Raad van State kritisch: klimaatplan volstaat niet voor behalen doelen klimaatwet

In juni presenteerde het Kabinet het Klimaatakkoord, waarin het klimaatbeleid tot 2030 vast wordt gelegd. Het Klimaatakkoord is bedoeld als het eerste Klimaatplan, zoals deze volgens de Klimaatwetten minste elke 5 jaar moet worden opgesteld door het kabinet. In de klimaatwet zijn de harde doelstellingen voor 2030 vervallen. Volgens de Afdeling advisering van de Raad van State geeft het eerste Klimaatplan van de regering blijk van een stevig klimaatbeleid. Maar volgens de Raad van State zijn, net als het Planbureau voor de Leefomgeving eerder al concludeerde, aanvullende maatregelen nodig om in 2030 een broeikasgasreductie van 49% te behalen.

Het uiteindelijke doel is een broeikasgasreductie van 95% in 2050. Dit vergt volgens de Raad van State een herordening van productie en consumptie in alle sectoren van de maatschappij en de economie, en niet een veelheid aan losse maatregelen. Het Klimaatplan geeft nog weinig blijk van dit besef.

Toetsing Klimaatplan door Raad van State

De Klimaatwet schrijft voor dat de Raad van State over het Klimaatplan wordt “gehoord”. De Klimaatwet is bijzonder: niet alleen zijn daarin klimaatdoelstellingen voor de regering vastgelegd, maar ook een kader voor beleidsontwikkeling, effectmeting en verantwoording door de regering. Dit beleidskader is voor alle betrokken partijen nieuw. Alle betrokken partijen – ook de Afdeling – moeten ervaring opdoen met hun nieuwe taak. De Afdeling is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur. De Afdeling advisering van de Raad van State heeft voor haar advies een toetsingskader opgesteld dat zij voor de beschouwing over het Klimaatplan heeft gehanteerd. Het toetsingskader bestaat uit vier hoofdonderwerpen. De vier hoofdonderwerpen zijn: klimaatdoelen, economische afwegingen, bestuur en uitvoering en juridische aspecten. Voor de onderwerpen doelrealisatie en economische afwegingen gaat de Afdeling uit van de onafhankelijke analyses en ramingen van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) en het Centraal Planbureau (CPB).

Realisatie van de klimaatdoelen

Het concept-Klimaatplan heeft betrekking op de periode tot en met 2030. Daarom richt de Afdeling zich in deze beschouwing – als startpunt – op de vraag of dit concept-Klimaatplan de maatregelen bevat die ertoe leiden dat het tussendoel van 49%-emissiereductie van broeikasgassen in 2030 ten opzichte van 1990 wordt bereikt. Daarnaast beschouwt de Afdeling de maatregelen in het concept-Klimaatplan ook in het licht van het realiseren van het doel van 95%-emissiereductie in 2050.

PBL heeft de effecten van het Klimaatakkoord doorgerekend en de resultaten daarvan gepubliceerd in de policy brief ‘Het Klimaatakkoord: effecten en aandachtspunten’. De studie geeft antwoord op de vraag of het doel van 49% emissiereductie bij uitvoering van het akkoord bereikt wordt. Ondanks het grotere effect t.o.v. het ontwerp klimaatakkoord is het antwoord op deze vraag negatief. De studie concludeert dan met het akkoord een reductie van 43% – 48% bereikt kan worden. Naast het kwantitatieve gedeelte biedt de policy brief enkele belangrijke aandachtspunten voor de uitvoeringsfase van het akkoord.

De ramingen van PBL voor 2030 laten ruime bandbreedtes zien van boven- en ondergrenzen, die het gevolg zijn van vormgevings- en gedragsonzekerheden van de maatregelen. In de onzekerheidsanalyse in de KEV 2019 zijn daarnaast de onzekerheden over omgevingsfactoren (omgevingsonzekerheden) meegenomen. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om de prijsontwikkeling van fossiele brandstoffen, economische ontwikkelingen, technologische ontwikkelingen en ontwikkelingen in het buitenland. Deze zijn van groot belang voor de uiteindelijke emissies in 2030. Dit betekent dat de emissies in 2030 met uitvoering van het Klimaatakkoord nog lager of hoger kunnen uitvallen dan de onder- en bovengrens van 43-49%.

Het PBL concludeert dat het 2030-klimaatdoel van 49%-reductie met het Klimaatakkoord naar verwachting niet wordt bereikt. Het akkoord leidt tot een emissiereductie van 43 – 48% ten opzichte van 1990. Verder concludeert het PBL onder meer dat het Klimaatakkoord zich sterk richt op 49%-emissiereductie in 2030 en nog weinig voorsorteert op verdergaande reductie in de periode daarna. Het Nederlandse klimaatdoel 2050 impliceert ook een enorme opgave in de periode 2030-2050, die, meer dan de opgave tot 2030, structurele aanpassingen zal vergen.

Daar komt bij dat Nederland voor de verdere reductie van broeikasgassen vooral is aangewezen op de reductie van CO2, terwijl juist dat tot nu toe – volgens de KEV 2019 – niet eenvoudig is gebleken. Uit de KEV 2019 blijkt dat de totale emissie van broeikasgassen in 2018 bijna 15% lager is dan in het referentiejaar 1990. Deze afname komt echter vooral voor rekening van de overige broeikasgassen methaan, lachgas en fluorhoudende gassen (F-gassen), waarvan de gezamenlijke emissies sinds 1990 met 52% zijn gedaald. (zie noot 6) In de KEV 2019 wordt de verwachting uitgesproken dat tot 2030 nog maar een beperkte verdere reductie van deze overige broeikasgassen wordt bereikt.

