Categorie: Sargasso

  • Professor maakt gehakt van argumentatie tegen verbod varend ontgassen

    Eerder schreef ik over het onderzoeksrapport ‘Floating Degassing in the Netherlands: Rights and Obligations under International Law.‘Dat professor Arcuri en phd-kandidaat Errol, beide van Erasmus School of Law, schreven met ondersteuning van The Erasmus Initiative ‘Dynamics of Inclusive Prosperity’. Ook heb ik aandacht besteed aan de reactie van minister Harbers, waarin hij uitlegde dat een nationaal verbod niet zou kunnen. Dinsdag publiceerde professor Arcuri een open brief aan de minister, waarin ze de argumenten van de minister weerlegt. Reden voor de Tweede Kamer om de stemmingen over de moties over varend ontgassen uit te stellen. Uit de wandelgangen hoort Sargasso dat er mogelijk een technische briefing georganiseerd gaat worden met professor Arcuri, zodat Tweede Kamerleden zich kunnen laten informeren over de (on)mogelijkheden van een nationaal verbod.

    Brief professor Arcuri

    In de open brief gaan Arcuri en Erol in op de drie argumenten die minister Harbers noemt als oorzaak om geen nationaal ontgasverbod in te kunnen of hoeven stellen. Op de eerste plaats hanteerde minister Harbers het argument dat artikel 18 van het Verdrag van Wenen inzake Verdragenrecht. Op de tweede plaats noemde de minister praktische bezwaren en ten derde beargumenteerde de minister dat de Nederlandse staat voldoet aan zijn mensenrechten verplichtingen door zich internationaal in te zetten voor een verbod op varend ontgassen.

    Verdrag van Wenen inzake verdragenrecht

    Op p. 2 van de brief geeft de minister een concrete motivering waarom specifieke bepalingen van internationale verdragen worden gezien als een belemmering voor de Nederlandse regering om  maatregelen te nemen tegen varend ontgassen. De minister stelt in zijn brief dat Nederland geen nationale wetgeving kan aannemen om ontgassen te verbieden  vanwege artikel 18 van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht (VCLT). Dit artikel luidt als volgt:

    Artikel 18. Verplichting voorwerp en doel van een verdrag niet ongedaan te maken alvorens zijn inwerkingtreding

    Een Staat moet zich onthouden van handelingen die een verdrag zijn voorwerp en zijn doel zouden ontnemen, indien:

    • a) hij het verdrag heeft ondertekend of de akten die het verdrag vormen heeft uitgewisseld onder voorbehoud van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring, totdat hij zijn bedoeling geen partij te willen worden bij het verdrag kenbaar heeft gemaakt; of
    • b) hij zijn instemming door het verdrag gebonden te worden tot uitdrukking heeft gebracht in de periode die aan de inwerkingtreding van het verdrag voorafgaat op voorwaarde dat deze inwerkingtreding niet onnodig wordt vertraagd.

    De minister betoogt dat de plicht tot het instellen van de infrastructuur voor verantwoord ontgassen, vastgelegd in het Verdrag, impliceert dat een nationaal verbod zonder de oprichting van een dergelijke installatie in strijd zou zijn met de bepalingen uit het verdrag:

    Omdat de oplossing voor het aanleggen van ontgassingsinstallaties is opgenomen in dit verdrag, zou een nationale beperking zonder het aanleggen van ontgassingsinstallaties in strijd zijn met de bepalingen uit het
    verdrag.

    Deze redenering is volgens Arcuri en Erol echter twijfelachtig. Artikel 5.02 van de 2017 Wijzigingen van het CDNI bepaalt:

    De Verdragsluitende Staten verplichten zich ertoe om infrastructurele en andere voorzieningen voor de afgifte en inname van restlading, overslagresten, ladingrestanten, waswater en dampen tot stand te brengen dan wel te laten brengen.

    Dit is een positieve verplichting, wat inhoudt dat de staat verplicht is iets te doen. Niets in het verdrag belet de Nederlandse staat om deze infrastructuur al te realiseren. De redenering van de minister zou deugdelijk zijn als de bepaling zou zijn geformuleerd als een negatieve verplichting, dat wil zeggen een verplichting iets niet te doen. Het artikel had bijvoorbeeld kunnen luiden:

    De Verdragsluitende Staten verbinden zich er niet toe de infrastructuur op te zetten of te laten opzetten vóór het
    verdrag is in werking getreden.

    Nergens in het verdrag kan echter zo’n negatieve verplichting gevonden worden. Dit betekent dat, mocht de Nederlandse staat dat willen, nu al kan worden begonnen met het opbouwen van een dergelijke infrastructuur. Evenzo is er in het verdrag geen
    verplichting om varend ontgassen niet te verbieden of varend ontgassen niet door te voeren in nationale regelgeving voordat het verdrag in werking treedt. Het verdrag stelt een algemene en onvoorwaardelijke verplichting om varend ontgassen te verbieden. Nederland kan varend ontgassen dus verbieden voordat het verdrag in werking treedt.

    Sterker nog, als art. 18 VCLT überhaupt moet worden ingeroepen, kan het zijn om het tegenovergestelde te beweren. In dit verband moeten we opmerken dat een van de belangrijkste doelstellingen van het CDNI verdrag de bescherming van het milieu is. Er is onderhandeld over de CDNI-amendementen van 2017 om dit doel te realiseren. De onderhandelingen waren succesvol en consensus tussen de Overeenkomstsluitende partijen over inhoudelijke wijzigingen zijn bereikt. In 2017 heeft de CDNI Wijzigingen zijn aangenomen door de Conferentie van de Verdragsluitende Partijen. Dit draagt er getuige van dat een internationaal gecoördineerde oplossing voor varend ontgassen bestaat. Het is dan moeilijk te begrijpen hoe het doel en doel van de amendementen van 2017, dat is om het milieu te beschermen door een verbod op varend ontgassen uit te vaardigen, kan worden overtreden door een daarop gerichte binnenlandse regeling.

    In de brief van het ministerie staat verder dat het verboden zou zijn ‘het verdrag voorlopig toepassen’. In het rapport Floating Degassing in the Netherlands: Rights and Obligations under International Law hebben Arcuri en Erol echter al aangetoond dat staten het recht hebben om varend gassen te reguleren om andere redenen dan de veiligheid tijdens de navigatie. Die andere redenen omvatten ook de bescherming van het milieu. Dit is iets anders dan voorlopige toepassing van de CDNI-amendementen. Bijvoorbeeld volgens art. 7.2.3.7.0 van de bijlagen bij het ADN kan een ontgassingsverbod worden geregeld
    via nationale wettelijke maatregelen, zoals ik op Sargasso ook al meerdere keren heb betoogd. Eenzijdige binnenlandse maatregelen verenigbaar met de Wijzigingen van 2017 zouden volgens Arcuri en Erol dan ook niet noodzakelijkerwijs neerkomen op een voorlopige toepassing van het CDNI verdrag.

    Praktische argumenten tegen een nationaal ontgasverbod

    Afgezien van de kwestie van de verenigbaarheid met het internationaal recht, geeft de minister andere argumenten met betrekking tot de effectiviteit van een nationaal verbod op varend ontgassen, zoals het onvoldoende aantal ontgassingsinstallaties. In het eerdere rapport houden Arcuri en Erol zich niet bezig met vragen over effectiviteit, omdat ze zich alleen richten op de vraag of gerechtelijke stappen niet mogelijk zijn vanwege internationaal recht. Hoewel deze argumenten buiten het bestek van hun rapport vallen, merken ze op dat het de verantwoordelijkheid van de Nederlandse staat is om een oplossing voor dit probleem te vinden.

    Het is ook begrijpelijk dat er niet genoeg installaties zijn, aangezien varend ontgassen is toegestaan. De instelling van een nationaal verbod (met een gewenningsperiode) zou de oprichting van dergelijke installaties kunnen bespoedigen. Zoals het er nu uitziet, lijkt de situatie op een kip-ei-probleem: omdat er onvoldoende ontgassingsinstallaties zijn is de minister van mening dat varend ontgassen niet verboden kan worden en omdat er geen regel is die varend ontgassen verbiedt, wordt de betreffende infrastructuur niet aangelegd. Het risico van deze redenering is dat tekortkomingen in het huidige economisch systeem kan worden ingezet als excuus om niet te handelen. Bovendien, overwegende dat de onderhandelingen over de wijziging in 2012 zijn gestart en afgesloten in 2017 en dat de verwachting was dat alle leden dat in 2020 zouden moeten doen
    hebben geratificeerd, kan het redelijk zijn geweest om al jaren geleden begonnen te zijn met de aanleg van de infrastructuur. Evenzo heeft Nederland de wijziging van 2017 in 2020 geratificeerd, en had het volgens Arcuri en Erol aantoonbaar werk moeten maken van praktische oplossingen uitvoering te geven aan het overeengekomen verbod op varend ontgassen. Het ontbreken van bestaande ontgassingsinstallaties is  waarschijnlijk geen rechtvaardiging voor het niet nakomen van deze verplichtingen. Kortom, in het licht van haar mensenrechtenverplichtingen en het feit dat het CDNI binnenkort in werking kan treden, staat de Nederlandse regering onder druk verplichting om de voorwaarden te scheppen voor de uitvoering van het verbod.

    Ook stelt de minister dat een nationaal verbod de kosten bij de schippers zou leggen. De wijzigingen van het CDNI uit 2017 bepalen dat de verlader de kosten van het verantwoord ontgassen van een schip moet dragen. Uit de brief van de minister wordt niet duidelijk waarom de Nederlandse geen verordening kan aannemen die deze regel uit het Verdrag al volgt. Bij de uitvoering van het CDNI-verdrag zal de Nederlandse deze regel sowieso volgens nationaal recht moeten uitvoeren en, vanuit internationaalrechtelijk oogpunt, is er geen reden om geen regel vast te stellen die de kosten al bij de bevrachter legt.
    Kortom, met betrekking tot de argumenten rond effectiviteit, willen we dat graag benadrukken dat het ontbreken van voldoende voorwaarden om een verbod uit te voeren (zoals het ontbreken van van voldoende ontgassingsinstallaties) lijkt Arcuri en Erol geen legitiem argument om verder te gaan uitstellen van de goedkeuring van de noodzakelijke wetgeving ter bescherming van de Nederlandse burgers en de milieu tegen de schade veroorzaakt door drijvende ontgassing.

    Europees Verdrag voor de rechten van mens

    Tot slot stelt de brief van de minister dat Nederland zijn mensrechtenverplichtingen vervult door het initiatief te nemen voor de CDNI 2017 Wijzigingen. Arcuri en Erol stellen dat prijzenswaardig is dat Nederland een actieve rol heeft gespeeld bij de totstandkoming en goedkeuring van de amendementen. Maar dat de enkele handeling van het onderhandelen over en ratificeren van een conventie waarschijnlijk niet zal volstaan om aan de zorgplicht te voldoen. Evenzo is het volgens hen moeilijk in te zien hoe het feit dat een uitvoeringsregeling gereed is, maar niet uitgevoerd kan worden, gelijkgesteld kan worden aan de naleving van mensenrechtenverplichtingen. Als dit het geval zou zijn, zouden veel regeringen internationale wetgeving en/of wetsontwerpen kunnen gebruiken om mensenrechtenverplichtingen te omzeilen. De belangrijkste vraag is of de rechten op leven en op gezinsleven voldoende zijn beschermd door de enkele bekrachtiging of het bestaan van een uitvoeringsverordening.

    Gezien de stagnerende situatie rond drijvende ontgassing en het feit dat internationaal verdragen zijn ingezet als argument om niet op te treden, is het volgens Arcuri en Erol de vraag of in in dit geval de bekrachtiging en het bestaan van een uitvoeringsverordening beschouwd kan worden als een voldoende voorwaarde om aan de mensenrechtenverplichtingen te voldoen.

