Stadsverwarming: financiële donderwolk boven de Randstad

In het Klimaatakkoord is een belangrijke rol weggelegd voor stadsverwarming. Afgelopen jaar zijn er echter verschillende berichten naar buiten gekomen die grote problemen laten zien bij warmtebedrijven. De Rekenkamer Nijmegen was begin dit jaar kritisch over de totstandkoming van het warmtenet in de wijk Nijmegen-Noord. In Rotterdam was de rekenkamer ook kritisch over de plannen voor een leiding naar Leiden en bericht de NRC al een paar weken over de oplopende tegenvallers bij het Warmtebedrijf Rotterdam, waarvoor de gemeente en provincie garant staan. Het Afval Energie Bedrijf (AEB) in Amsterdam, waar de tegenvaller voor de gemeente volgens de Telegraaf op kan lopen tot een half miljard Euro, is voorlopig gered met een kapitaalinjectie van 16 miljoen Euro door gemeente en een consortium van banken.

Verwarmen met restwarmte

Op papier klinkt het altijd mooi: waarom huizen en gebouwen verwarmen met aardgas, als het ook kan met restwarmte van de industrie, elektriciteitscentrales of afvalcentrales? In de praktijk lopen bewoners, bestuurders en gemeenteraadsleden met regelmaat tegen problemen op. Een van de standaardproblemen doet zich voor bij bewoners en heeft zijn achtergrond in de regelgeving. Op papier mogen de kosten voor stadsverwarming niet hoger zijn dan de kosten van verwarmen met aardgas, in de praktijk hebben er altijd behoorlijk wat gaten in de regelgeving gezeten.

De belangrijkste en makkelijkste weg om de afzet van warmte te verhogen en de kosten voor de bewoner op te schroeven is dat aansluiting aaneen warmtenet meetelt bij het bepalen van de energiezuinigheid van een huis. Daardoor is er minder isolatie nodig om op papier even energiezuinig te zijn als een woning die met aardgas wordt verwarmd. De warmtevraag van een woning met stadswarmte ligt dan wel hoger dan een woning met aardgas die op papier dezelfde energiezuinigheid heeft. Het verschil kan in de loop van de jaren behoorlijk in de papieren lopen ten nadele van de afnemer van stadswarmte.

Doordat de prijs van warmte gekoppeld is aan de prijs van aardgas en de energiebelasting op aardgas al een aantal jaren stapsgewijs oploopt loopt ook de energierekening stapsgewijs op. Vereniging Eigen Huis schat in dat huishoudens met blok- of stadsverwarming door deze koppeling in 2019 gemiddeld €164 meer dan in 2018 betalen voor de levering van warmte. Er liggen al jaren plannen om de koppeling tussen de gasprijs en stadswarmte te schrappen, tot op heden zijn die niet uitgevoerd. Warmteleveranciers mogen ook lagere tarieven rekenen dan de maximumtarieven die de Autoriteit Consument en Markt (ACM) stelt.

Nijmegen

In Nijmegen werd al in 1996 besloten dat de nieuwe wijk Waalsprong gasloos zou worden. Aanvankelijk werd gekozen voor een zogeheten hybride warmtenet om te komen tot een duurzame warmtevoorziening in de Waalsprong. Maar op onnavolgbare wijze werd in 2011 gekozen voor een traditioneel middentemperatuurnet. De raad is over dat besluit van het college pas achteraf geïnformeerd en is daardoor volgens de Rekenkamer Nijmegen onvoldoende in de gelegenheid gesteld zijn controlerende en kaderstellende rol te vervullen. De Rekenkamer Nijmegen noemde de totstandkoming van het warmtenet in de wijk Nijmegen-Noord eind vorig jaar:

Inconsistent, niet transparant, en daardoor onnavolgbaar en niet controleerbaar.

De gemeente Nijmegen is ook onvoldoende in staat geweest strategische belangen te borgen. Waardoor de gemeente sterk afhankelijk geworden van Nuon, ook voor de energietransitie in de bestaande stad.  Zo blijkt dat de raad in 2012 niet is gekend in de keuze in te zetten op ondertekening van een  contract met Nuon, waarin een aansluitplicht op het warmtenet in de Waalsprong en het Waalfront werd vastgelegd. Voor inwoners van de Waalsprong is het daardoor nauwelijks mogelijk voor een  andere oplossing te kiezen bij de bouw of verbouw (verduurzaming) van hun woning. Al heeft Nuon de afsluitboete voor bewoners inmiddels geschrapt, toch klaagden bewoners eerder dit jaar tegen Omroep Gelderland nog over de hoge stookkosten en de over het gebrek aan alternatieven:

Die warmtewisselaar van de Nuon is heel klein, die past in de meterkast. Een warmtepomp past daar niet in. Ook verwarming met bijvoorbeeld waterstof is volgens hem onmogelijk omdat er in Nijmegen Noord geen gasleidingen zijn aangelegd die (met aanpassingen) waterstof zouden kunnen aanvoeren naar de woningen

De Rekenkamer Nijmegen stelt ook dat er geen duidelijkheid is over hoe duurzaam het warmtenet in de praktijk is. Er zijn namelijk geen transparante berekeningen van de CO2-reductie die met het warmtenet gerealiseerd wordt. Ook is niet bekend in welke mate het warmtenet bijdraagt aan het doel Nijmegen energieneutraal in 2045. Voorafgaand aan de aanleg werd aangegeven dat die daar een belangrijke bijdrage aan zou leveren.

Rotterdam

De provincie Zuid-Holland heeft grootse plannen met warmte. Al jaren wordt door het bureau Warmte Koude Zuid-Holland gewerkt aan de warmterotonde. Eerder waren er tegenvallers doordat de kolencentrales na grote maatschappelijke druk niet aangesloten mochten worden op de warmterotonde, onder andere de raad van Den Haag en de Tweede Kamer keerde zich hier tegen.

Een ander kwakkelend onderdeel van de plannen om tot een warmterotonde te komen is het Warmtebedrijf Rotterdam. Waar al jaren geld bij moet vanuit de gemeente, NRC spreekt over 80 tot 200 miljoen euro sinds de oprichting in 2006. Eerder dit jaar toonde de Rekenkamer Rotterdam zich kritisch over de plannen van Warmtebedrijf Rotterdam voor een transportleiding naar Leiden om de levering van warmte aan Nuon over te nemen van de huidige warmteleverancier Uniper. De Rekenkamer Rotterdam vond dat het Rotterdams college eerlijk moest zijn zijn over de financiële risico’s die deze uitbreiding van het warmtenet met zich meebrengt. Die tekortkomingen staan niet duidelijk genoeg in de risicoanalyse, stelt de Rekenkamer Rotterdam. De risicoanalyse kreeg van de Rotterdamse Rekenkamer een onvoldoende. Ook twijfelde de Rekenkamer Rotterdam over de juistheid van de voorgespiegelde CO2 reductie. De gemeente gaat uit van 60-70 kiloton minder CO2 uitstoot. De Rekenkamer komt niet verder 45 kiloton. Ook constateerde de Rekenkamer Rotterdam dat het realiseren van meer aansluitingen op het warmtenet in Rotterdam in plaats van de leiding naar Leiden verhoudingsgewijs lokaal meer emissies van broeikasgassen en stikstofoxiden worden vermeden, tegen fors minder kosten en met minder risico’s.  Wat ook beter bijdraagt aan het publieke belang van de Rotterdamse deelneming in Warmtebedrijf Rotterdam.  WBR en de gemeente zijn echter juridisch gebonden aan uitbreiding naar Leiden.

De raad van Rotterdam stemde begin februari in met de uitbreiding naar Leiden die 118 miljoen Euro moest kosten, ondanks deze waarschuwing van de Rotterdamse Rekenkamer. Daarbij speelde mee dat het Warmtebedrijf Rotterdam zich heeft verplicht om vanaf 1 januari 2020 warmte te leveren aan Nuon in Leiden en dat later beslissen er toe zou leiden dat de leiding niet meer dit jaar aangelegd zou kunnen worden. Inmiddels is duidelijk dat de aanleg van de warmteleiding vertraagd is en dat de aandeelhouders van het Warmtebedrijf Rotterdam, in casus de Provincie Zuid-Holland en de gemeente Rotterdam, volledig verantwoordelijk zijn voor de schade die dit Nuon oplevert.

Het Warmtebedrijf Rotterdam is in 2006 opgericht door het Havenbedrijf Rotterdam en de gemeente Rotterdam. Curieus daarbij is dat de gemeente voor 30% aandeelhouder is in Eneco, de grootste regionale concurrent van het Warmtebedrijf Rotterdam. Eneco legde een aantal jaren geleden zelf een leiding over noord aan, waardoor het Warmtebedrijf Rotterdam een belangrijk deel van de lokale markt kwijt raakte aan een ander gemeentelijk bedrijf.