Het concept-Klimaatplan geeft volgens de Raad van State wel blijk van een stevig klimaatbeleid, dat naar verwachting tot een aanzienlijke emissiereductie van broeikasgassen leidt. Vanwege de urgentie van de klimaat- en energietransitie is het zaak om dit jaar het Klimaatplan vast te stellen en de uitvoering van het klimaatbeleid voortvarend en planmatig ter hand te nemen. Daarbij is speciale aandacht nodig voor maatregelen die onvoldoende uitgewerkt zijn, zoals de CO2 heffing.

Tegelijkertijd stelt de Raad van State dat het Kabinet aanvullende beleidsmaatregelen voor zou moeten bereiden om de 49% CO2 reductie in 2030 te bereiken en om het uiteindelijke, in de Klimaatwet verankerde, doel van 95% broeikasgasreductie in 2050 te bereiken. Een dergelijke, even noodzakelijke als enorme reductie vergt niet louter een veelheid aan losse maatregelen, maar herordening van productie en consumptie in alle sectoren van de maatschappij en economie. Het concept-Klimaatplan geeft onvoldoende blijk van dat besef en plaatst de maatregelen voor 2030 onvoldoende in het perspectief naar 2050.

Visie op 2050

Het behalen van deze lange termijn doelstelling vergt volgens de Raad van State dat Rutte de olifant waar met hoofdletters visie op staatonder ogen komt. De ontwikkeling van een visie met de benodigde structuurveranderingen voor de langere termijn richting 2050 vergen een grondige afweging. Een voor de hand liggende criterium daarbij is de  omvang van de uitstoot (in bijvoorbeeld een sector of subsector). Immers, daar waar de emissie van broeikasgassen het meest omvangrijk is, kan wellicht ook de grootste emissiereductie worden behaald. De Raad van State vraagt hierbij specifiek aandacht voor de grote omvang van de CO2 emissies in de transport- en mobiliteitssector. Ook in 2030 zullen de emissies van deze sector nog nauwelijks gedaald zijn ten opzichte van 1990. Terwijl de ontwikkelingen in de internationale scheepvaart en luchtvaart achterblijven, wat vraagt om aanvullende nationaal beleid (ook al tellen deze sectoren niet mee voor de Nederlandse CO2 uitstoot).

Bij kosteneffectiviteit als afweging spelen zowel de effectiviteit van een maatregel in termen van emissiereductie als de kosten van een maatregel een rol. Daar komt bij dat niet alleen naar iedere maatregel afzonderlijk zou moeten worden gekeken, maar ook naar de samenhang tussen verschillende maatregelen. Ook de samenhang tussen het diverse instrumentarium van klimaatbeleid en de keuze die daarin gemaakt wordt, is zeer relevant: beprijzing van de emissie van broeikasgassen, belastingen, subsidies en normering van gedrag. Aanvullend is ook technologiebeleid en beleid gericht op het verduurzamen van productieprocessen en consumptiepatronen nodig.

Het klimaatdoel voor 2050 vraagt om ingrijpende veranderingen van de structuur van de economie en om innovatie op systeemniveau. Het concept-Klimaatplan geeft nog te weinig blijk van een visie op de systeemvraagstukken in het licht van de doelen van 2050. De maatregelen in het huidige klimaatbeleid richten zich vooral op de aanpassing van productieprocessen, maar volgens de Raad van State is er meer nodig. Bijvoorbeeld nieuwe infrastructuur voor nieuwe energiebronnen, kennis ontwikkelen en basisinfrastructuur aan leggen voor onder meer de energie- en grondstoffenvoorziening gericht op de toekomst. De Raad van State vraagt in dit licht ook aandacht voor technologiebeleid gericht op systeeminnovatie.

Het concept-Klimaatplan besteedt volgens de Raad van State relatief weinig aandacht aan het aanpassen van consumptiepatronen, bijvoorbeeld op het gebied van voeding (minder vlees eten), mobiliteit (minder auto rijden) en energiegebruik. Voorlichting is daarbij belangrijk, maar dat is niet meer dan een eerste stap. Wenselijke consumptiepatronen van burgers, bedrijven en de overheid kunnen actief worden bevorderd, bijvoorbeeld door de overheid als consument via aanbestedingen door overheidsorganisaties. Bovendien kan meer gebruik worden gemaakt van beschikbare inzichten in (keuze)gedrag. Het beïnvloeden van consumentenkeuzes hangt bijvoorbeeld sterk samen met hoe keuzes worden gepresenteerd. Zonder te zeer inbreuk te maken op de keuzevrijheid van burgers kunnen hier kosteneffectieve stappen in de goede richting worden gezet. Gedragsverandering is daarbij niet alleen de verantwoordelijkheid van individuen, het moet ook mogelijk zijn en voldoende aantrekkelijk. Daar ligt een verantwoordelijkheid voor de overheid en voor bedrijven.

Draagvlak

Het behalen van het klimaatdoel voor 2030, maar zeker ook het doel voor 2050, vergt ingrijpende veranderingen in economie en samenleving. Het huidige Klimaatplan zou hierin meer inzicht moeten geven dan nu gebeurt. Daarbij is ook aandacht nodig voor wanneer welke maatregelen worden getroffen en hoe de uitvoering gaat verlopen.