    Moties Tweede Kamer

    In de Tweede Kamer zijn vorige week vier moties ingediend over varend ontgassen. Lammert van Raan, PvdD, heeft een motie ingediend waarin hij oproept om binnen 3 maanden tot een nationaal verbod op varend ontgassen te komen.

    De motie van Kröger, GroenLinks, Alkaya, SP, en De Hoop, PvdA, verzoekt de regering om een nationaal verbod op varend ontgassen aan te kondigen en om alles in het werk te stellen om de besluiten te nemen zoals geformuleerd in de roadmap om een nationaal verbod ook daadwerkelijk zo snel mogelijk in te laten gaan.

    Tjeerd de Groot, D66, heeft een motie ingediend waarin hij het Kabinet oproept om provincies aan te sporen haast te maken met vergunningverlening aan ontgassingsinstallaties en provincies daar waar nodig en mogelijk in bij te staan. Ook roept hij het Kabinet op om parallel een landelijk verbod op varend ontgassen voor te bereiden dat in moet gaan als er een netwerk van ontgassingsinstallaties gerealiseerd is of als Zwitserland het CDNI-verdrag ratificeert.

    Pouw Verweij, JA21, en Van der Plas, BBB, hebben een motie ingediend waarin ze het ministerie oproepen om in overleg te gaan met de industrie om uit te zoeken welke ruimte nodig is voor alternatieven voor varend ontgassen En om in overleg met de Inspectie Leefomgeving en Transport, de betrokken overheden en het bedrijfsleven in overleg te gaan om het bedrijfsleven voldoende aanwezige alternatieve ontgassingscapaciteit te laten inzetten alvorens een algeheel verbod op varend ontgassen ingaat.

    Conclusie

    In hun brief komen professor Arcuri en phd-kandidaat Erol tot dezelfde conclusies als ik voor Sargasso al eerder deed: een nationaal ontgasverbod is mogelijk en er is geen internationale belemmering voor de invoering ervan. Dat het ministerie van I&W hulp heeft ingeroepen van het ministerie van Buitenlandse Zaken bevreemd, omdat verschillende provincies in het verleden aan hebben gegeven dat het ministerie een landelijk en provinciaal ontgasverbod tegen hield op basis van een geheim verklaard advies van de landsadvocaat. Dat nu het Verdrag van Wenen inzake het Verdragsrecht wordt aangehaald leest dan ook als een gelegenheidsargument en de brief van Arcuri en Erol bevestigd die indruk. Het maakt ook nieuwsgierig naar het advies van de landsadvocaat.

    De in de Kamer voorliggende moties zijn van wisselende kwaliteit. De motie van JA21 en BBB klinkt als een voortzetting van de taskforce varend ontgassen, of hoe dat praatcircus tegenwoordig ook heet. Het is het huiswerk dat de minister sinds de aankondiging in 2018 van een landelijk verbod in 2020 al lang en breed had moeten uitvoeren. Zoals Arcuri en Erol ook stellen is er niets in het CDNI of de wijzigingen uit 2017 dat dat verhinderd. Het is eerder politiek, bestuurlijk onwil en meestribbelen van verladers als Vitol, Trafiqura en Glencore. De motie van PvdD roept simpelweg op tot een snel verbod. Daarmee is er nog geen oplossing voor schippers, omwonenden of natuur. Tenzij er gehandhaafd gaat worden op basis van de wet economische delicten, maar dan zijn schippers de dupe in plaats van verladers. De motie van D66 en die van GroenLinks, SP en PvdA geven allebei blijk van besef dat er naast een verbod ook gewerkt moet worden aan een netwerk van ontgassingsinstallaties. Waarbij de motie van GroenLinks, SP en PvdA de minister vastklinkt aan zijn eigen roadmap. Al kom ik daar alleen een uitstelbrief over tegen.

    Dit bericht is eerder gepubliceerd op Sargasso.

  • Varend ontgassen: internationaal vs nationaal recht

    Eerder deze week publiceerde Sargasso over het rapport van ‘Floating Degassing in the Netherlands: Rights and Obligations under International Law‘. De eerdere publicatie was vooral op basis van berichtgeving bij Omroep Flevoland en NRC. Inmiddels hebben we het rapport zelf doorgelezen, een presentatie over het rapport door de onderzoekers bijgewoond en de reactie van de minister gelezen. Tijd dus voor wat meer inhoudelijke duiding. Te beginnen bij het rapport van de Erasmus Universiteit. Kleine spoiler: de onderzoekers van de Erasmus Universiteit hebben nog niet gereageerd op de brief van Minister Harbers.

    Ontstaansgeschiedenis van rapport

    Het rapport is het gevolg van een vraag van Omroep Flevoland aan de Erasmus Universiteit. Een vraag die deels voort is gekomen uit overleg van ondergetekende met Omroep Flevoland over het ontbreken van de onderbouwing van het internationale verbod op een nationaal verbod op varend ontgassen. NRC heeft zich later aangesloten bij Omroep Flevoland. Sargasso is daarbij helaas buiten de boot gevallen, als vrijwilligersclub hebben we nou eenmaal niet het geld en de capaciteit om volop mee te draaien in een dergelijk onderzoekstraject. Niks mis mee, Omroep Flevoland en NRC hebben belangrijke informatie boven tafel gekregen.

    Die informatie verder gaat dan enkel het rapport. Bijvoorbeeld dat binnenvaarttankers nog steeds ontgassen in Natura2000 gebied (De Biesbosch) in provincies met een provinciaal ontgasverbod. Dat schippers en hun bemanning last hebben van gezondheidsklachten tijdens het varend ontgassen en dat de Inspectie Leefomgeving & Transport de rol van de Arbeidsinspectie vervuld bij binnenvaarttankers. Een taak die volgens de Inspectie niet bovenaan hun prioriteitenlijst staat en waar je je van kunt afvragen of het bij hun kerntaken hoort. Vraag aan de politiek: hebben schippers en hun bemanning niet gewoon recht op een veilige, gezonde werkomgeving en een fatsoenlijke inspectie met verstand van arbeidsomstandigheden die daar op toe ziet? Het gaat om zeer zorgwekkende stoffen, stoffen waar in elke sector strikte voorwaarden voor blootstelling tijdens werk gelden. Voor benzeen is de maximale blootstelling 0,2 ppm of 8 mg/m3 gedurende 8 uur. Ik betwijfel of die concentratie gehaald wordt op binnenvaarttankers tijdens het varend ontgassen van benzeen…

    Rapport Floating Degassing in the Netherlands: Rights and Obligations under International Law

    Dan het rapport. Een degelijk werk, waarbij de onderzoekers gekeken hebben naar de volgende internationale verdragen: ADN (vervoer gevaarlijke stoffen over binnenwateren), CDNI (scheepsafvalstoffenverdrag), de CDNI aanpassingen uit 2017 en het verdrag van Mannheim uit 1868 (revisie in 1963). In hun presentatie gaven de onderzoekers een opsomming van relevante artikelen uit de verschillende verdragen.

    ADN

    • Article 6 Sovereign right of States
      Each Contracting Party shall retain the right to regulate or prohibit the entry of dangerous goods into its territory for reasons other than safety during carriage.
    • Article 9 Applicability of other regulations
      The transport operations to which this Agreement applies shall remain subject to local, regional or international regulations applicable in general to the carriage of goods by inland waterways.
    • 7.2.3.7 Gas-freeing of empty cargo tanks
      Gas-freeing of empty or unloaded cargo tanks is permitted under the conditions below but only if it is not prohibited on the basis of international or domestic legal requirments.

    CDNI aanpassing uit 2017:

    • Inwerkingtreding op de eerste dag van de zesde maand na ratificatie door alle deelnemende partijen;
    • Article 3
      Prohibition of dumping, discharging and release
      (1) Dumping, discharging or permitting the outflow of waste generated on board, or any part of the cargo from vessels into the waterways, or releasing vapours into the atmosphere on the waterways referred to in Annex 1 shall be prohibited.

    De onderzoekers trekken op basis van deze twee verdragen de conclusie dat bestaande verdragen geen juridisch obstakel vormen voor het unilateraal instellen van een nationaal ontgasverbod door Nederland. De verdragen erkennen het soevereine recht van lidstaten om ontgassen te reguleren en bevatten in elk geval geen regels om een dergelijke maatregel te voorkomen. Artikel 7.2.3.7 van het ADN geeft dus expliciet aan dat ontgassen (gas-freeing of empty cargo tanks) alleen mag als het niet is onderworpen aan internationale, nationale of lokale regels. De onderzoekers onderschrijven de uitleg die Ton Quist, de rechter en ik daaraan geven: een ontgasverbod mag. Een ontgasverbod doet geen afbreuk aan het vrije scheepvaartverkeer. Het argument dat het Nederland vanuit internationaal recht verboden wordt om een nationaal ontgasverbod in te stellen vinden ze dan ook niet overtuigend. Wat aansluit bij wat het Ministerie eerder schreef in reactie op burgervragen:

    De wijziging van de regeling is (mogelijk) een nationale kop op de Europese Richtlijn. (…) De actie van Duitsland werd dus niet als illegaal gezien, zoals u het stelt.

    Mensenrechten en ontgassen

    Een andere interessante invalshoek van de onderzoekers is het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (ECHR). Dit verdrag geeft verplichtingen voor de staat. De onderzoekers halen met name Artikel 2 (het recht op leven) “Het recht van een ieder op leven wordt beschermd door de wet (…)” en Artikel 8 (Recht op eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven) “Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven” aan. Op basis van jurispredentie betekenen deze twee artikelen dat de overheid een rol heeft om haar inwoners te beschermen tegen milieuschade. Ze zijn ook gebruikt in de Urgenda Klimaatzaak.

    Volgens de onderzoekers is die zaak relevant, omdat de zaak liet zien dat de rechtbank bevoegd is in te grijpen op basis van het ECHR als er schade wordt berokkend aan inwoners van Nederland. Ook als deze schade in toekomst ligt. Verder kan de rechter besluiten om feiten die niet ter discussie staan tussen partijen voor waar aan te nemen. Dat varend ontgassen schadelijk is wordt erkend door opeenvolgende bewindspersonen. In 2021 werd zelfs in een Kamerbrief geschreven dat onderzoek naar de schadelijke effecten niet nodig is, omdat al duidelijk is dat varend ontgassen schadelijk is voor mens en milieu.

    Reactie Minister

    De reactie van Minister Harbers stelt, zoals vaker in dit dossier, teleur. Niet zo zeer omdat hij niet inzet op een nationaal verbod op varend ontgassen, maar omdat er wederom om inhoudelijke beantwoording heen gedraaid wordt. Maar laten we beginnen bij het goede nieuws. De minister erkent dat provinciale ontgasverboden door de rechterlijke uitspraken ook geldig zijn op Rijkswateren. Handhaving daarvan legt hij bij de provincies, die daarbij ondersteunt kunnen worden door de Inspectie Leefomgeving en Transport.

    Wat opvalt is dat het Ministerie voor het eerst in jaren een onderbouwing geeft van het internationale verbod op een nationaal verbod in de vorm van artikel 18 van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht. Zonder enige verdere inhoudelijke onderbouwing stelt de minister dat het verdrag van Wenen prevaleert boven de verdragstekst uit het ADN. Terwijl het ADN staten het soevereine recht geeft om regels te stellen aan het ontgassen van ladingtanks. Niet op basis van veiligheid, want dat is geregeld in het ADN, maar wel op basis van milieu of volksgezondheid. Sargasso heeft de Erasmus School of Law om een reactie op de brief van minister Harbers gevraagd, maar deze nog niet ontvangen.