Het Warmtebedrijf Rotterdam heeft lokaal nooit voldoende afnemers gevonden voor de warmte die het verplicht inkoopt bij afvalverbrander AVR – een deal die de gemeente voor het Warmtebedrijf sloot. Regelmatig is gesuggereerd door wethouders en bedrijfsleiding dat een rendabele toekomst voor het Warmtebedrijf dichtbij was, terwijl het van crisis naar crisis zwalkte. In 2016 en 2017 ontwikkelen de gemeente Rotterdam en de Provincie Zuid-Holalnd samen een reddingsplan. De oplossing voor de financiële nood van het Warmtebedrijf, zo denkt wethouder Adriaan Visser (D66), ligt in Leiden. Nuon levert daar warm water aan zo’n 13.000 Leidse huizen en 200 bedrijven. Het contract van Nuon met warmteleverancier Uniper loopt in 2020 af. Als het Warmtebedrijf (WBR) de positie van Uniper kan innemen, heeft het eindelijk afnemers voor de overtollige warmte die het al jaren verplicht inkoopt bij AVR.

Om het water in Leiden te krijgen, is naar schatting maximaal 140 miljoen euro nodig. Het probleem van het Warmtebedrijf ziet er voor de Zuid-Hollandse gedeputeerde Han Weber uit als een oplossing: restwarmte van de Rotterdamse industrie gebruiken om het gasverbruik bij huishoudens en bedrijven te verlagen. In het coalitieakkoord van 2015 heeft D66 100 miljoen euro binnengehaald voor de ontwikkeling van duurzame energie. Een prachtig resultaat, waar de leiding naar Leiden prima in past als onderdeel van de warmterotonde.

Inmiddels is de aanleg minimaal twee jaar vertraagd en mag de gemeenteraad van Rotterdam zich na het reces buigen over het zoveelste reddingsplan voor het Warmtebedrijf Rotterdam.

Amsterdam

In Amsterdam is een van de warmtebronnen voor stadswarmte het Afval Energie Bedrijf (AEB). Het AEB verwerkt en verbrand niet alleen afval, maar levert ook warmte aan zo’n 35.000 huishoudens en is met Nuon eigenaar van Westpoort Warmte. Westpoort Warmte bezit het warmtenet in Amsterdam Noord en Nieuw-West. Vorig jaar concludeerde de Amsterdamse Rekenkamer dat de gemeente financiële en juridische risico’s loopt door de rommelige wijze waarop Westpoort Warmte gegroeid is. De uitbreiding van stadsverwarming naar nieuwe buurten onderhands gegund aan Westpoort Warmte. De Rekenkamer vraagt zich af of dat wel strookt met Europese staatssteun- en aanbestedingsregels. Als concurrenten van Nuon en AEB zich daardoor gedupeerd voelen, loopt de gemeente juridische risico’s. De gemeente Amsterdam heeft afvalenergiebedrijf AEB in de tussentijd verzelfstandigd. Als enige aandeelhouder van AEB heeft de gemeente geen directe zeggenschap meer over Westpoort Warmte. Maar zonder dat de gemeente beschikt over afvalovens of andere warmtebronnen staat de gemeente nog wel garant voor de levering van warmte voor tienduizenden huishoudens door Westpoort Warmte. Dat kan de gemeente in verlegenheid brengen als de afvalverbrandingsovens van AEB stukgaan.

En laat dat nou net gebeurd zijn. Momenteel liggen 4 van de 6 verbrandingsovens op last van de Omgevingsdienst Noorzeekanaalgebied stil. De Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied vond dat de installaties van AEB een groot risico opleverden voor medewerkers en omgeving. Het kan negen maanden duren voor alle ovens weer werken, zegt AEB.

Eerder dit jaar maakte Vattenfall/Nuon en AEB bekend dat ze 400 miljoen Euro wilde investeren om hun warmtenetten in Amsterdam onderling te verbinden. De bedoeling was om overtollige warmte van AEB te kunnen leveren aan het verzorgingsgebied van Nuon. Voorlopig heeft AEB door het stilleggen van 4 van de 6 verbrandingslijnen een te kort aan warmte. Volgens Het Parool wordt al gewerkt aan het bijplaatsen van dieselaggregaten om het te kort aan warmte vanaf september op te kunnen vangen. Bij besluitvorming over het warmtebedrijf heeft de gemeenteraad volgens de Amsterdamse Rekenkamer helemaal het nakijken. Bij besluiten over nieuwe investeringen in uitbreiding van het warmtenet wordt de gemeenteraad wel betrokken, maar belangrijke risico’s zijn volgens de Rekenkamer niet met de raad gedeeld.