Om deze veranderingen door te voeren is het opbouwen en versterken van het draagvlak in de samenleving cruciaal. Zo moet duidelijk worden gemaakt wat de baten van klimaat- en energietransitie zijn. Daarbij valt te denken aan de verbetering van milieu en natuur, bescherming van de gezondheid, maar ook het voorkomen en tegengaan van zowel overstromingen als droogte. De kosten moeten inzichtelijk zijn en kosten en baten moeten evenwichtig worden verdeeld. De economische effect op inkomens, lasten en groei is beperkt, maar voor lagere inkomens is de impact het grootst. De gevolgen voor de werkgelegenheid betreffen naar verwachting transitieproblemen.

In het licht van draagvlak zijn deze gevolgen van de transitie van belang. Koolstofintensieve sectoren zullen in de toekomst minder werkgelegenheid bieden. De transitie van werknemers in dergelijke sectoren naar nieuwe werkgelegenheid is, ook in het licht van toenemende schaarste aan arbeid (vergrijzing), aanleiding om veel aandacht te besteden aan bij- en omscholing. Draagvlak voor de transitie zal kunnen worden bevorderd door hier vroegtijdig over na te denken en tijdig te handelen.

Samenwerking en sturing

Voor succesvol klimaatbeleid is de inzet van de hele samenleving nodig: overheden, (markt)partijen en burgers. Daarvoor is samenwerking essentieel. Niet alleen tussen verschillende onderdelen van de samenleving, maar zeker ook binnen alle bestuurslagen van de overheid. De urgentie en complexiteit van klimaat- en energietransitie vraagt van de wetgever een ‘samenhangend pakket van wetgeving waarbinnen stevige sturing, samenwerking en coördinatie plaatsvindt’. Alleen dan kan de noodzakelijke broeikasgasreductie daadwerkelijk en op tijd worden gerealiseerd.

Conclusie

Nu zowel het advies van de Raad van State, PBL al CPB op het klimaatakkoord gepubliceerd is is duidelijk dat er nog steeds werk aan de winkel is voor het kabinet. Niet alleen om aanvullende beleidsmaatregelen voor te bereiden om 49% CO2 reductie in 2030 te halen en om een visie op het bereiken van de doelstelling voor 2050 te ontwikkelen. Veel belangrijker gaat het worden om buiten de standaard klimaatbeleidshoek aan de slag te gaan met een eerlijke verdeling van de baten en lasten van de noodzakelijke transitie. Daarbij gaat het zowel om verdeling van de financiële kosten, die nu vooral bij de lagere inkomens neer lijken te slaan, als om het werken aan draagvlak voor het benodigde klimaatbeleid en om het opstellen van plannen om werknemers in krimpende sectoren van werk naar werk te begeleiden.

Dit bericht is geschreven voor en gepubliceerd op Sargasso.

Rutte oefende druk uit om presentatie doorrekening klimaatakkoord uit te stellen

Premier Rutte heeft vorig jaar druk laten uitoefenen op het PBL en CPB om de publicatie van de analyse van het voorstel voor hoofdlijnen van het klimaatakkoord uit te stellen tot na Prinsjesdag. Dit blijkt uit stukken die het rijk heeft vrijgegeven na een WOB-verzoek van Nieuwsuur.

PBL wil uitkomsten publiceren voor Prinsjesdag

Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) en het Centraal Planbureau (CPB) wilden de bewuste doorrekeningen van het klimaatakkoord op 13 september 2018 naar buiten brengen. Een week voor Prinsjesdag en het belangrijkste debat van het jaar: de Algemene Politieke Beschouwingen. Wiebes, minister van Economische Zaken en Klimaat, en zijn ambtenaren waren hiervan op de hoogte. Wiebes was eind augustus ook op de hoogte gebracht van de eerste indrukken van de doorrekening door PBL. Het ministerie van Economische Zaken en Klimaat was voorstander van publicatie uit angst voor lekken en omdat bij uitstel van publicatie de indruk zou kunnen bestaan dat de resultaten van de doorrekening onder de pet gehouden zouden worden. Formeel hadden de departementen ook geen invloed op het moment van publicatie, omdat zij niet de opdrachtgever van het onderzoek waren. Dat was Ed Nijpels als voorzitter van de klimaattafels. Wiebes is er vooraf door zijn ambtenaren op gewezen dat uitstel van publicatie een ongebruikelijke ingreep van het ministerie vergde.

Premier Rutte oefent drukt uit om publicatie uit te stellen

In een mail schrijft de raadsadviseur van het ministerie van Algemene Zaken aan het ministerie van Economische Zaken dat Rutte tegen publicatie van de doorrekening voor Prinsjesdag is (pagina 37 van de pdf met vrijgegeven documenten):

De doorrekening (en daarmee de appreciatie) wordt dan gespreksonderwerp op het APB (Algemene Politieke Beschouwingen) en dat is onwenselijk. MP (Minister President) wil vasthouden aan de procesafspraken in de MR (Ministerraad) van 24/8.