    Een manco is dat de minister de stelling betrekt dat de rekening bij een nationaal verbod bij de schipper komt te liggen. Hij doet dat zonder enige onderbouwing van het hoe en waarom deze rekening niet bij de verlader kan komen te liggen als het ontgasverbod landelijk wordt ingevoerd. De Minister geeft ook aan dat varend ontgassen niet vergelijkbaar is met de Urgenda Klimaatzaak, omdat de Staat haar verantwoordelijkheid heeft genomen door in te zetten op een internationaal verbod op varend ontgassen. Alsof het ondertekenen van het internationale klimaatverdrag zou betekenen dat Nederland geen eigenstandige verplichtingen en verantwoordelijkheden heeft. Daar vond de rechter in de klimaatzaak van Urgenda wat van en dat wijkt af van de stellingname van de Minister.

    De Minister bestrijd ook dat er in België een ontgasverbod geldt. Dit geldt volgens hem enkel voor de Antwerpse haven. Wie de Belgische gegevens nazoekt komt uit bij het Politiereglement voor de Beneden-Zeeschelde (pdf). Ruwweg het gebied vanaf de Antwerpse haven tot aan de Belgisch-Nederlandse grens. Artikel 32 verklaard het ontgsverbod voor zeeschepen ook van toepassing op binnenvaarttankers. En de Schelde is uiteraard het enige echt relevante vaarwater in Belgi. Dat verklaart waarom Zeeland (en dus ook de Biesbosch) nog steeds te maken hebben met Belgisch ontgastoerisme, terwijl de minister formeel niet jokt. Dat noemen ze in Den Haag hogere politiek…

    Tot slot beroept de minister zich weer op het bekende refrein dat er onvoldoende capaciteit aan ontgassingsinstallaties is. De minister stelt:

    Het is aan de provincies, als vergunningverlenend bevoegd gezag, om prioriteit te geven aan het aanleggen van ontgassingsinstallaties waarmee kan worden voldaan aan de verdragseis dat een voldoende dekkend netwerk van ontgassingsinstallaties aanwezig moet zijn. (…)

    Deze installaties moeten voldoen aan de geldende wet- en regelgeving wat betreft de aard van de dampen die worden opgevangen en de mogelijke emissie eisen

    Daarover gaat de minister in gesprek met provincies, brancheorganisaties etc. Het is zacht gezegd teleurstellend, maar eigenlijk ronduit beschamend, dat die gesprekken 5 jaar nadat het Ministerie aankondigde dat er vanaf 2020 een landelijk ontgasverbod van kracht zou worden nog steeds niet afgerond zijn. Zoals het ook beschamend is dat de minister blijft volhouden dat ontgassingsinstallaties aan de landelijke normen moeten voldoen en hij er dus willens en wetens voor kiest om 100% van de zeer zorgwekkende stoffen de lucht in te laten gaan in plaats van 80% op te vangen.

    De Minister had de afgelopen jaren prima kunnen gebruiken om via een algemene maatregel van bestuur tijdelijk lagere uitstootnormen vast te leggen. Dan hadden provincies tijdelijke vergunningen kunnen verlenen (bv met een looptijd van 5 jaar) aan ontgassingsinstallaties. Op die manier hadden de afgelopen vijf jaar gebruikt kunnen worden voor het in de praktijk testen van de verschillende technische oplossingen voor varend ontgassen. Waarna de installaties die aan de normen van het Activiteitenbesluit weten te voldoen een permanente vergunning kunnen krijgen en kunnen de anderen van de markt verdwijnen. Met de goed functionerende technische oplossingen kan vervolgens de landelijk dekkende infrastructuur opgebouwd worden.

    Het meten van de emissies uit deze installaties kan op dezelfde wijze als gebeurd bij de reguliere overslag van vluchtige organische stoffen. Of zou de minister dan met schaamrood op de kaken in de Tweede Kamer moeten uitleggen dat de uitstoot bij op- en overslag van vluchtige organische stoffen anno 2023 nog steeds gebeurd op basis van schattingen of berekeningen in plaats van op basis van metingen?

    Slotsom

    Al met al lijkt er nog steeds geen beweging in dit dossier te zitten. De financiële belangen voor verladers zijn dan ook groot. Met een geschatte kostenpost per verantwoorde ontgassing van 10 tot 40.000 Euro en zo’n 15 schepen die varend ontgassen per dag gaat het om een kostenpost van zo’n 55 tot 220 miljoen Euro per jaar. Een kostenpost enkel voor Nederland en die nog los staat van de kosten als ook de kust- en zeetankers een keer aangepakt gaan worden voordat ze buitengaats ontgassen…

    Voor omwonenden lijken er twee oplossingen mogelijk: inzetten op vergunningverlening aan installaties voor verantwoord ontgassen en op handhaving van de provinciale ontgasverboden, ook op rijkswateren. Waarmee een bijna nationaal dekkend ontgasverbod in werking zou treden (Noord-Brabant, Noord-Holland, Zuid-Holland, Zeeland, Flevoland, Gelderland en Utrecht hebben een verbod). Of naar de rechter stappen om een nationaal ontgasverbod af te dwingen met een beroep op het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens.

    In beide gevallen gaat er nog jarenlang een verschil zitten in de juridische werkelijkheid (verboden) en de praktijk (uitstoten in de buitenlucht) of op andere (mogelijk niet geheel legale) wijze zich ontdoen van de afgevangen vluchtige organische stoffen. De afval, olie, gas en vluchtige organische stoffen blijven namelijk sectoren waar niet alle bedrijven het even nauw nemen met de regels.

    Dit bericht is eerder gepubliceerd op Sargasso.

  • Hoogleraar internationaal recht: geen belemmering voor verbod ontgassen

    Wat Sargasso in november 2021 al schreef op basis van informatie van Ton Quist is nu bevestigd door Professor Alessandra Arcuri van de Erasmus School of Law: een nationaal verbod op varend ontgassen kan, er is geen enkele internationale belemmering. Sterker nog: het lijkt erop dat Nederland op basis van mensenrechtenverdragen het varend ontgassen van zeer zorgwekkende stoffen juist wél moet verbieden. Kamerlid Susanne Kröger, GroenLinks, heeft bij Omroep Flevoland aangekondigd de minister vandaag om een landelijk verbod op varend ontgassen te vragen.

    Wat is varend ontgassen ook al weer?

    Varend ontgassen gebeurd in de tankvaart en is nodig omdat er in de tanks van binnenvaarttankers die chemicaliën en aardolieproducten vervoeren ladingrestanten en ladingdampen achterblijven nadat de tanks geleegd zijn. Deze ladingrestanten en ladingdampen moeten uit het ruim verdwijnen voordat er een nieuwe lading aan boord komt. Dat heet ontgassen. Bij ontgassen komen vluchtige organische stoffen vrij, waaronder gevaarlijke en zeer zorgwekkende stoffen, zoals benzeen. Deze stoffen zijn kankerverwekkend en kunnen onder andere leukemie veroorzaken. Volgens het RIVM is er geen veilige concentratie waaronder geen effecten voorkomen. Er kan altijd gezondheidswinst worden behaald door reductie van de uitstoot van benzeen. Daarom geldt voor de uitstoot van zeer zorgwekkende stoffen een minimalisatieplicht en vijfjaarlijkse informatieplicht.

    Schepen die hun lading hebben gelost worden vol ladingdamp weggestuurd van de terminal. Om een volgende lading te kunnen laden moeten ze veelal aantonen dat ze gasvrij zijn aan de terminal van de nieuwe verlader. Dat kan op verschillende manieren, bij een tankschoonmaakbedrijf of door te ontgassen aan de buitenlucht. Ontgassen aan de buitenlucht is enkel varend toegestaan als dit via het zogenaamde manifold plaatsvind. Behalve in de buurt van sluizen, bruggen en bij dichtbevolkte gebieden. In de havens van Rotterdam en Amsterdam zijn door de lokale autoriteiten plaatsen aangewezen waar schepen stilliggend mogen ontgassen. Bij 20 graden Celsius gaat om 900 kilogram per schip. Op warme zomerse dagen kan het om aanzienlijke meer gaan: 2.000 tot 3.000 kilogram benzeen per schip.

    Eerdere ontwikkelingen m.b.t. verbod op varend ontgasssen

    In 2014 paste het RIVM de officiële emissiecijfers voor varend ontgassen aan en sloten de provincies Zuid-Holland, Noord-Brabant en het toenmalig ministerie van I&M een regionaal akkoord om varend ontgassen te verbieden. Het Ministerie van I&M kwam later op basis van (een nog steeds geheim) advies van de landsadvocaat tot de conclusie dat provinciale ontgasverboden niet rechtsgeldig zijn. Ondertussen hielden opeenvolgende bewindspersonen vol dat een nationaal verbod niet mogelijk was door internationale verdragen. Ondanks herhaaldelijke verzoeken per telefoon en email van Sargasso om specificatie heeft het Ministerie nooit aangegeven welke verdragsbepalingen het betreft.

    Er wordt al jaren (of beter gezegd decennia) gewerkt aan een internationaal verbod op varend ontgassen. De invoer van provinciale ontgasverboden in 2015 in Nederland en in de haven van Antwerpen hebben de internationale onderhandelingen in een stroomversnelling gebracht, waarschijnlijk uit angst voor afwijkende regelgeving tussen vaargebieden. Per 1 juli 2019 is in Nederland het nieuwe ADN van kracht, waarin aanvullende regels voor varend ontgassen worden gesteld. Hierdoor is varend ontgassen via de luiken niet meer toegestaan. Zie ook deze uitlegfilm van de Nederlandse overheid:

    https://youtube.com/watch?v=wHzeOzenifM%3Ffeature%3Doembed

    In het CDNI wordt varend ontgassen volledig verboden. Nederland heeft dit verdrag al geratificeerd, het wachten is nog op Frankrijk en Zwitserland. Al is dat voor een nationaal verbod dus niet nodig.

    De afgelopen jaren dook het dossier met enige regelmaat op in de publiciteit. Onder andere doordat omwonenden langs de lek zich verenigden in de vereniging Stop Ontgassen, de publiciteit zochten en handhavingsverzoeken deden bij omgevingsdiensten. Vorig jaar kregen ze gelijk van de rechter: de provincie moet het provinciaal ontgasverbod handhaven. Ook was er ophef in Gelderland en Zeeland over ontgastoerisme vanuit Duitsland en België.

    Het meest recent zorgde het dossier voor commotie in Flevoland. Een provincie zonder veel chemie, maar wel een provincie waar veel schippers naar uitwijken om varend te ontgassen sinds het provinciaal ontgasverbod in Noord-Holland. Die commotie leidde vorig jaar volgens schipper Ton Quist eindelijk tot beweging.

    Onderzoek Erasmus Universiteit

    Op verzoek van Omroep Flevoland onderzocht de Erasmus Universiteit (pdf) of de verschillende argumenten die het Ministerie tegen een landelijk verbod heeft gehanteerd kloppen. Uit dat onderzoek blijkt dat er weinig van de argumenten van opeenvolgende bewindspersonen klopt. Sterker op grond van mensenrechtenverdragen móét Nederland het hoogstwaarschijnlijk verbieden, omdat de gezondheid van inwoners op het spel staat en het milieu wordt belast.

    Seline Trevisanut van de Universiteit van Utrecht heeft het rapport van de Erasmus Universiteit ook bekeken. Tegenover Omroep Flevoland en NRC onderschrijft zij de bevindingen van Arcuri en Erol:

    Het onderzoek laat overtuigend zien dat internationale verdragen geen belemmering vormen om een verbod in te voeren. Het ministerie heeft nu de plicht om uit te leggen waarom dat niet mogelijk zou zijn.

    Professor Arcuri vindt het grootste probleem dat ministers de Tweede Kamer nooit hebben verteld waar precies staat dat varend ontgassen niet verboden kan worden.

    Je maakt het op die manier erg moeilijk voor het publiek om de regering te controleren. Gezien de passiviteit van de Nederlandse overheid en omdat het ontgassen aannemelijk ernstige gevolgen heeft voor de gezondheid, is dit erg zorgelijk. Ook bestaat het risico dat dit soort technische wetten worden gebruikt als excuus om niet te handelen.

