jaarlijkse reductie 2,6-2,8 procentpunt moeten bedragen van het emissieniveau in 1990.

    PBL constateert dan ook dat het huidige en voorgenomen beleid in Nederland onvoldoende is. Met het voorgenomen beleid komt de CO2 reductie uit op 12%in 2030 ten opzichte van 1990. Daar komt dan nog 12% bij als gevolg van de daling van andere broeikasgassen, zoals methaan en lachgas. Om het Nederlandse beleid in lijn te brengen met het Parijsakkoord is in 2030 40-50% minder CO2 uitstoot nodig ten opzichte van 1990. In 2050 moet de CO2 emissie tenminste 87% lager zijn. Om de 1,5°C doelstelling te halen is in 2050 meer dan 100% emissiereductie nodig. Oftewel: CO2 afvangen en opslaan of gebruiken.

    Mogelijk maatregelen om beleid in lijn te brengen

    Om het Nederlandse beleid, zonder gebruik van kernenergie, is het volgens PBL nodig om onder meer in te zetten op energiebesparing, elektrificatie van het energieverbruik, inzet van meer hernieuwbare energie en afvang en opslag van CO2. Het halen van de doelen vergt inzet op al deze terreinen, dus geen of- of, maar en – en. Om een versnelling te bereiken is het daarnaast nodig om waarborgen in te bouwen, zodat een robuust investeringsklimaat ontstaat. PBL stelt verder dat het van belang is dat er beleid ingezet wordt om alle infrastructurele, technische en institutionele randvoorwaarden op orde te maken voor grootschalige toepassing van CO2-arme technieken.

    Vergelijking doelstellingen politieke partijen met PBL

    In onderstaande tabel heb ik de doelstellingen de verschillende partijen voor vermindering van de CO2 uitstoot opgenomen voor 2030 en 2050. Sommige partijen doelen daarbij op de CO2 emissie, andere op alle broeikasgassen. Ik heb niet alle partijprogramma’s hierop nagelopen, waar bekend heb ik het aangegeven.

    Doel (t.o.v. 1990) 2030 2050
    2 °C (met negatieve emissies) 37% 87%
    2 °C (zonder negatieve emissies) 40% 96%
    1,5 °C (met negatieve emissies) 47% >100%
    Basispad Nationale Energieverkenning 2016 24% (waarvan 12% CO2) Niet bekend
    PvdD 65%* 100%* (in 2040)
    ChristenUnie 55% Tenminste 85% voor 2050**
    GroenLinks Tenminste 55%* Tenminste 95%*
    PvdA Tenminste 55%* Tenminste 95%*
    D66 Tenminste 50% Tenminste 90%
    VVD 40% in EU verband 80-95% in EU verband
    CDA 40% in EU verband 80-95% in EU verband
    SP geen 100%
    DENK ? ?
    SGP ? ?
    Nieuwe Wegen ? ?
    Ondernemerspartij ? ?
    50Plus ? ?
    VNL ? ?
    Piraten Partij ? ?
    PVV ? ?
    Forum voor Democratie ? ?

    * betreft alle broeikasgassen
    ** De ChristenUnie zet in op een snelle en volledige energietransitie binnen één generatie. Dit heb ik opgevat als het binnen 30 jaar naar nul brengen van de CO2 emissies van energieverbruik. Volgens PBL is energieverbruik 85% van de CO2 emissies energiegerelateerd.

    Mocht ik doelstellingen over het hoofd hebben gezien in de analyses of doelstellingen van partijen verkeerd weergeven, vul ze dan gerust met bronvermelding aan in de reacties. Dan voeg ik ze toe.

    Dit bericht is eerder gepubliceerd op Sargasso.

  • Nieuwe baan bij Stratelligence

    Veel mensen met wie ik contact onderhield weten het al: ik vertrek bij de Tweede Kamerfractie van GroenLinks. De afgelopen anderhalf jaar heb ik met veel plezier en genoegen gewerkt als fractiemedewerker energie, klimaat en milieu. Soms komen er echter kansen voorbij die je niet kan laten lopen en in die categorie valt mijn nieuwe baan bij Stratelligence. Ik mag daar onder andere gaan werken met een model dat het verdienpotentieel van groene innovaties voor de Nederlandse economie kwantificeert, uitgaande van het brede welvaartsbegrip. Voor alle mensen die ik vergeten ben te mailen of informeren over mijn overstap: dank voor de geweldige samenwerking de afgelopen anderhalf jaar, zonder al jullie hulp en aanwijzingen was het niet gelukt!

    GroenLinks

    De afgelopen anderhalf jaar zijn mooie resultaten geboekt door de GroenLinks fractie, waarbij ik met trots en plezier terug kijk op mijn eigen (kleine) bijdrage hieraan. Een persoonlijk hoogtepunt was dat ook de VVD de GroenLinks motie over Nederland in de top 10 van de mondiale cleantech index steunde. Veel belangrijker was het voorbereiden van de vele debatten over klimaatverandering, dieselgate, veiligheid in kerncentrales, sluiting van kolencentrales, de herziening van de mijnbouwwet en gaswinning in Groningen. Dat laatste dossier vind en vond ik het meest aangrijpend. De telefoongesprekken en mailwisselingen met bewoners en actievoerders waren inspirerend, hoopvol (door het volhardende verzet), maar vooral emotioneel. Niet alleen door de ellende waarin veel Groningse gedupeerden zitten, maar vooral door de millimeter stapjes waarmee schadedossiers zich voortbewegen en het weinige wat ik voor gedupeerden kon betekenen. Het verhaal van de middelbare scholiere over de psychische impact van mijnbouwschade maakt grote indruk op mij, net als de trailer van De Stille beving.

    https://www.youtube.com/watch?v=KwzC3jX1Jfo

    Het diepte (of hoogtepunt?) in de discussie over de Groningse gaswinning vormde het aangenomen amendement, dat financiële ondersteuning biedt voor proefprocessen tegen NAM en/of EBN. Om een klein beetje terug te doen voor Groningers heb ik tien Eurocent overgemaakt aan de Groninger Bodembeweging voor iedere kuub aardgas die ik heb verbruikt sinds november 2010 en dat blijf ik doen tot ons huis eindelijk helemaal van gas af is.