Uit de stukken is niet te halen of premier Rutte, net als Wiebes, op de hoogte was van de eerste indrukken van de doorrekening. Ed Nijpels, de voorzitter van de klimaattafels, reageert op 3 september uiterst stekelig op het verzoek van EZK om publicatie uit te stellen. Op 6 september constateert Sandor Gaastra, momenteel Directeur Generaal Klimaat en Energie bij het ministerie van Economische Zaken en Klimaat, echter dat er een kleine opening is doordat Ed Nijpels heeft gevraagd om de departementen en tafelvoorzitters de tijd te geven om tussen 13 en 17 september de volledige analyse in te zien en om op de volledige analyse te kunnen reageren.

Vervolg

Verschillende Kamerfracties hadden gevraagd om publicatie van de doorrekening van het PBL voorafgaand aan Prinsjesdag en de Algemene Politieke Beschouwingen. Zowel Forum voor Democratie, PvdA en GroenLinks wilden opheldering over de rol van premier Rutte. Volledig begrijpelijk en terecht, klimaatbeleid gaat de komende decennia grote invloed hebben op het beleid. De meest logische plek om dat debat te voeren is niet in commissievergaderingen, maar juist in de plenaire zaal van de Tweede Kamer bij het belangrijkste debat van het jaar over de toekomstplannen van het Kabinet.

Dit bericht is geschreven voor en gepubliceerd op Sargasso.

De doorgerekende draai van Rutte III over verdeling klimaatkosten

Vorige presenteerde het CPB en PBL hun doorrekening van het ontwerp klimaatakkoord. De conclusie van het PBL is dat de doelstelling om de CO2 uitstoot met 49% te reduceren waarschijnlijk niet wordt gehaald. Het CPB concludeerde dat met name de lage en de middeninkomens de lasten van het energie- en klimaatbeleid (inclusief het ontwerp klimaatakkoord) dragen. Het kabinet was er als de kippen bij om maatregelen aan te kondigen ter verzachting van de pijn, waarbij lasten van burgers naar bedrijven worden geschoven.

Doorrekening PBL

De conclusie van de doorrekening van PBL is dat de verwachte afname van de uitstoot van broeikasgassen in 2030 31 – 52 megaton CO2-equivalenten bedraagt. De opgave bedraag 48,7 megaton (49% ten opzichte van 1990). Dit valt net binnen de bandbreedte, maar wordt waarschijnlijk niet gehaald. Het ontwerpakkoord kan volgens het PBL leiden tot grote stappen in de energietransitie, maar er is nog veel werk aan de winkel: er moeten (politieke) keuzes gemaakt worden waarmee onzekerheden over het precieze effect van de voorgestelde maatregelen afnemen. De nationale kosten van deze voorstellen in 2030 vallen met 1,6 – 1,9 miljard euro nu lager uit dan geraamd op basis van het hoofdlijnenakkoord in 2018.

De grootste reductie (18,3 – 21,0 Mton) wordt bereikt in de elektriciteitssector. Het doel was hier een reductie van 20,2 Mton. De sterke toename van hernieuwbaar opgewekte elektriciteit zorgt er mogelijk voor dat Nederland in 2030 netto-exporteur van elektriciteit is en ook bijdraagt aan vermindering van emissies in het buitenland. Het einde van kolenstook en ondersteuning van wind- en zonne-energie zorgt ervoor dat in 2030 zo’n driekwart van de elektriciteitsproductie hernieuwbaar is.

De sector met daarna de grootste reductie is de industrie(6,0 – 13,9 Mton), waar naar verwachting het doel (14,3 Mton) niet wordt gehaald. De grote bandbreedte wordt veroorzaakt door onzekerheden over de bonus-malus regeling, waarvan PBL twijfelt of deze het gewenste effect gaat hebben.

Ook in de mobiliteit is er met 4,2 – 8,0 (doel 7,3 Mton) sprake van een forse emissiereductie. De bandbreedte komt hier door onzekerheid over de snelheid waarmee het aantal elektrische personenauto’s in Nederland zal toenemen, de mate van inzet van biobrandstoffen en de omvang van stedelijke zones voor zero-emissies van het goederenvervoer.

De aanpak in de landbouwsector(1,8 – 4,6 Mton reductie) is gelijk verdeeld over een reductie van overige broeikasgassen in de veeteelt en vernieuwing van de glastuinbouw; de reductie door ander landgebruik is minder. In de gebouwde omgeving (reductie 0,8 – 3,7 Mton) staat onzekerheid over het succes van de wijkaanpak centraal. De normering in de utiliteitsbouw kan naast de wijkaanpak ook tot forse emissiereductie leiden.

Doorrekening CPB

Uit de doorrekening van het CPB komt naar voren dat met name de lage en de middeninkomens zijn die er door het klimaatakkoord op achteruitgaan, terwijl de achteruitgang in koopdracht door het totale klimaat en energiebeleid ook al steviger aankomt bij lagere inkomens. Het CPB hanteert, net als het PBL, bandbreedtes voor de verwachte effecten.

Het totale inkomenseffect bestaat deels uit maatregelen die burgers direct raken en deels uit afwenteling van kosten door bedrijven. De afbeelding laat zien dat huishoudens een groot deel van de afwenteling door bedrijven opvangen door gedragseffecten, bijvoorbeeld door schonere producten te kiezen.

Reactie op doorrekening PBL en CPB

In de eerste reacties op de doorrekening van PBL en CPB lag de focus op het feit dat de doelen voor 2030 waarschijnlijk niet gehaald zouden worden en dat huishoudens, met name de lagere en modale inkomens, er in koopkracht op achteruit zouden gaan. In sommige gevallen zelfs 3 tot 4%. Deze reacties verstomde echter al snel toen het kabinet met een snelle reactie bleek te komen.