    De NRC opende gisteren op de voorpagina en met een groot achtergrondartikel over het onderzoek. De NRC heeft ook een podcast aan varend ontgassen gewijd. Meest opvallende uitspraak is dat het onderwerp ‘helemaal nieuw’ is voor NRC. Dat de onderzoeksredactie van NRC Sargasso niet leest snappen we nog. Maar dat ze het eigen archief niet doorspitten is verbazingwekkender. Op de opiniepagina van NRC werd in 2018 namelijk al opgeroepen tot een verbod op varend ontgassen.

    GroenLinks wil nationaal verbod op varend ontgassen

    Gisteren heeft Susanne Kröger, Tweede Kamerlid voor GroenLinks, aangekondigd vandaag te vragen om een nationaal verbod op varend ontgassen. Ik ben benieuwd welke fracties daar tegen gaan stemmen. In de provincie Flevoland heeft JA21 kritische vragen over de gezondheidseffecten van varend ontgassen gesteld, landelijk had de VVD in 2017 al een verbod op varend ontgassen in de doorrekening door PBL zitten en was het Tweede Kamerlid Remco Dijkstra woedend op bedrijven die hun schippers opdracht gaven de provinciale ontgasverboden te ontduiken. GroenLinks, PvdA, PvdD, SP en D66 schat ik in als voorstander van een snelle invoer van een landelijk verbod op varend ontgassen. Een Kamermeerderheid lijkt me dus haalbaar. Mogelijke tegenstemmmers: CDA, PVV, FvD, BBB en SGP.

    Het laatste bastion tegen het invoeren van een nationaal verbod is dat er te weinig installaties zijn waar schippers terecht kunnen. Precies zoals Sargasso ook al jaren geleden voorspelde. Er is één bestaande installatie bij ATM in Moerdijk. Omgevingsdienst Noordzeekanaal geeft tegen NRC aan dat ze werken aan een vergunning voor een tweede installatie. Ruimschoots onvoldoende om de ongeveer 15 ontgassende schepen per dag verantwoord te ontgassen.

    Probleem voor het Rijk is dat vergunningverlening aan deze installaties een bevoegdheid is van gemeenten en/of provincies. De normen waaraan deze installaties moeten voldoen zijn vastgelegd in het landelijke Activiteitenbesluit. Veel van de installaties zijn nieuw en halen de normen uit het Activiteitenbesluit niet of kunnen niet aantonen dat ze die halen. Dat biedt meteen de vrij eenvoudige oplossing: maak op landelijk niveau een tijdelijke regeling via een AmvB waarmee installaties die ten minste 80% van de emissies afvangen een tijdelijke vergunning voor 5 jaar kunnen krijgen, mits ze voldoen aan de veiligheidsvoorschriften. Monitor de emissies naar de lucht van die installaties en geef iedere installatie die over 5 jaar voldoet aan de eisen uit het Activiteitenbesluit een definitieve vergunning. De rest mag inpakken en wegwezen.

    Eerdere berichtgeving vind je in ons dossier varend ontgassen.

    Dit bericht is eerder gepubliceerd op Sargasso.

  • Eind aan opsporing aardgas in provincie Utrecht

    Het ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) heeft de verlenging van de opsporingsvergunning naar olie en gas voor het gebied Utrecht afgewezen. Hiermee is de opsporingsvergunning verlopen en kan er in een groot gedeelte van de provincie niet langer gezocht worden naar olie en gas.

    Het gevolg van dit besluit is dat de opsporing van gas en olie onder een gebied van 1144 km2 stopt. In het gebied dat zich uitstrekt van Mijdrecht tot Hedel heeft Vermilion Energy geen recht meer om op zoek te gaan naar gas- en olievelden.

    Schermafdruk Van 2022 12 13 23 07 20
    In oranje het gebied van de opsporingsvergunning koolwaterstoffen Utrecht. in geel de winningsvergunningen. Bron: NLOG

    Wat vooraf ging

    In november 2018 vroeg Vermilion Energy bij het ministerie van EZK verlenging aan van de opsporingsvergunning koolwaterstoffen Utrecht. De opsporingsvergunning stamt al uit 2007 en was bij de provincie Utrecht en de gemeenten nauwelijks bekend. De vergunning kwam in zicht door vragen van stichting Laat Woerden niet Zakken aan de gemeente Woerden over wat de opsporingsvergunning koolwaterstoffen Utrecht inhield. De status van deze vergunning was op NLOG veranderd in het vierde kwartaal van 2018. Na enig doorvragen bij het ministerie van EZK werd duidelijk dat het ging om een vergunning om in grote delen van de provincie Utecht en in het oostelijk deel van de provincie Zuid-Holland naar olie- en gasvoorraden te zoeken. Het bestaande winningsgebied Papekop viel buiten de opsporingsvergunning. In Zuid-Holland behoort (naar mijn weten) de gemeente Krimpenerwaard tot het gebied van de opsporingsvergunning koolwaterstoffen Utrecht. Vermilion heeft hier in het verleden geprobeerd een proefboring uit te voeren, maar de vergunning hiervoor is destijds geweigerd door de gemeente. Een beslissing die ook bij de Raad van State stand hield.

    Bezwaar- en beroepsprocedure

    Eerder besloot het ministerie van EZK nog om de verlopen opsporingsvergunning koolwaterstoffen Utrecht te verlengen, omdat de verlenging aangevraagd was binnen de termijn waarin de vergunning geldig was. Het provinciebestuur heeft samen met de gemeenten Woerden, Oudewater, IJsselstein, Bunnik, Houten, Nieuwegein, Stichtse Vecht, Utrecht, Vijfheerenlanden en Wijk bij Duurstede een bezwaar- en beroepsprocedure tegen dit besluit aangetekend.

    Het belangrijkste bezwaar was hierbij dat op grond van de Mijnbouwwet de opsporingsvergunning niet verlengd had mogen worden, omdat de opsporingsvergunning op het moment van het besluit tot verlengen al verlopen was. Ook de stichting Laat Woerden Niet Zakken en de provincie Zuid-Holland zijn in bezwaar en beroep gegaan. Drinkwaterbedrijf Oase heeft bezwaar aangetekend, maar is niet in beroep gegaan.

    Nadat bezwaarmakers eerder door het ministerie van EZK als niet belanghebbenden werden beschouwd, was het oordeel van de Rechtbank (30 september 2022) dat zowel de provincies als de gemeenten als Stichting Laat Woerden niet Zakken wél aangemerkt moeten worden als belanghebbende bij het besluit tot verlenging van de opsporingsvergunning. Door deze uitspraak van de rechtbank werd het besluit vernietigd en moest EZK binnen zes weken een nieuw besluit (nieuwe beslissing op bezwaar) nemen en daarin ingaan op de inhoudelijke bezwaargronden. Het ministerie concludeert nu (1 december 2022): ‘deze beslissing op bezwaar heeft tot gevolg dat Vermilion niet meer beschikt over een opsporingsvergunning koolwaterstoffen voor het gebied Utrecht’.

    Het vervolg

    Het herziene besluit van EZK is nog niet onherroepelijk. Vermilion Energy kan binnen zes weken beroep instellen tegen dit besluit. Vermilion gaat al in hoger beroep bij de Raad van State tegen de uitspraak van de rechtbank dat provincie en gemeenten belanghebbenden zijn bij een besluit tot verlenging van de opsporingsvergunning.  De provincie Utrecht geeft in haar nieuwsbericht aan dat ze een eventuele hoger beroepsprocedure met vertrouwen tegemoet ziet.

    Met het verlopen van de opsporingsvergunning olie en gas gebied Utrecht is er in de provincie Utrecht nog één lopende vergunning voor olie en gas. Dit is de winningsvergunning voor het gebied Papekop. Om olie en gas te mogen winnen in dit gebied moeten er nog meerdere vergunningen verleend worden door EZK.

    Gevolgen uitspraak en nieuw besluit

    De rechter heeft met de uitspraak dat omwonenden, gemeenten en provincies belanghebbende zijn bij het verlengen van opsporingsvergunningen effectief een stok gestoken in het spelletje:

    U bent te vroeg, u bent te vroeg, oh sorry nu bent u te laat om nog bezwaar aan te tekenen.

    Ervan uitgaande dat deze uitspraak stand houdt in hoger beroep is dat winst, want het hele traject van opsporingsvergunning naar daadwerkelijk winning is lang en de procedures zijn ingewikkeld genoeg. Door al vroegtijdig als belanghebbende te gelden kunnen bezwaren en zorgen beter meegenomen worden.

    Het is ook winst dat het ministerie van EZK met het nieuwe besluit erkent dat de Mijnbouwwet geen mogelijkheid bevat om verlopen vergunningen te verlengen, tenzij er een winningsvergunning is aangevraagd.

    Disclaimer: in mijn vorige baan bij de gemeente Woerden ben ik lang betrokken geweest bij dit dossier.

    Dit bericht is geschreven voor en gepubliceerd op Sargasso.

  • Raad Utrecht volgt wens 92% inwoners: eerste wijk wordt aardgasvrij

    Bij veel duurzame projecten is het een heikel punt: is er wel draagvlak? In Utrecht wordt, net als in veel andere steden, gewerkt aan het aardgasvrij maken van bestaande wijken. Een van de eerste projecten in Utrecht betreft 320 huurwoningen in de wijk Overvecht-Noord. De bewoners in deze wijk gebruiken momenteel enkel aardgas om te koken en de gasleidingen moeten vervangen worden. Een logisch moment om de keus voor te leggen: overstappen op inductiekoken of blijven koken op aardgas?

    De gemeente had vooraf wel voorwaarden gesteld:

    (1) bewoners gaan er financieel niet op achteruit als gevolg van deze overstap op elektrisch koken. (2) Bewoners worden, indien gewenst, volledig ontzorgd bij dit proces. (3) Het beëindigen van kookgasaansluiting leidt tot het voorkomen van vervanging van gasleidingen die uitsluitend gebruikt worden voor kookgas. (4) Onafhankelijke partij(en) die de belangen van huurders vertegenwoordigen positief adviseren over het aanbod, en (5) ruim een meerderheid van de bewoners van het projectgebied moeten instemmen om gebruik te maken van het aanbod. Ruim een meerderheid is hierin gedefinieerd als 70% of meer van de circa 320 woningen van het projectgebied die instemmen met het aanbod. Er is gekozen voor 70% omdat bij andere, vergelijkbare projecten dit percentage gebruikt als drempelwaarde. Door voor een ruime meerderheid te kiezen, waarborgen de gemeente en dat het project en het daarmee samenhangende bestemmingsplan op voldoende draagvlak kan rekenen bij de bewoners in het plangebied. Aan bovenstaande voorwaarden is voldaan.

    Tijdens de raadpleging van de huurders stemde 92 procent van de huurders voor overstappen op elektrisch koken; 5 procent is tegen en 3 procent onthield zich van stemming. Vorige week heeft de raad van Utrecht besloten dat deze uitslag geïnterpreteerd mag worden als draagvlak. Gelukkig maar, want veel hoger dan 92% voorstanders lijkt me onmogelijk om te halen. Zelfs het aanpassen van de Nederlandse grondwet behoeft een kleinere meerderheid in ons parlement…

    Doordat de wijk overgaat op inductiekoken hoeft netbeheerder Stedin zo’n 84 kilometer aan gasleiding niet meer te vervangen. Het betreft brosse leidingen die voor 2024 vervangen moeten zijn.

    Dit bericht is geschreven voor en gepubliceerd op Sargasso.