De Telegraaf berichtte enige weken geleden dat het AEB op omvallen zou staan. De technische staat van de verbrandingsovens en stoomturbines is om te huilen en levensgevaarlijk om mee te werken. Daarnaast gaat iedere minuut minstens tien keer het alarm in de fabriek af wegens storingen en een groot deel van de werknemers is onbekwaam.

Over de gehele linie zijn de systemen niet robuust genoeg en het controlesysteem bevat vele componenten die verouderd zijn en niet meer kunnen worden vervangen. Ook is er een overload aan alarmen die het systeem genereert en die medewerkers niet meer kunnen overzien. Het aantal alarmen per uur is een veelvoud van waar menselijkerwijs op kan worden geacteerd”,

schreef de nieuwe directie van AEB in een brandbrief aan de gemeente.

De Vereniging Afvalbedrijven heeft ook een brandbrief aan de gemeente Amsterdam, de eigenaar van AEB, geschreven over de risico’s voor de inzameling van afval in Nederland door de problemen bij de Amsterdamse afvalverwerker AEB. Andere afvalbedrijven kunnen de problemen wel tijdelijk oplossen, maar dan moet AEB de extra kosten betalen. Het gaat dan om de kosten voor het transport van het afval naar andere afvalverbrandingsinstallaties en voor de kosten om importcontracten voor buitenlands afval af te kopen. En omdat AEB zelf geen geld heeft, moet de gemeente, als eigenaar, de portemonnee trekken. De totale kosten voor de gemeente Amsterdam lopen daarmee nog hoger op.

De AEB verwerkt enkel nog huisvuil uit de gemeente Amsterdam en omliggende gemeenten. Andere klanten die hun vuil in het Westelijk Havengebied laten verbranden, kunnen er voorlopig niet terecht. Zij moeten uitwijken naar elders. AEB heeft op zich genomen de financiële gevolgen te dragen. Alleen heeft AEB geen geld meer. Bovendien raken de opslagbuffers voor afval elders in Nederland vol, waardoor het opgehaalde afval nergens meer heen kan. Wanneer de buffers vol zijn kan ook het ophalen van afval in andere plaatsen in Nederland gaan stagneren.

Voorlopig lijkt het AEB gered door een kapitaalinjectie van 16 miljoen Euro door een consortium van banken, waarvan 6 miljoen gegarandeerd door de gemeente. Het bankenconsortium betreft banken die al leningen bij AEB hebben uitstaan. Dat verkleint voorlopig het risico dat banken waar AEB leningen van ruim 200 miljoen heeft uitstaan, waaronder ING, ABN Amro, Deutsche Bank en BNG Bank, zich terugtrekken. In dat geval zal er in totaal 350 miljoen euro van de gemeente nodig zijn. Accountantsorganisatie KPMG berekende bovendien dat de gemeente als eigenaar van de fabriek het eigen vermogen van AEB (145 miljoen euro) en een lening (108 miljoen euro) volledig moet afschrijven. De totale strop voor Amsterdam zou daarmee uitkomen op ruim een half miljard euro. Hoewel het

De gemeente Amsterdam heeft ook een crisisteam ingesteld dat plannen uitwerkt om het ophalen en de verwerking van Amsterdams huishoudelijk afval en de warmtelevering van 35.000 huishoudens in Amsterdam op korte én lange termijn te garanderen. De gemeente laat daarnaast een extern onderzoek uitvoeren naar de oorzaken en achtergronden van de ontstane situatie bij AEB. Buiten dat is de Rekenkamer Amsterdam kritisch op de informatievoorziening aan de raad en over de nagestreefde duurzaamheidsdoelen. Deze zijn naar mening van de Rekenkamer Amsterdam niet scherp gedefinieerd. Zo is onduidelijk hoe de gemeente de doelstellingen voor bv. CO2 reductie wil meten. Hetzelfde geldt voor doelstellingen als betaalbaarheid van de warmtevoorziening.