Kabinetsreactie op doorrekening

Het kabinet was vlot met reageren op de doorrekening. In deze reactie gaf het kabinet aan om dat ze de komende weken tot een definitief pakket aan maatregelen te komen. In dat definitieve pakket zal klimaatakkoord op vijf punten worden bijgesteld. Op de eerste plaats zal in ieder geval de verdeling van kosten tussen burger en bedrijfsleven aangepast worden. Dit gebeurt door de opslag duurzame energie (ODE) vanaf 2020 voor grootverbruikers te verhogen, waarbij de verhouding tussen huishoudens en bedrijven 1/3 – 2/3 wordt in plaats van de huidige 50-50. Of deze verhouding ook bij de energiebelasting wordt aangepast laat de brief in het midden.

Op de tweede plaats gaat de bonus-malus regeling voor bedrijven bij het grofvuil en komt er een ‘verstandige en objectieve’ CO2 heffing voor bedrijven. Hoe deze er uit komt te zien is onduidelijk. Op de derde plaats zal het kabinet elektrische auto’s minder ondersteunen van voorgesteld en meer inzetten op het ontwikkelen van de tweedehandsmarkt voor elektrische auto’s. Als gevolg hiervan hoeven de kosten van brandstofauto’s minder te stijgen. Op de vierde plaats zal het kabinet meer geld vrijmaken voor de extra CO2 reductie die de landbouwsector wil realiseren. Op de vijfde plaats gaat het kabinet de inzet van CO2 afvang en opslag (CCS) beperken.

Met deze reactie kunnen de koopkrachtplaatjes van het CPB meteen bij het grofvuil, die zijn achterhaald.

Reactie op kabinetsreactie

De Telegraaf was een van de eerste die de kabinetsreactie om de verdeling van kosten tussen burgers en bedrijven aan een plotse ommezwaai van een kabinet in ‘ nauw noemde. Een begrijpelijke reactie van de Telegraaf gelet op de snelheid van reageren, aangezien Sargasso eerder liet zien dat geen van de coalitiepartijen sinds het aantreden van Rutte III voor zo’n verschuiving heeft gestemd. De volledige coalitie en GroenLinks stemde vorig jaar tegen het SP/PvdD amendement dat het dichtst in de buurt komt van de in de kabinetsreactie aangekondigde verschuiving van de opslag duurzame energie van burgers naar bedrijven. De SP en PvdD stelde vorig jaar een verdeling van 20/80 tussen huishoudens en bedrijven voor.

De tarieven voor de ODE zijn vooralsnog overigens een stuk lager dan de tarieven voor de energiebelasting. Bij het verschuiven van de verdeling van de energiebelasting wordt echter vaak als argument in de strijd geworpen dat het bedrijfsleven al een CO2 prijs betaalt via het Europese emissiehandelssysteem voor CO2 (ETS). Dat is een van de reden dat verschillende partijen al langer pleiten voor een CO2 heffing, al dan niet in de vorm van een bodemprijs. Waarbij er nog verschillende smaken zijn, bijvoorbeeld enkel gericht op bedrijven die niet onder ETS vallen, enkel gericht op de energiesector of gericht op alle bedrijven en sectoren. De prijs voor CO2 in het ETS systeem ligt momenteel rond de € 22,50 per ton CO2.

Ontwikkeling CO2 prijs, bron Finanzen.nl

Voor bedrijven die en onder ETS vallen en energiebelasting betalen zijn de kosten per ton CO2 een stuk lager dan voor huishoudens. Dat is duidelijk te zien in onderstaande tabel, waarbij de energiebelastingtarieven omgerekend zijn naar de corresponderende CO2 prijs in Euro per ton CO2, alle bedragen zijn inclusief 21% BTW. De bedragen hieronder wijken af van de getallen van Han Blok, omdat ik de opslag duurzame energie buiten beschouwing heb gelaten en uitgegaan ben van andere CO2 emissiefactoren.

ElektriciteitGasGrijze stroom (0,649 kg CO2/kWh)Aardgas (1,890 kg CO2/m3)
0 t/m 10.000 kWh0-170.000 m³€ 184€ 188
10.001 t/m
50.000 kWh
170.001
t/m
1 miljoen
€ 100€ 42
50.001 t/m
10 miljoen kWh
meer
dan 1
miljoen
t/m 10
miljoen
€ 26€ 15
meer dan 10
miljoen kWh
meer
dan 10
miljoen
€ 1€ 8

Tel bij de bedragen in bovenstaande tabel de kosten per ton CO2 uit het ETS en het is duidelijk dat huishoudens nog steeds een stuk meer betalen. De invoer van een CO2 heffing kan dan ook bijdragen  aan een eerlijkere verdeling van de kosten van klimaatbeleid tussen bedrijven en huishoudens. Zelfs als bedrijven in 80% van de gevallen de kosten van zo’n CO2 heffing doorberekenen aan klanten, want het CPB geeft aan dat huishoudens deze prijsstijgingen door gedragsaanpassingen ontlopen. Bedrijven die hun omzet willen behouden zullen hun CO2 uitstoot verminderen, bv door energiebesparing of door over te schakelen van gas op elektriciteit.

CPB: afwenteling van kosten door bedrijven wordt grotendeels te niet gedaan door gedragseffecten van huishoudens.