  • De hernieuwbare kans van de energiecrisis

    Sinds de hernieuwde inval van Rusland in Oekraïne begin dit jaar is de sluimerende Europese energiecrisis voor iedereen volop zichtbaar geworden. De prijzen voor olie, gas, elektriciteit en warmte liggen veel hoger dan we gewend zijn. Inmiddels heeft Rusland de gasleveringen naar grote delen van de EU gestaakt, is er een importverbod op Russische kolen van kracht en wordt het importverbod op olie op 5 december van kracht. Dat laatste zorgt dat ook de kosten voor diesel naar verwachting hoog blijven.

    Aanbodcrisis

    Het dichtdraaien van de gaskraan naar West-Europa en het importverbod op kolen en olie uit Rusland heeft een groot effect op de Europese energiemarkt, omdat de EU voor de meer dan de helft van z’n energievoorziening afhankelijk is van import. Volgens Eurostat importeerde de EU in 2020 29% van zijn ruwe olie uit Rusland, 43% van het aardgas en 54% van de steenkolen.

    Er zijn grote verschillen tussen lidstaten van de EU, maar bijna allemaal hebben ze op een manier last van het stilvallen van de import uit Rusland. Een situatie die naar het er uit ziet voorlopig ook nog niet voorbij is. Zelfs als de oorlog in Oekraïne snel voorbij is is het de vraag of Europese beleidsmakers terug willen naar een situatie waarin ze zo afhankelijk zijn van Rusland voor de Europese energievoorziening. Dat heeft gevolgen voor huishoudens, maar ook voor het bedrijfsleven.

    Het effect van het dichtdraaien van de gaskraan naar West-Europa en het importverbod op kolen en olie uit Rusland wordt versterkt doordat in Frankrijk nog steeds een groot deel van de kerncentrales stil ligt voor onderhoud. Deels door regulier onderhoud, deels vanwege reparaties. De verwachting is dat de volle capaciteit eind februari 2023 weer beschikbaar is. Op dit moment ligt bijna de helft van de capaciteit aan Franse kerncentrales stil.

    Rusland doet er momenteel nog een schepje bovenop door het vernietigen van de Oekraïense energiecentrales, waardoor Oekraïne zelf onvoldoende stroom heeft laat staan kan exporteren. Deze factoren maken de pijn van de door de inval in Oekraïne veroorzaakte aanbodcrisis nog een tandje erger, want het zorgt voor nog sterker stijgende prijzen.

    Amerikaans protectionisme

    De Verenigde Staten doen stevig hun best om in het gat te springen dat het wegvallen van Russisch aanbod van olie en gas veroorzaakt. Voor aardgas gaat het dan LNG gemaakt van schaliegas. Een welkom, maar zeker niet milieuvriendelijk alternatief voor de korte termijn. Europa werkt ook aan het opkopen van LNG in andere landen. Alhoewel de hoofdprijs uit Qatar naar China gaat: 4 miljoen ton LNG voor 27 jaar. Europese energiebedrijven (en overheden) hebben vooralsnog het nakijken.

    Amerika zet naast het verhogen van de export van aardgas naar de EU in op het versterken van de eigen economie. Bijvoorbeeld door de Buy American voorzieningen in de Inflation Reduction Act (IRA). Daarin is steun opgenomen voor onder andere elektrische auto’s, mits deze in een toenemend aandeel van Amerikaanse makelij zijn. Daarmee zet Biden de lijn van Trump door. Doel is om minder afhankelijk te worden van China, maar de voorwaarden zijn ook een drukmiddel op de EU om zich verder los te koppelen van China.

    Steunpakketten voor bedrijfsleven en huishoudens

    Veel overheden, waaronder de Nederlandse, hebben een noodpakket in elkaar gezet met steun voor huishoudens en (een deel van) het bedrijfsleven om te helpen bij de fors hogere prijzen. Ondanks die tijdelijke maatregelen is de verwachting dat het voor Europese huishoudens, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties een kostbare winter wordt. De prijsniveaus van het Nederlandse prijsplafond liggen namelijk behoorlijk boven de prijzen van de afgelopen jaren en 40 jaar loonmatiging helpt niet mee om de rekening betaalbaar te houden.

    Concurrentiepositie Europese industrie

    Voor het bedrijfsleven, zeker voor grootverbruikers van energie, vormt combinatie van hoge energieprijzen in de EU met het ‘buy American’ deel van de Amerikaanse Inflation Reduction Act een reden om hun locatiekeuze te (her)overwegen. Komt die nieuwe fabriek (en de bijbehorende werkgelegenheid en kennisontwikkeling) in de EU of in de VS? Zelfs de Europese troefkaart op gebied van energieoplag, Northvolt, kijkt naar de VS voor nieuwe batterijfabrieken.

    Dat maakt het voor beleidsmakers in de EU, en in Nederland, des te prangender om na te denken over welke bedrijfstakken we hier willen krijgen, hebben en houden. En moet die fabriek dan in Nederland gevestigd zijn, of zijn er locaties binnen de EU die beter voldoet vanuit beschikbare energie?

    Willen we bijvoorbeeld een kunstmestfabriek, die zich richt op export, houden in Nederland? Momenteel verbruikt een kunstmestfabriek veel aardgas, dat is te vervangen door waterstof. Waterstof vergt echter veel extra wind- en zonne-energie. Accepteren we die in onze achtertuin of op de Noordzee omwille van de productie van kunstmest? Of heeft kunstmest geen (of een kleinere) rol in het landbouwsysteem waar we naartoe willen?

    Willen we datacenters die veel elektriciteit vragen, maar zich deels op Afrika richten? Zetten we in op fietsen, wandelen en ov, wat volgens het ontwerp klimaatplan nodig is om de klimaatdoelen op langere termijn te halen, of blijven we geld steken in elektrische auto’s? Bouwers van elektrische auto’s hebben we niet in Nederland, bedrijven die elektrische bussen en (elektrische) fietsen maken wel.

    Energieproductie opschroeven

    De huidige energiecrisis is een aanbodcrisis. Deels is dit op te vangen door vraagvermindering en gedragsverandering. Deels door het vinden van nieuw buitenlands aanbod van olie, kolen en gas. Dat gaat echter niet genoeg zijn en het vinden van alternatieve fossiele bronnen past echter niet in de klimaatdoelen van Nederland en de EU. Dat extra gaswinning in Groningen lastiger ligt dan vaak wordt gedacht heb ik al eerder toegelicht.

    Voor de lange termijn werkt het kabinet aan twee extra kerncentrales. Volgens RTL Nieuws komen deze in Zeeland. De verwachting is dat deze rond 2035-2036 operationeel zijn. Dat is te laat om een bijdrage te leveren aan het oplossen van de huidige aanbodcrisis. Als ze al rond die tijd operationeel zijn, want kostenoverschrijdingen en vertragingen zijn schering en inslag bij de bouw van nieuwe kerncentrales, zie ook deze eerdere berichten. En ja, dat geld ook bij de nieuwe troetelcentrales van het type small modular reactors, zoals het Institute for Energy Economics and Financial Analysis in februari 2022 al schreef en NuScale deze maand bevestigde met een prijsstijging van 58 naar 100 dollar/MWh. De eerste module wordt opgeleverd in 2029 (was oorspronkelijk 2024). Mocht u wel vertrouwen hebben in nieuwe kerncentrales dan kunt u zich aansluiten bij de atoomcoöperatie (al zijn we daar eigenlijk allemaal lid van).

    Voor de korte en middellange termijn biedt het versnellen van de bouw van hernieuwbare energie mogelijk wel een oplossing. De NVDE heeft daar vorig jaar al voorstellen voor gedaan en heeft deze recent aangevuld met een oproep om energietransitie prioriteit te geven bij de reductie van stikstof. Ook in Europees verband zijn er voor de komende 18 maanden afspraken gemaakt over het versnellen van procedures voor vergunningverlening aan duurzame energieprojecten.

    Meer betaalbare groene stroom

    Het vergroten van het aanbod aan elektriciteit van wind- en zonne-energie kan meer betaalbare groene stroom beschikbaar maken. De kostprijzen voor nieuwe wind- en zonne-energie op land lagen in 2022 namelijk onder de 6 Eurocent per kilowattuur voor wind op land en onder de 8 Eurocent per kilowattuur voor zonne-energie. Zelfs met de huidige stijgende prijzen voor grondstoffen en arbeid liggen deze kostprijzen ruim lager dan de prijzen van elektriciteit die geproduceerd wordt met kolen- en gascentrales. Het is alleen wel zaak om te zorgen dat de groene stroom niet voor de huidige marktprijs beschikbaar komt voor huishoudens en bedrijven, maar voor een betaalbaar tarief en liefst ook stabiel tarief. Gelukkig zijn er voorbeelden van initiatieven in Nederland en in het buitenland die daar al aan werken.

    Zo werken energiecoöperaties aan overeenkomsten tussen producent en afnemer, buiten de elektriciteitsbeurs om. Voor investeerders (lokale energiecoöperaties, maar ook commerciële investeerders) levert dit meer zekerheid op over de lange termijn opbrengsten van de elektriciteit die ze produceren. Voor afnemers van elektriciteit is het prettig als ze niet de huidige hoofdprijs hoeven te betalen. Een belangrijke term om dat te bereiken is gelijktijdigheid: kan je zorgen dat leden of afnemers de groene stroom afnemen op het moment dat deze geproduceerd wordt. Hoe beter dat lukt, hoe minder elektriciteit ingekocht hoeft te worden van andere energiebronnen (bv gas- en kolencentrales) en hoe lager de energierekening blijft. Voor het deel dat gelijktijdig wordt geproduceerd en afgenomen kan je namelijk langjarige afspraken maken tussen producent en afnemer buiten de elektriciteitsbeurs om.

    Praktijkvoorbeelden aanbod groene stroom tegen goedkoper tarief

    Er zijn ook nu al Nederlandse praktijkvoorbeelden van bestaande exploitanten die hun groene stroom voor een veel schappelijker tarief aanbieden dan commerciële aanbiedingen. Een voorbeeld is energiecoöperatie Betuwewind. Zij bieden leden die stroom afnemen via de coöperatie elektriciteit aan voor maximaal 15 Eurocent per kilowattuur, ver onder het prijsplafond en inmiddels uitverkocht. Het is voor andere leden wachten op het opleveren van nieuwe windturbines, zonnedaken en zonneparken voordat ze gebruik kunnen maken van het voordeel van stroom afnemen van de eigen lokale energiecoöperatie.

    Een ander Nederlands model is De Windcentrale, waarbij leden van de energiecoöperatie jaarlijks uitbetaald worden in kilowatturen. Deze worden gesaldeerd met het elektriciteitsverbruik tegen het kale leveringstarief. Wel zijn leden een bijdrage verschuldigd voor onbalanskosten en onderhoud van de windturbine. De kostprijs van elektriciteit van Windcentrales ligt bij mij persoonlijk de afgelopen jaren tussen de 8 en 14 Eurocent per kilowattuur (kaal leveringstarief, inclusief afschrijving, onderhoud, onbalans en btw, exclusief opslag duurzame energie en energiebelasting). Soms is dat duurder, maar nu is dat veel goedkoper dan het inkopen van stroom bij mijn energieleverancier.

    Ook in andere landen zijn er voorbeelden van modellen die inwoners en bedrijven kunnen beschermen tegen forse prijsstijgingen. Een mooi voorbeeld is de Australische staat ACT (Australian Capital Territory). Deze staat heeft de afgelopen jaren 100% van het elektriciteitsverbruik voor de komende 20 jaar ingekocht bij wind- en zonneparken.

    Daarbij is gebruik gemaakt van Contracts for a Difference (CfD). Bij deze contractvorm wordt er bij elektriciteitsprijzen die lager liggen dan de afgesproken prijs door ACT bijbetaald. Bij elektriciteitsprijzen die hoger liggen dan de afgesproken prijs betalen de exploitanten van wind- en zonneparken (een deel van) de extra opbrengst terug aan ACT. Met dat geld kan ACT de elektriciteitsprijzen voor inwoners en bedrijven verlagen. Een mooie combinatie van lange termijn garanties voor exploitanten van windturbines en zonneparken met het instant houden van de korte termijn prijsprikkels van de elektriciteitsbeurs. Het effect is dat veel van deze gecontracteerde wind- en zonneparken op dit moment geld betalen aan ACT.