    Wie wil begrijpen wat er aan de hand is in Groningen: kijk Zondag met Lubach over Gronings gas terug:

    201701_team_liesbeth
    ‘Team Liesbeth’

    De afgelopen maand heb ik me vooral bezig gehouden met (de inhoudelijke kant van) de Klimaatwet en de doorrekening van het verkiezingsprogramma door PBL. De Klimaatwet is afgelopen vrijdag gepresenteerd, samen met het plenaire debat over de ratificatie van de Overeenkomst van Parijs vormde dat een mooi slotstuk voor mijn werkzaamheden. Het werk aan de PBL doorrekening is inmiddels ook grotendeels afgerond, het is nu wachten op de resultaten die half februari worden gepresenteerd door PBL.

    Nieuwe baan

    Stratelligence is een consultancybureau, dat actief is in de sectoren water, energie en duurzaamheid, transport en infrastructuur, defensie en veiligheid, industrie en andere kapitaalintensieve sectoren. Stratelligence heeft veel expertise op het terrein van optieanalyse, adaptieve strategieën en omgaan met onzekerheid. Tevens hebben ze kennis van prestatiecontracten, innovatieve publiek-private samenwerkingsverbanden en strategisch advies. Bij het ontbreken van de juiste of volledige methodes ontwikkeld Stratelligence innovatieve aanpakken die ook bij onvolledige informatie richting kunnen geven of die volledig nieuw zijn voor de opdrachtgever of sector.

    Bij Stratelligence ga ik onder andere meewerken aan het verder ontwikkelen van een model dat het verdienpotentieel van groene innovaties kwantificeert. Hierbij kan ik de kennis uit mijn milieu-economische opleiding combineren met de opgedane werkervaring bij overheid, politiek en bedrijfsleven. Oftewel een mooie en zeer inhoudelijke functie, waar de hersenpan weer fors mag gaan kraken.

    Bij de klanten van Stratelligence werd ik in de nieuwjaarsgroet al geïntroduceerd:

    expert op het gebied van milieu, energie, klimaat en maatschappelijk verantwoord ondernemen. Hij studeerde Economie van Landbouw en Milieu, met als specialisatie milieu-economie. Krispijn is een verbinder en heeft zowel oog voor beleid als de uitwerking daarvan in de praktijk. Hierdoor is hij breed inzetbaar. Dit komt onder andere door zijn uitgebreide ervaring, zowel in de publieke als private sector, bij grote marktpartijen en een technische startup. Hij was Tweede Kamer fractiemedewerker energie, klimaat en milieu, adviseur maatschappelijk verantwoord en duurzaam ondernemen, senior adviseur veiligheid en MVO, beleidsmedewerker duurzaam ondernemen en werkzaam als beleidsmedewerker veilig ondernemen en milieu en economie bij het ministerie van Economische Zaken. Deze ervaring zorgt er ook voor dat Krispijn oog heeft voor (politieke) processen binnen en tussen organisaties. Bij Stratelligence zal hij zich bezighouden met vraagstukken rondom verduurzaming en duurzame ontwikkeling, groene groei, innovatie, luchtkwaliteit en energie.

    Voordat ik aan de slag ga bij Stratelligence ga ik genieten van 2 weken vakantie: kinderen van school halen, achterstallige klussen in huis doen, lokaal campagne voeren voor GroenLinks bij de Tweede Kamerverkiezingen en het op poten zetten van Energiek Schiedam. Daarnaast geeft het tijd om me grondig in te lezen in de modellen waarmee ik ga werken in m’n nieuwe baan.

    Ik heb erg veel zin in mijn nieuwe baan en kan nauwelijks wachten om aan de slag te gaan. Voor alle mensen die ik vergeten ben te mailen of informeren over mijn overstap: dank voor de geweldige samenwerking de afgelopen anderhalf jaar! Voor iedere stem voor de Klimaatwet in de Tweede Kamer koop ik een ton CO2 op en ook voor iedere zetel die GroenLinks bij de Tweede Kamerverkiezingen van 2017 haalt koop ik een ton CO2 op. Dus Kies Klimaat, stem GroenLinks 😉

  • EZ, Shell en ExxonMobil hebben geheime afspraak over gaswinning Groningen

    Shell en Exxon hebben in 2005 een geheime afspraak gemaakt met een hoge ambtenaar op het ministerie van Economische Zaken over het niveau van de gaswinning voor de lange termijn. Die afspraak is niet gedeeld met de Tweede Kamer. Dat blijkt uit documenten die de NOS heeft verkregen met een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur (Wob).

    Oud-directeur Jan de Jong van het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) geeft in een reactie aan niet op de hoogte te zijn van deze afspraken. Als toezichthouder is hij daar nooit in gekend. Ook de Tweede Kamer is niet geïnformeerd over nieuwe produktie-afspraken, concludeert De Jong.

    Ik weet dat omdat ik het nooit heb gezien. Het is er niet. En dat is natuurlijk heel vreemd.

    De Tweede Kamer heeft inmiddels om opheldering gevraagd en Milieudefensie pleit voor openbaarmaking van de contacten tussen NAM, Shell, ExxonMobil en de overheid.

    Open waanlink

    Dit bericht is eerder als open waanlink op Sargasso gepubliceerd.