Het kabinet kan bedrijven daarvoor op verschillende manieren de tijd en kans geven. Een eerste is om de CO2 heffing als een jaarlijks oplopende bodemprijs in te voeren. De CO2 heffing gaat dan pas geld kosten op het moment dat de prijs per ton CO2 in het emissiehandelssysteem onder de de bodemprijs komt te liggen, terwijl bedrijven voor hun investeringen wel een vaststaand prijspad zien. Het kabinet zou bijvoorbeeld kunnen starten met een bodemprijs van € 10 / ton CO2 in 2020 en deze jaarlijks € 10 / ton op laten lopen tot 2030. Bij de huidige ETS prijs krijgen bedrijven pas in 2022 last van de bodemprijs, terwijl de bodemprijs al wel vanaf 2020 de investeringsbeslissingen gaat beïnvloeden. Bij deze variant is de CO2 prijs in 2030 nog niet op het niveau van huishoudens, dus als burger wil ik nog steeds graag de kans om mee te doen aan ETS. Het aanschaffen van CO2 rechten is namelijk vele malen goedkoper dan de huidige energiebelasting op elektriciteit en gas.

Een andere optie is om de verschillende varianten van de CO2 heffing uit de doorrekening van de verkiezingsprogramma’s van 2017 te bekijken en daaruit de versie te kiezen met het meeste effect op de CO2 emissie en de minste nadelige gevolgen voor de concurrentiepositie.

Afsluitend

Veel commentaren die ik de afgelopen dagen heb gelezen zien de draai van Rutte III met betrekking tot de verdeling van de kosten van het klimaatbeleid tussen burgers en bedrijfsleven als een overwinning voor GroenLinks. Jesse Klaver heeft ook positief gereageerd op deze draai. De gepresenteerde voorstellen passen echter ook prima bij SGP (meer geld voor landbouw), of SP en PvdA (verschuiven van lasten van bedrijfsleven naar burger).  Ook de uitlatingen van Sybrand Buma, CDA, in het AD dat GroenLinks hooguit derde keus is geven aan dat het maar de vraag is of GroenLinks de daadwerkelijke gedoogpartner gaat worden na de verkiezing van een nieuwe Eerste Kamer door de nieuwe leden van Provinciale Staten.

Een ander risico van de kabinetsreactie is dat de details pas in april naar buiten komen en dat de voorstellen pas op z’n vroegst in 2020 doorgevoerd worden. De kans bestaat nog steeds dat de reparatie enkel de verhoging van de energierekening van 2019 compenseert. Of dat de ODE voor huishoudens enkel minder hard stijgt, omdat deze de komende jaren sowieso op gaat lopen doordat er meer projecten die SDE+ hebben ontvangen energie gaan produceren en omdat via de SDE++ ook subsidie aan industriële projecten voor CO2 reductie gegeven kan gaan worden. Bij dat laatste kan het ook gaan om kostbare projecten, zoals CO2 afvang en opslag of overschakelen van gas naar elektrische productieprocessen.

Wat het kabinet wel slim heeft gedaan is dat met de snelle reactie niet alleen een handreiking is gedaan naar PvdA, SP, SGP en GroenLinks, maar ook dat de aandacht over het waarschijnlijk niet halen van de doelstelling voor 2030 volledig weg is. De discussie over de haalbaarheid van de doelen zien we ongetwijfeld over een jaar terugkeren, wanneer de regio’s aan moeten geven welke bijdrage zij gaan leveren aan het nationale klimaatakkoord ten aanzien van duurzame elektriciteit en gebouwde omgeving.

Dit bericht is geschreven voor en gepubliceerd op Sargasso.

Plannen Klimaatakkoord te vaag voor doorrekening

De plannen voor het Klimaatakkoord zijn nog te vaag om door te rekenen. In de zomer waarin de tuinen verdorden en landbouwgewassen verschrompelden vanwege de hitte, probeerden medewerkers van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) en het Centraal Planbureau (CPB) de effecten van de voorstellen door te rekenen, maar dat bleek bij veel plannen nog niet mogelijk.

PBL en CPB komen daarom vrijdag met een ‘analyse’, in plaats van de eerder aangekondigde doorrekening. “PBL heeft geanalyseerd wat de effecten zijn van de voorstellen en waar mogelijk een inschatting gemaakt van de kosten”, zo staat in de uitnodiging voor de presentatie aanstaande vrijdag.

Het goede nieuws is dat halvering van de CO2 uitstoot in 2030 wel haalbaar is, mits de plannen beter uitgewerkt worden. De analyse van de planbureaus maakt ook duidelijk dat er keuzes gemaakt moeten worden over wijzigingen in de belasting en over steun aan de industrie. Zaken die zacht gezegd gevoelig lagen tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen.

Open waanlink

Dit bericht is oorspronkelijk gepubliceerd op Sargasso.

GeenStijl zakt voor rekentoets

Vandaag publiceerde GeenStijl een bericht dat GroenLinks zou liegen over de lastenverzwaring voor burgers. Er valt een hoop af te dingen op het stuk, maar laat ik beginnen met deze passage over het bedrag per huishouden:

8 miljard is bijna 500 euro per Nederlander per jaar, inclusief baby’s en bejaarden. Zeg maar gerust 2000 euro per belastingbetalend huishouden, en dat per jaar. Ofwel: GroenLinks kost u bijna een netto modaal maandsalaris per jaar.