    Overzicht projecten en gecontracteerde bedragen ACT

    Conclusie

    Behalve het inperken van de vraag is het belangrijk voor huishoudens en bedrijfsleven dat het aanbod aan energie snel stijgt. Bij elektriciteit kan dit bereikt worden door in te zetten op het versnellen van de ontwikkeling van wind- en zonne-energie. Waarbij het zaak is dat niet de (lokale) investeerder profiteert, maar vooral de (lokale) afnemers. Dat kan door langjarige prijsafspraken te maken. Voordeel voor de investeerder: zekerheid over de opbrengsten. Voordeel voor de afnemer: zekerheid over de hoogte van de energierekening. Het initiatief daartoe kan zowel komen van lokale energiecoöperaties of energiebedrijven, als van de lokale of landelijke overheid.

    Dit bericht is geschreven voor en gepubliceerd op Sargasso.

  • Is meer gaswinning in Groningen de oplossing voor de energiecrisis?

    Al het hele jaar wordt er van verschillende kanten opgeroepen om de huidige energiecrisis aan te pakken door de gaswinning in Groningen op  te schroeven. Ook de Correspondent had er in september een uitgebreid artikel over. De energie experts die daarbij aan het woord komen hebben het over een beperkte toename in de kans op aardbevingen en over de prijsdaling waar extra gasproductie voor zou zorgen. Een essentieel deel wordt echter stelselmatig genegeerd: Staatstoezicht op de Mijnen vind dat de veiligheidssituatie in Groningen bij het huidige lage winningsniveau al niet op orde is. Tijd om alle discussies op sociale media een keer op te schrijven. Met dank aan de waardevolle inbreng van Annegreet Blanken.

    Veiligheid in Groningen

    In juni 2022 zei de Inspecteur Generaal in het Financieel Dagblad:

    Ons oordeel van de situatie is dat het op dit moment in Groningen onvoldoende veilig is om aardgas te winnen. Dat heeft drie oorzaken. Ten eerste is een deel van de huizen nog niet verstevigd. Ten tweede zorgt gaswinning en de onzekere en trage versteviging van huizen voor gezondheidsschade bij mensen uit de regio. Ten derde verhoogt gaswinning de kans op schade aan huizen.

    De situatie in Groningen is niet veilig, ook al ligt de risiconorm voor gaswinning in Groningen een factor 10 lager ligt dan in de rest van Nederland (kans op overlijden per jaar van 1 op 100.000 i.p.v. 1 op 1.00.000). Zelfs die lagere norm is bij het huidige winningsniveau niet haalbaar, laat staan bij een hogere gaswinning. Bij een hogere gaswinning kan het ook zijn dat huizen die nu als veilig gelden onveilig worden. De bouwnorm is namelijk afgestemd op het terugschroeven en beëindigen van de gaswinning. Een cadeautje van ik meen voormalig minister Wiebes.

    Nu wil dat niet zeggen dat de onveilige situatie in Groningen een volledige showstopper is, want speciaal voor het Groningergasveld is er artikel in de Mijnbouwwet opgenomen die mogelijkheid biedt om veiligheid van Groningers af te wegen tegen leveringszekerheid voor verbruikers laag calorisch gas (Artikel 52a).

    Compenseer de Groningers

    Altijd fijn en snel gezegd: verhoog de gaswinning en gebruik de opbrengsten om Groningers te compenseren voor de schade aan hun woning. Alleen waarom zou een Groninger met schade geloven dat hij of zij daadwerkelijk gecompenseerd wordt? Lees de serie ‘Ik wacht‘ van het Dagblad van het Noorden uit 2019 nog eens terug, zoek uit hoeveel van die mensen inmiddels geholpen zijn en hoeveel wachters er bij zijn gekomen.

    De versterkingsoperatie in Groningen is de voorganger van de toeslagenaffaire. Het vertrouwen in beloften van de overheid of medeburgers die nu zuchten onder de hoge gasprijs onder Groningers met schade door gaswinning is laag. En terecht. Bovendien: waarom zouden ze nu een nog lagere veiligheid moeten accepteren om in de toekomst een veilige woning te krijgen? Nederland heeft het aan zichzelf te danken dat er ruim 10 jaar na de beving in Huizinge nog geen geloofwaardige versterkingsoperatie in Groningen aan de gang is en dat dezelfde premier er nog steeds zit.

    Heeft de hoge prijs effect op leveringszekerheid voor verbruikers van gas?

    In verschillende discussies wordt als volgende argument aangevoerd dat de hoge prijs effect heeft op de leveringszekerheid voor verbruikers van aardgas. In de wetsgeschiedenis of de Handelingen van de Tweede Kamer kom ik echter geen aanwijzing tegen dat hoge prijzen onderdeel zijn van definitie leveringszekerheid. Een standpunt en interpretatie dat door SodM wordt onderschreven:

    Nu wil dat niet zeggen dat de onveilige situatie in Groningen een volledige showstopper is, want speciaal voor het Groningergasveld is er artikel in de Mijnbouwwet opgenomen die mogelijkheid biedt om veiligheid van Groningers af te wegen tegen leveringszekerheid voor verbruikers laag calorisch gas (Artikel 52a).

    De versterkingsoperatie in Groningen is de voorganger van de toeslagenaffaire. Het vertrouwen in beloften van de overheid of medeburgers die nu zuchten onder de hoge gasprijs onder Groningers met schade door gaswinning is laag. En terecht. Bovendien: waarom zouden ze nu een nog lagere veiligheid moeten accepteren om in de toekomst een veilige woning te krijgen? Nederland heeft het aan zichzelf te danken dat er ruim 10 jaar na de beving in Huizinge nog geen geloofwaardige versterkingsoperatie in Groningen aan de gang is en dat dezelfde premier er nog steeds zit.

    Heeft de hoge prijs effect op leveringszekerheid voor verbruikers van gas?

    In verschillende discussies wordt als volgende argument aangevoerd dat de hoge prijs effect heeft op de leveringszekerheid voor verbruikers van aardgas. In de wetsgeschiedenis of de Handelingen van de Tweede Kamer kom ik echter geen aanwijzing tegen dat hoge prijzen onderdeel zijn van definitie leveringszekerheid. Een standpunt en interpretatie dat door SodM wordt onderschreven:

    De wetgever in Nederland is er heel duidelijk over dat dat niet is wat wij in Nederland willen. Een veiligheidsafweging mag alleen gemaakt worden ten opzichte van andere veiligheidsvraagstukken.  (…)

    De aanpassing van de Mijnbouwwet in 2018 verhindert dat economische belangen voorgaan op de veiligheid. De staatssecretaris mag pas een afweging maken om de winning in Groningen te verhogen op het moment dat er dusdanige gastekorten in Nederland zijn dat er andere veiligheidsproblemen in Nederland ontstaan, bijvoorbeeld geen levering van aardgas aan huishoudens of ziekenhuizen.

    Ik hou me aanbevolen voor verwijzingen waar uit blijkt dat het anders zit, maar ik heb geen reden om te twijfelen aan de uitleg van SodM.

    Tot slot

    Dus zorgen hoge prijzen voor problemen? Ja zeker, maar dat is geen reden om de veiligheid van Groningers nog meer in gevaar te brengen. Vergeet ook niet dat de  Handelingen van de Tweede Kamer vol met pleidooien voor hogere prijzen (lees energiebelasting) voor aardgas om verbruik te verlagen en verduurzaming te stimuleren. Niet tot de hoogtes die we sinds vorig jaar zien, maar het maakt het m.i. juridisch lastig om vol te houden dat hoge prijzen volledig ongewenst zijn.

    Ik wens politiek en toezichthouder succes met hun afwegingen, maar met volle opslagen, een gasprijs die op de spotmarkt soms onder €0 zakt en het huidige warme najaar betwijfel ik of je hard kunt maken dat de leveringszekerheid voor gebruikers laag calorisch gas in gevaar is.

    En tot slot, alle besluiten over wat wij doen bij een gastekort (of dat gas nou duur is of niet) zijn al genomen en vind je terug in het Bescherm- en Herstelplan Gas uit 2019.

    Mocht u zich zorgen maken over de effecten van de hoge energieprijzen op mensen die het minder breed hebben dan u, overweeg dan om de Euro 190 die u ontvangt te schenken aan een lokaal of landelijk initiatief om hen te helpen. Denk aan de Voedselbank, Energiebank of een ander initiatief. Doe ik al sinds maart dit jaar.

    Dit bericht is geschreven voor en gepubliceerd op Sargasso.

  • Varend ontgassen: Kamer fout geïnformeerd over nationaal ontgasverbod

    Voor Sargasso schreef ik in november 2021 al dat de Tweede Kamer onjuist geïnformeerd is over de mogelijkheid van een nationaal ontgasverbod. Dit deed ik op basis van een brief van schipper Ton Quist. Inmiddels geeft het Ministerie dit ook toe in een aanvullende reactie op de brief aan Harbers. Letterlijk schrijft het ministerie:

    Ik zie dat een deel van mijn mail ontbreekt. In uw brief geeft u terecht aan dat het IJsselmeer geen Aktewater betreft. Deze fout is helaas in een Kamerbrief terecht gekomen, maar u heeft gelijk.

    Voor wat betreft het uitstootverbod in Duitsland: het ministerie heeft jaren geleden uiteraard overwogen om de Regeling benzinevervoer in mobiele tanks te wijzigen. Met deze regeling is de Richtlijn nr. 94/63/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 20 december 1994 betreffende de beheersing van de uitstoot van vluchtige organische stoffen (VOS) als gevolg van de opslag van benzine vanaf terminals naar benzinestations, deels geïmplementeerd. In deze regeling is een ontgassingsverbod voor aardoliedestillaten volgens de EU definitie van de benzinedistributierichtlijn waaronder benzine (UN 1203), opgenomen. Met de wijziging kon dit ontgassingsverbod worden uitgebreid naar andersoortige stoffen zoals benzeen. De wijziging van de regeling is (mogelijk) een nationale kop op de Europese Richtlijn. De verantwoordelijkheid en de kosten voor het ontgassen zouden bij deze optie echter geheel komen te liggen bij de schippers. Het ministerie heeft daar expliciet niet voor gekozen, omdat we in het CDNI destijds juist toewerkte naar een verbod in lijn met het CDNI-principe van “de vervuiler betaalt”. Duitsland heeft deze keuze wel gemaakt door ook UN 1268 en UN 3475 toe te voegen.

    De actie van Duitsland werd dus niet als illegaal gezien, zoals u het stelt. Duitsland is dan ook niet in die hoedanigheid erop aangesproken.

    Daarmee is de aap uit de mouw: een nationaal verbod op varend ontgassen kan wel degelijk binnen de geldende internationale regelgeving en het ministerie lijkt af te hebben gezien van een nationaal verbod op varend ontgassen uit angst voor een nationale kop. Een term die stamt uit een van de laatste Kabinetten Balkenende. Politiek wellicht onwenselijk, maar daarmee nog niet in strijd met EU-recht, het ADN of het CDNI. Door geen ontgasverbod in te stellen is Nederland het afvoerputje van de regio, zoals De Gelderlander een aantal jaar geleden al liet zien met berichtgeving over ontgastoerisme.

    Zoals al vaker betoogt: het ADN regelt de veiligheid bij het transport van vluchtige organische stoffen. Het staat lidstaten niet vrij om andere veiligheidseisen te stellen, maar wel om beperkingen op te leggen op basis van volksgezondheid of milieu. Een mogelijkheid die ook de Herzien Akte van Mannheim biedt.