GroenLinks verhoogt inderdaad de uitgaven aan de SDE+ met 8 miljard jaar in 2030 ten opzichte van het basispad van PBL, en die verzwaring vind inderdaad grotendeels na de komende kabinetsperiode. Laten we eerst eens kijken naar wat dit werkelijk doet met de gemiddelde energierekening. Te beginnen met de statistieken en de bronbestanden. Ik sluit stiekem af.

Energieverbruik gemiddeld gezin en hoogte opslag duurzame energie

Volgens Milieucentraal verbruikt een gemiddeld gezin in Nederland 3.300 kilowattuur elektriciteit en 1.500 kubieke meter gas per jaar.

In onderstaande tabel staat de opslag duurzame energie (ODE) per kubieke meter gas en per kilowattuur elektriciteitsverbruik. Voor GroenLinks is het tarief genoemd in 2030, zoals genoemd in de doorrekening van PBL (tabel 8.3, pfd), bij het basispad gaat het om het tarief in 2023. Ik meen me te herinneren dat PBL ook de tarieven van de ODE in 2030 gemeld heeft, maar die kom ik niet tegen in openbare stukken. Voor de hoogte van de ODE in 2023 baseer ik me daarom op de Nota naar aanleiding van verslag van Wet opslag duurzame energie in verband met vaststelling tarieven voor 2017. Ook staat in de tabel de gemiddelde energiebesparing die in 2030 gehaald wordt t.o.v. het huidig verbruik.

 Wat Basispad (2023) GroenLinks Eenheid
ODE gas 0,058 0,176 Euro/m3
ODE elektriciteit 0,023 0,109 Euro/kWh
Energiebesparing in 2030 20%

Aantal inwoners en huishoudens

GeenStijl gaat uit van 16 miljoen inwoners (8 miljard gedeeld door 500) en een gemiddelde omvang per huishouden van 4 personen (2000 gedeeld 500). Een factcheck op deze cijfers bij CBS levert onderstaande gegevens op voor 2016.

Aantal inwoners en huishoudens volgens CBS (stand 2016) en GeenStijl.

CBS GS
Aantal inwoners 16.979.120 16.000.000
Aantal huishoudens 7.720.787 4.000.000

Ik snap dat het kniesoren is, maar als je factchecked zorg dan dat je zelf je feiten op orde hebt… Dat GeenStijl een miljoen inwoners niet meetelt op een totaal van 17 miljoen is tot daaraantoe, maar 3,7 miljoen huishoudens buiten beschouwing laten op een totaal van 7,7 vind ik wat te gortig.

Tarieven Opslag Duurzame Energie GeenStijl

Naar aanleiding van commentaar op twitter dat de  berekeningen lastig te volgen zijn een simpelere berekening. Hoe hoog is het tarief voor de opslag duurzame energie in het basispad, hoe hoog is het bij GroenLinks en hoe hoog zouden ze moeten zijn om per gezin 2.000 Euro extra kwijt te zijn ten opzichte van het basispad van het PBL. Zie hieronder het resultaat, waarbij geen rekening is gehouden met 20% energiebesparing:

Tarief Hoeveelheid Basispad GL GS
Gas 1500 €0.058 €0.176 €0.610
Elektriciteit 3300 €0.023 €0.109 €0.378
Kosten per gezin €162.90 €623.70 €2,162.90
Extra kosten per gezin t.o.v. basispad €460.80 €2,000.00

Als rekening gehouden wordt met de 20% energiebesparing die GroenLinks bereikt in 2030 nemen de verschillen tussen wat GeenStijl berekent en waar PBL voor GroenLinks op uitkomt enkel maar toe. Terwijl de extra kosten per gezin bij GroenLinks dalen (want minder gas- en elektriciteitsverbruik):

Tarief Hoeveelheid Basispad GL GS
Gas 1200 €0.058 €0.176 €0.763
Elektriciteit 2640 €0.023 €0.109 €0.472
Kosten per gezin €163 €499 €2,163
Extra kosten per gezin t.o.v. basispad €336 €2,000

De energierekening

Dan nu de energierekening. Eerst maar eens de hoeveelheden. Op basis van Milieucentraal kom ik uit op een verbruik van 1500 m3 gas jaar en 3300 kWh elektriciteit per jaar voor een gemiddeld huishouden. Onder de aanname dat de energiebesparing van GroenLinks gelijkelijk verdeeld is over alle sectoren, daalt het energieverbruik in 2030 met 20% t.o.v. het basispad. Ik heb deze gelijkelijk verdeeld over gas en elektriciteit, al verwacht ik dat het gasverbruik harder zal dalen.

Dan de energieverbruiken waar GeenStijl mee rekent. Om uit te komen op de 500 Euro hogere kosten per persoon (bij 16 miljoen inwoners) t.o.v. het basispad die GeenStijl noemt kom ik met de tarieven uit tabel 8.3 van de doorrekening uit op een energieverbruik per huishouden van 6510 m3 gas en 14.322 kWh elektriciteit (er van uitgaande dat het energieverbruik in 2030 van Geenstijl gelijk is aan het energieverbruik dat ze nu als gemiddeld energieverbruik hanteren). GeenStijl gaat in haar berekening dus uit van een energieverbruik dat ruim 4 keer zo hoog ligt als een gemiddeld huishouden. Lijkt me zelfs voor de niet zo milieubewuste achterban van GeenStijl wat veel… Al is het minder dan waar ik op Twitter op uit kwam. Ook ik maak wel eens een rekenfout, zeker in een vertraagde trein, dus reken mijn cijfers gerust na).