    Het nationale verbod op varend ontgassen dat er per 2020 zou zijn ligt ondertussen ergens te verstoffen in een Haagse bureaula. De korte samenvatting van dit slepende dossier lijkt dan ook: omwonenden en schippers kunnen de k***** krijgen om te voorkomen dat er een nationale kop op internationale regelgeving ontstaat.

    Dit bericht is geschreven voor en gepubliceerd op Sargasso.

  • Brief aan Harbers betreffende ontgassen van binnenschepen

    Onderstaande brief is in juni aan Ministers Harbers van Infrastructuur en Waterstaat gestuurd door Arie den Breejen, expert omgevingsrecht en in het verleden opsteller van de provinciale verordening waarmee varend ontgassen van benzeen en benzeenhoudende stoffen in de provincie Zuid-Holland werd verboden. De reactie van het ministerie is onderaan toegevoegd.

    Wat is ontgassen ook al weer?

    Bepaalde vloeistoffen verdampen snel. Deze zijn, zogezegd, vluchtig. Van dergelijke vloeistoffen blijven na het lossen van een tankschip dampen in de tank achter: restladingdampen. Deze dampen worden op weg naar een nieuwe belading vaak vrijelijk in de atmosfeer uitgestoten oftewel ontgast. Met deze uitstoot moet verontreiniging van de nieuwe lading worden voorkomen. Een dergelijke verontreiniging kan de lading onverkoopbaar en/of onbruikbaar maken. De uitstoot is niet zonder problemen. Veel van de uitgestoten stoffen zijn milieu- en gezondheidsschadelijk, bijvoorbeeld kankerverwekkend.

    Brief aan Harbers

    Geachte heer, mevrouw,

    In juni 2022 is in het tijdschrift Vervoer & Recht een bijdrage van mij, in een grijs verleden medewerker van het ministerie van Verkeer en Waterstaat, verschenen getiteld “Varen tussen juridische klippen: de omgang met restlading dampen van binnenschepen in de besluitvorming”. Deze bijdrage vormt een vervolg op een eerdere bijdrage in voornoemd tijdschrift verschenen in juni 2020 getiteld “Ontgassen van binnenschepen: klaart de lucht eindelijk op?”

    Ik had u graag een pdf van de bijdragen toegestuurd. De moderne digitale communicatiekanalen van de rijksoverheid staan die toezending tot mijn spijt niet toe.

    1. De regelgeving voor het ontgassen is, zoals u in de bijdragen kunt lezen, uiterst complex en omvangrijk en wordt om die reden, ook binnen betrokken overheden, zelden goed begrepen.
    2. Zoals u in de bijdragen kunt lezen is door het kabinet een oplossing voor het gezondheids- en milieuschadelijke ontgassen een halve eeuw (!) geleden aan de Kamer in het vooruitzicht gesteld. Van die oplossing is het tot op heden van rijkswege niet gekomen.
    3. Enige indicatie dat het kabinet met dit probleem in de afgelopen 50 jaar ooit serieus aan de slag is geweest, valt in de Kamerstukken nergens te vinden.
    4. Andere overheden hebben de gezondheidsproblemen van het ontgassen wel enigszins serieus genomen, zoals de Europese Unie. In 1994 is een richtlijn (benzinedistributierichtlijn) tot stand gekomen die het ontgassen van benzinedampen aan banden legde. Benzinedampen vormen na chemische omzetting in ozon in de leefomgeving, zoals u weet, een belangrijke bron voor longkwalen, onder meer bij kinderen, en vermoedelijk ook hart- en vaatziekten.
    5. De benzinedistributierichtlijn is geïmplementeerd in een regeling op grond van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. De Wet vervoer gevaarlijke stoffen heeft de openbare veiligheid als oogmerk. De Wet vervoer gevaarlijke stoffen gaat kort gezegd, over de problemen van ongevallen tijdens het vervoer van gevaarlijke stoffen. Gevaarlijk in de zin van deze wet zijn stoffen met ongevalseigenschappen: explosiviteit, brandbaarheid, acute giftigheid en dergelijke. Onder gevaarlijk in deze zin zijn geen stoffen met gezondheids- en milieugevaren op de lange termijn begrepen, zoals stoffen met kankerverwekkende eigenschappen en stoffen die als “zeer zorgwekkend” zijn aangeduid.
      De Wet vervoer gevaarlijke stoffen leent zich met andere woorden niet voor implementatie van de benzinedistributierichtlijn en om die reden is de Nederlandse implementatie van de benzinedistributierichtlijn in strijd met het Europese recht.
    1. Dat dit juridische probleem tot op heden niet aan het licht is gekomen, is wellicht verklaarbaar. Kort voor de eeuwwisseling werd binnen het ministerie van Verkeer en Waterstaat niet geformaliseerd besloten geen toezicht te houden op de naleving van de betreffende implementatieregeling op grond van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Dit besluit tot niet-handhaving was eveneens in strijd met het Europese recht. Te weten met Artikel 4, derde lid, Verdrag betreffende de Europese Unie.
    2. De parlementaire stukken en overige informatiebronnen geven geen enkele indicatie dat uw departement nadien op voornoemd besluit tot niet-handhaving is teruggekomen.
    3. Het besluit tot niet-handhaving van de distributierichtlijn kan worden gezien als een vorm van gedogen. Voor gedogen zijn door het kabinet richtlijnen gegeven. Niet-handhaving van de benzinedistributierichtlijn is in strijd met dit rijksbeleid.
    4. In mijn schrijven over de talloze en structurele tekortkomingen in de (vooral internationale en landelijke) regelgeving voor gevaarlijke stoffen (explosieven, radioactieve stoffen, virussen (met een risico van epidemieën/pandemieën), zeer giftige gassen (met een risico van gifwolken) en dergelijke), ressorterend onder de verantwoordelijkheid van de toenmalige minister van Verkeer en Waterstaat, d.d. 30 december 2005, heb ik ook gewezen op de tekortschietende landelijke regelgeving voor het ontgassen, en de illegale omgang daarmee. In haar reactie op dit schrijven, d.d. 27 januari 2006, kenmerk DGTL 06.006309, is uw voorganger, mevrouw Peijs, niet ingegaan op dit onderdeel van mijn kritiek.
    5. Mede op aandringen van gemeenten gelegen aan (rijks)vaarwegen is rond 2015 door de colleges van gedeputeerde staten van Noord-Brabant en Zuid-Holland besloten het ontgassen van het kankerverwekkende benzeen en een aantal benzeenhoudende koolwaterstoffen aan banden te leggen. Het verbod is nadien ook ingesteld door de provincies Flevoland, Gelderland, Noord-Holland, Utrecht en Zeeland.
    6. In het kader van de totstandkoming van het Zuid-Hollandse ontgasverbod is uw voorganger, bij brief van gedeputeerde staten, expliciet in de gelegenheid gesteld een zienswijze op het ontwerp van het Zuid-Hollandse ontgasverbod te geven. Van die mogelijkheid is door u, of liever gezegd, uw voorgangers, geen gebruik gemaakt.
    7. Nadien is gebleken dat u en uw voorgangers wel degelijk wat te zeggen hadden over de provinciale ontgasverboden. U en uw voorgangers bleken van oordeel dat de provinciale ontgasverboden hetzij helemaal niet van toepassing zijn, hetzij niet op rijkswateren. Voor dit standpunt zijn steeds andere, verder niet onderbouwde, argumenten aangevoerd: de Herziene Rijnvaartacte, de Europese overeenkomst voor het internationale vervoer van  gevaarlijke goederen over de binnenwateren (ADN) en het Verdrag inzake de verzameling, afgifte en inname van afval in de Rijn- en binnenvaart (CDNI of te wel het Scheepsafvalstoffenverdrag). Voornoemde standpunten zijn onder meer gecommuniceerd richting de Kamer.
    8. Voornoemd standpunten impliceren dat het verdergaande uitstootverbod in Duitsland internationaalrechtelijk eveneens illegaal zou zijn. De stukken geven geen indicatie dat het kabinet dit standpunt in de richting van de Duitse autoriteiten heeft gecommuniceerd. Het kabinetsstandpunt is kennelijk alleen voor nationaal gebruik bestemd.
    9. Wat van vorenstaande ook zij, in voornoemde bijdragen heb ik vrij omstandig uiteengezet waarom uw standpunten over de provinciale ontgasverboden juridisch geen hout snijden.
    10. Een vermoedelijk meer steekhoudend juridisch argument voor de onrechtmatigheid van de provinciale uitstootverboden ligt naar mijn mening wel in het verschiet: de Omgevingswet. Provincies zijn voornemens de ontgasverboden te enten op de Omgevingswet. Met de Omgevingswet zal het, anders dan op dit moment (Wet milieubeheer), vermoedelijk niet meer mogelijk zijn een regeling te treffen voor de gezondheids- en milieuaspecten van activiteiten met een mobiel karakter, zoals het ontgassen. Voor de onderbouwing van dit standpunt verwijs ik naar de laatstverschenen publicatie van mijn hand.
    11. Met de Omgevingswet zal de gezondheids- en (milieu)bescherming met betrekking tot zeer zorgwekkende en carcinogene, mutagene (erfelijke aandoeningen) en teratogene stoffen (aangeboren afwijkingen), waaronder nogal wat restladingdampen zijn begrepen, worden afgebouwd. Niet ondenkbaar is dat door de omgevingsrechtelijke (de)regulering restladingdampen in dit land niet meer mogen worden ontgast, maar daarna wel vrijelijk in de atmosfeer mogen worden uitgestoten vanuit een ontgasinstallatie. Met de Omgevingswet zullen gezondheidskundig en milieuhygiënisch met andere woorden heel wat paarden achter wagens worden gespannen.

    Een afschrift van dit schrijven stuur ik onder meer aan de Europese Commissie, een aantal Kamerfracties, de griffies van provinciale staten van Flevoland, Gelderland, Noord-Brabant, Utrecht, Zeeland en Zuid-Holland, gedeputeerde staten van deze provincies, de griffies van de gemeenteraad van Amsterdam, Rotterdam en Utrecht, burgemeester en wethouders van deze gemeenten, en de Vereniging Stop Ontgassen.

    Met vriendelijke groet,

    Arie den Breejen
    expert omgevingsrecht

    Reactie van het ministerie

    Geachte heer Den Breejen,

    Op 30 juni jl. heeft u een brief naar het ministerie gestuurd inzake het varend ontgassen van binnenvaarttankschepen. Ik wil u mijn excuses aanbieden voor de late beantwoording van uw brief. Helaas was ik geveld door een corona besmetting en was ik aansluitend met verlof.

    Bij deze wil ik graag een reactie geven op uw brief.

    In uw brief geeft u een opsomming van enkele juridische aspecten van dit dossier. Ik kan daar weinig aan toevoegen gelet op de inhoud van de eerder verstuurde Kamerbrieven en debatten over dit onderwerp. Het aangepaste Scheepsafvalstoffenbesluit is enige tijd geleden aangenomen na een positief advies van de Raad van State. In de internetconsultatie zijn geen bezwaren geuit. Met de inwerkingtreding van het aangepaste Scheepsafvalstoffenbesluit wordt de juiste juridische basis gecreëerd voor een internationaal verbod op het ontgassen van de meest vervoerde stoffen waarbij de kosten van het ontgassen worden neergelegd bij de juiste partij, de verlader.

    Ik kan u inmiddels melden dat België de ratificatie van de wijziging van het CDNI-verdrag heeft afgerond. Dat is heugelijk nieuws, omdat we zo een stap dichter bij een internationaal afgesproken ontgassingsverbod komen. Frankrijk en Zwitserland dienen de ratificatie nog af te ronden. Tot die tijd werken we in de taskforce samen met andere overheden en het bedrijfsleven om Nederland klaar te maken voor het verbod. In de zomer heeft de minister samen met de provincies en de industrie gesproken over de wens om het ontgassen nu al te reduceren. Op dit moment werken deze partijen samen aan een roadmap om deze doelstelling nader te concretiseren.