Verbruik Basispad GL excl. besparing GL incl. besparing Basispad GS GS GL
Gas (m3/jaar) 1500 1500 1200 6510 6510
Elektriciteit (kWh/jaar) 3300 3300 2640 14322 14322

De hogere tarieven voor de ODE hebben de volgende effecten op de energierekening:

Extra kosten Basispad GL excl. besparing GL incl. besparing Basispad GS GS GL
Gas €87 €264 €211 €378 €1,146
Elektriciteit €76 €360 €288 €329 €1,561
Totaal €163 €624 €499 €707 €2,707
Verschil t.o.v. basipad €0 €461 €336 €544 €2,544

Zoals te verwachten is heeft de verhoging van de ODE effect op de energierekening in 2030. Voor een gemiddeld huishouden gaat het om €461 per jaar, als rekening wordt gehouden met het effect van energiebesparing wordt dat €336. Heel andere bedragen dan de 2.000 Euro per huishouden van GeenStijl, die alleen al door hun enorme inschattingsfout van het energieverbruik per huishouden er meer dan 500 Euro naast zitten voor het basispad…

Een derde fout die GeenStijl maakt is dat ze enkel kijken naar huishoudens. Alleen verhoogt GroenLinks niet alleen de ODE heffing, maar vervlakt ze ook de tarieven (GL_12 en GL_13, pagina 111 van de doorrekening). Van de 8 miljard extra kosten komt daardoor 44% bij huishoudens terecht, en als rekening gehouden wordt met energiebesparing slechts 32%. Per persoon is de verhoging van de energierekening Euro 210 per jaar, of 153 als rekening gehouden wordt met energiebesparing. Dat is minder dan de helft van het bedrag dat GeenStijl noemt.

GL excl. besparing GL incl. besparing GS GL Verschil
Extra kosten SDE+ €8 mljrd €8 mljrd €8 mljrd €0
Waarvan huishoudens €3,6 mljrd €2,6 mljrd €8 mljrd €4,4 mljrd
Per persoon €210 €153 €500 €290
Per huishouden €461 €336 €2,000 €1,539
Aandeel huishoudens 44% 32% 100%

In bovenstaande berekening is geen rekening gehouden met het verlagende effect dat duurzame energie kan hebben op de groothandelsprijs, of met een snellere prijsdaling van duurzame energietechnologie of energieopslag dan PBL voorziet.

Alternatieve berekening energieverbruik GeenStijl

Je kan het energieverbruik waarmee GeenStijl heeft gerekend ook bepalen door uit te gaan van een stijging van 2.000 Euro per GeenStijl gezin ten opzichte van het basispad van PBL. Het gasverbruik wordt dan 5.200 m3 per jaar en het elektriciteitsverbruik ruim 11 duizend kWh, tegen 1500 m3 gas nu en 3300 kWh. Dat is nog steeds bijna 2,5 keer zo veel als het huidige energieverbruik per huishouden. In combinatie met een energiebesparing in 2030 van 20% niet zo heel realistisch.

De energierekening per huishouden komt er dan als volgt uit te zien:

Verschil tov basispad PBL GL excl. besparing GL incl. besparing GS PBL basispad GS GL
Extra kosten SDE+ €8 mljrd €8 mljrd €8 mljrd €8 mljrd
Waarvan huishoudens €3,6 mljrd €2,6 mljrd €3,1 mljrd €8 mljrd
Per persoon €210 €153 €183 €500
Per huishouden €461 €336 €402 €2,000
Aandeel huishoudens 44% 32% 39% 100%

Nog steeds een fors verschil met de berekening van PBL. Alleen al het verschil in basispad is hoger dan de stijging van de energierekening in 2030 bij GroenLinks,

Waarom pas na 2021 verhogen?

GroenLinks heeft bij het PBL een oplopende uitgaven tempo voor de SDE+ ingeleverd, waarbij we voor het gemak een lineaire ophoging naar maximaal 8 miljard Euro bovenop het basispad hadden voorgesteld tot 2030. Een voorlichter van het PBL hierover tegen de Volkskrant:

De ODE-heffing levert geld op voor subsidies, maar projecten krijgen die pas als energie wordt opgewekt. En voordat, bijvoorbeeld, een windmolenpark draaiende is en subsidie kan krijgen, ben je snel vier jaar verder.’

De heffing pas verhogen na 2020 is dus niet stiekum, maar je neerleggen bij het oordeel van de rekenmeesters van PBL, zoals ook De Volkskrant concludeert.

Mijn conclusie

GeenStijl heeft zijn statistieken niet op orde. Of het nu gaat om het energieverbruik per huishouden of het aantal huishoudens, in beide zit een forse afwijking van de officiële cijfers van CBS en Milieucentraal. Ook heeft GeenStijl enkel gekeken naar effect op ODE voor huishoudens, zonder te kijken naar de daadwerkelijke ODE tarieven die in de doorrekening van PBL staan. GeenStijl heeft ook niet de moeite genomen om PBL of CPB te benaderen met de vraag of zij een verklaring hebben voor de ophoging van de ODE na 2021, wat de Volkskrant wel heeft gedaan.

De spreadsheet met mijn berekeningen vind je hier.