    Met vriendelijke groet,

    De cynische reactie van de heer Den Breejen:

    Reactie op mijn schrijven. Ik had geen ander antwoord verwacht. (…) Gewoon de meeste punten negeren, verwijzen naar Kamerstukken en ook nog lolly’s uitdelen ter troost. (…)

    Slotwoord

    Zoals wel vaker in dit dossier stuurt de rijksoverheid inwoners (en Kamerleden) met kritische vragen met vaagheden en algemeenheden het bos in. Liefst zonder concreet in te gaan op de vragen. De vraag is nu welk Kamerlid het setje vragen uit de brief van de heer Den Breejen destilleert en deze als schriftelijke vragen indient. Het gaat dan onder andere om de volgende vragen:

    1. Klopt het dat overtreding van het ontgasverbod uit de benzinedistributierichtlijn gedoogd wordt? Zo nee, hoe is handhaving van de benzinedistributierichtlijn uit 1997 in Nederland geregeld?
    2. Zo nee, op welke locaties in Nederland kunnen schippers hun schip na het vervoer van stoffen die onder de benzinedistributierichtlijn vallen op verantwoorde wijze ontgassen?
    3. Zo nee, kunt u een overzicht van handhavingsacties (waaronder waarschuwingen en processen verbaal tegen schippers en verladers) sinds 1997 van de benzinedistributierichtlijn overleggen?
    4. Zo ja, kunt u aangeven hoe gedogen van ontgassen van stoffen die onder de benzinedistributierichtlijn past binnen de Kabinetskaders voor gedogen?
    5. Zo ja, is de Europese Commissie ingelicht over het Nederlandse gedoogbeleid?
    6. Deelt u het standpunt van de heer Den Breejen dat uit uw standpunt t.a.v. de rechtsgeldigheid van het provinciaal en nationaal ontgasverbod volgt dat Duitsland in strijd handelt met het internationaal recht? Zo nee, waarin zit het verschil met de Nederlandse situatie?

    Dit bericht is eerder gepubliceerd op Sargasso.

  • Hoe financier je de warmtetransitie bij koopwoningen?

    De afgelopen jaren hebben alle gemeenten een warmtevisie opgesteld. Een plan waarin ze aangeven hoe ze in de periode tot 2050 denken de woningen en gebouwen in hun stad over te schakelen van aardgas voor verwarming naar andere warmtebronnen. Een belangrijk discussiepunt is en blijft haalbaarheid en betaalbaarheid. De focus bij een deel van de Tweede Kamer ligt op de sociale woningbouwsector. Dat is nou net de enige sector waar gemeenten via de prestatieafspraken met woningbouwcorporaties afspraken kunnen maken. Veel lastiger zijn de vrije huursector en de koopsector. Uit gegevens van Jan Willem van de Groep blijkt dat in de koopsector veel meer CO2 uitstoot plaats vind dan in de sociale huursector, en dat het om veel grotere aantallen woningen gaat. Tegelijkertijd is het bij de huidige op hol gesloten huizen- en energieprijzen lastig om ook nog geld vrij te spelen voor verduurzaming van de woning. Onno Dwars, Ballast Nedam, stelde op LinkedIn voor om huizenbezitters te verplichten om verduurzaming uit hun overwaarde te financieren. Groot vraagteken daarbij is en blijft of dat past problemen met financierbaarheid oplost en voor de woningeigenaar: verdienen we onze investeringen wel terug bij verkoop van de woning? Daarom een proefballon, schiet hem gerust lek met een beter voorstel.

    Financierbaarheid verduurzaming

    Bij financierbaarheid van een extra lening spelen twee begrippen een rol: loan to value en loan to income. Beide bedacht om mensen te behoeden tegen onverantwoord grote schulden. Loan to value wil zeggen dat mensen hooguit een percentage van de waarde van het onderpand mogen lenen. Bij huizen ligt dat in Nederland vrij hoog, je mag tot 100% van de waarde van je woning lenen. Voor duurzame verbouwingen mag dit bij sommige hypotheekverstrekkers stijgen tot 106% van de woningwaarde. Als je de maximale waarde van de woning moet lenen, blijft er op moment van aankoop 6% van de woningwaarde over om te steken in het duurzaam verbouwen van je woning. De waarde van een woning fluctueert door de tijd, de laatste jaren zijn veel woningen in waarde gestegen. Waardoor de loan to value gedaald is en er meer ruimte kan zijn om extra te lenen om te verbouwen aan je woning.

    Loan to income wil zeggen dat je een maximaal percentage van je inkomen mag uitgeven aan rente en aflossing van de hypotheek. Dit percentage hangt af van inkomen, rentestand en de vraag of de lening al dan niet onder de hypotheekrenteaftrek valt. Deze regels liggen vast in de Tijdelijke regeling hypothecair krediet.

    Een derde uitdaging die speelt is dat investeringen in verduurzaming van de woning zich niet altijd terug verdienen, hoewel dat bij de huidige gas- en elektriciteitsprijzen een minder groot punt zal zijn.

    Financieren vanuit overwaarde

    Het voorstel van Onno Dwars om huizenbezitters te verplichten om verduurzaming van hun woning te financieren vanuit de overwaarde op hun woning oogt sympathiek. Het logische moment voor veel mensen is echter als ze een nieuwe woning kopen, alleen dan hebben ze in de huidige woningmarkt vaak al hun geld en leenvermogen nodig om een woning te kunnen kopen. Terwijl de verkoper een belastingvrije overwaarde incasseert. Een deel van de huizenbezitters zal die overwaarde inzetten om een nieuwe woning te kopen, een deel niet. Dat het om serieus geld gaat laten de indexcijfers van CBS zien.

    Prijsindex Bestaande Koo
    Prijsindex bestaande koopwoningen. 2015 = 100. Bron: CBS, Kadaster

    Hoe dan ook is het de vraag waarom we als maatschappij die belastingvrije overwaarde niet inzetten voor verduurzaming? Bij voorkeur via een heffing gebaseerd op het energielabel van de woning. Hoe slechter het energielabel, hoe hoger de heffing. Met een heffing van 0% voor woningen die NOM (Nul op de Meter) of ENG (Energie Neutraal Gebouw) zijn.

    De gemiddelde waarde van verkochte woningen is gestegen van Euro 230.194 in 2015 naar Euro 386.714 in 2021, een stijging van ruim Euro 150.000. Energie besparen is belangrijk, de hoogste heffing wil je dan ook zetten op de energielabels E, F en G. Dat zet meteen een rem op pandjesbazen en woningbouwcorporaties die proberen van hun slechte energielabels af te komen zonder deze energetisch aan te pakken. En het geeft de nieuwe eigenaar financiële ruimte om de woning te verduurzamen. Onderstaande percentages zijn een ruw voorstel, waarbij

    EnergielabelHeffingspercentageHeffing bij verkoop na 7 jaar*Budget voor B nieuwe bewonerBudget voor A nieuwe bewoner
    ENG0%€ 0
    A5%€ 7.826
    B10%€ 15.652€ 7.826
    C15%€ 23.478€ 7.826€ 15.652
    D20%€ 31.304€ 15.652€ 23.478
    E30%€ 46.956€ 31.304€ 39.130
    F40%€ 62.608€ 46.956€ 54.782
    G50%€ 78.260€ 62.608€ 70.434

    Om te zorgen dat de heffing gebruikt wordt voor het verduurzamen van de woning wordt het geld gestort op een bouwdepot bij de hypotheekverstrekker. De hypotheekverstrekker keert het geld uit op basis van facturen van maatregelen. Wanneer de nieuwe eigenaar een energielabel A of beter van de woning overlegd wordt het volledige bouwdepot uitgekeerd, ongeacht de gemaakte kosten.

    Kosten verduurzaming woning

    De kosten om een woning te verduurzamen liggen veelal lager dan de heffing bij verkoop na 7 jaar. Een woning van voor 1930 (veelal energielabel G) naar energielabel B brengen vergt volgens de WoonWijzerWinkel een investering van ongeveer Euro 15.000. Woningen uit de periode 1930-1945 hebben nog steeds vaak label G, maar het bereiken van energielabel B kan volgens WoonWijzerWinkel voor ongeveer Euro 11.000. In de periode 1946-1964 werden nog weinig eisen gesteld aan isolatie van woningen, toch hebben ze volgens de WoonWijzerWinkel gemiddeld een iets beter energielabel F. Dat neemt niet weg dat de kosten voor het bereiken van energielabel B nog steeds zo’n Euro 11.000 bedragen. Er zijn ook andere aanpakken mogelijk, zo stelt Urgenda dat het mogelijk is om bestaande woningen voor Euro 35.000 energieneutraal te maken. Ook zijn er concepten zoals Nul-op-de-meter, passief bouw en active house, waarbij veel zwaarder ingezet op energiebesparing. In de heffingssystematiek kan je daar rekening mee houden door naast het energielabel ook voorwaarden te stellen aan de isolatiewaardes van de woning. Dat scheelt energie, of het nu elektriciteit, warmte of gas is. En laten we eerlijk zijn: hoeveel mensen worden blij van meer zonnevelden, windturbines, aardwarmteputten of restwarmte? De beste energievorm om op in te zetten blijft dus de NegaWatt.

    Kosten verduurzaming vs hoogte heffing

    De kosten voor het bereiken van energielabel B liggen vaak lager dan de heffing op basis van de gemiddelde overwaarde van een woning. Ook de kosten om energieneutraal te worden via de methode van Urgenda is goedkoper. NOM woningen zijn naar mijn weten vaak nog wat duurder, hoewel ik denk dat je voor bijna Euro 80.000 een eind kunt komen. Zeker huizenbezitters in het duurdere marktsegment. Het is daarmee interessant voor een huidige woningeigenaar om zijn woning te gaan verduurzamen, mits dat past binnen de loan to value en loan to income voorwaarden van de wet. Het budget voor energielabel A en energielabel B in bovenstaande tabel zijn namelijk de kosten die een huiseigenaar uitspaart door z’n woning te verduurzamen. Aangezien het slechts een percentage is is de kans groot dat loan to value geen probleem vormt. Bovendien blijkt uit verschillende onderzoeken dat de waarde van woningen toeneemt als het energielabel verbetert. Vooral buiten de Randstad heeft een beter energielabel een groot effect op de woningwaarde. In Amsterdam levert een energiesprong van energielabel G naar energielabel A een waardestijging van ruim 7% op.

    Loan to income kan wel een probleem vormen, dan resten een huiseigenaar twee opties: zelf klussen om de woning naar een beter energielabel te krijgen of accepteren dat een groter deel van de overwaarde van de woning naar de nieuwe eigenaar gaat om de woning te verduurzamen. Een derde optie is gebouwgebonden financiering via de gemeente, maar daarvoor moeten nog wat hobbels worden weggenomen.

    Openstaande punten

    Mijn voorstel is verre van compleet. Het systeem kan werken voor grondgebonden woningen. Voor appartementencomplexen en VvE’s is het lastiger. Daar zullen veelal alle leden van de VvE mee moeten doen met de verbouwing, zeker als het om betere isolatie van de schil of de ramen gaat. Mogelijk dat in die gevallen de opbrengst van de heffing te koppelen valt aan financiering van maatregelen uit het duurzaam meerjarenonderhoudsplan van de VvE. Waarbij het bestuur van de VVE het geld uit het bouwdepot kan gebruiken voor verbetering van het energielabel van het hele complex. Niet helemaal eerlijk, want de verhuizer betaalt dan een groot deel van de verbeteringen. Aan de andere kant kan het wel voor de broodnodige versnelling zorgen en de broodnodige NegaWatts. Dat laatste scheelt weer in de hoeveelheid gasverbruik en de hoeveel duurzame energie die opgewekt moet worden.