Conclusie

Ondanks de mooie plannen kan geconstateerd worden dat stadsverwarming in de praktijk weerbarstig is. Zowel de kosten voor bewoners kunnen tegenvallen, als de risico’s die gemeenten lopen bij hun plannen om een warmtebedrijf op te richten. Met name Rotterdam en Amsterdam lopen grote financiële risico’s, terwijl dit ook steden zijn met grootse plannen om hun warmtenetten verder uit te breiden. Dat roept de vraag op hoeveel politiek wensdenken er in de kostencalculatie en het CO2 effect van het klimaatakkoord zit voor het op warmtenetten aansluiten van bestaande woonwijken. Daarbij is democratische controle op de besluitvorming lastig, omdat veel informatie het stempel bedrijfsgeheim of vertrouwelijk krijgen. De Rekenkamers van Nijmegen, Rotterdam en Amsterdam constateren alle drie dat de raad door deze gebrekkige informatievoorziening haar controlerende en kaderstellende rol onvoldoende kan vervullen. Inmiddels denkt de gemeente Nijmegen ook over het oprichten van een eigen warmtebedrijf. Het is te hopen dat ze daarbij niet dezelfde vergissingen maken als Amsterdam en Rotterdam. Hetzelfde geldt voor de vele andere gemeenten die overwegen om een warmtebedrijf op te starten als middel om een aardgasvrije gebouwde omgeving te bereiken.

Dit bericht is geschreven voor en gepubliceerd op Sargasso.

Sargassoredacteur Steeph bij EenVandaag over hitterecords

Vorige week was Sargassoredacteur Steeph te gast bij EenVandaag in een item over het nieuwe hitterecord, mede naar aanleiding van de serie wereldtemperatuur, die hij op Sargasso bijhoudt. Het item van EenVandaag staat helaas nog niet los op de website, dus we doen het met een tweet waar het item in zit:

Dit bericht is geschreven voor en gepubliceerd op Sargasso.

Groningse tegenslagen voor het rijk bij juridische aanpak mijnbouwschade

De Nederlandse staat is (indirect) aansprakelijk voor schade die ontstaat door gaswinning in Groningen. Dat stelt de Hoge Raad in antwoorden op prejudiciële vragen die daarover door een lagere rechtbank waren gesteld. Ook blijkt uit het nader rapport van het tijdelijk wetsvoorstel Groningen dat de Raad van State de poging van het rijk. Shell en Exxonmobil om de civielrechtelijke route af te sluiten voor gedupeerden heeft getorpedeerd, omdat dat in strijd is met artikel 112 van de Grondwet.

Tijdelijk wetsvoorstel Groningen

In het wetsvoorstel Minimaliseren gaswinning Groningen gaf het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat aan dat gewerkt werd aan een oplossing voor gedupeerden van mijnbouwschade, waarbij de afhandeling onder publiekrecht gebracht zou worden. Dit voornemen werd ook vastgelegd in het Akkoord op Hoofdlijnen dat de staat en NAM (Shell en Exxonmobil) sloten over compensatie voor het dichtdraaien van de Groningse gaskraan in 2030. Het Tijdelijk wetsvoorstel Groningen, kamerstuk 35250, had dit moeten regelen. In 2018 kregen de juristen Hammerstein, Teuben en Franssen de opdracht om in het Technisch advies Wet Instituut Mijnbouwschade aan te geven of:

de wijze waarop de afhandeling van schade door de overheid en de (financiële) aansprakelijkheid van de exploitant in dit wetsvoorstel is vormgegeven een effectieve invulling is van de, mede in het akkoord op hoofdlijnen verwoorde, uitgangspunten dat: – het Instituut exclusief bevoegd is om aanvragen om vergoeding van schade af te handelen; – gedupeerden niet meer bij NAM maar bij het Instituut aanspraak kunnen maken op vergoeding, enOok voor de kleine velden zijn er zeer waarschijnlijk afspraken met NAM, Vermillion en andere – NAM niet meer zelf aansprakelijk zal zijn jegens gedupeerden, maar wel de financiële gevolgen van afhandeling van schade door de overheid blijft dragen.

De Raad van State heeft hier met haar advisering op het wetsvoorstel een stokje voor gestoken:

De Afdeling stelt voorop dat de mogelijkheid om een vergoeding ter zake van schade bij de Tijdelijke Commissie of het Instituut te vragen, de aansprakelijkheid van de NAM onverlet laat. Artikel 112 van de Grondwet brengt mee dat de burgerlijke rechter bevoegd is kennis te nemen van vorderingen waaraan de eiser ten grondslag heeft gelegd dat jegens hem een onrechtmatige daad is gepleegd. Blijkens de jurisprudentie van de Hoge Raad geldt dat ook indien de wetgever de bestuursrechter ‘bij uitsluiting’ bevoegd heeft verklaard. Het is daarom aan de burgerlijke rechter zelf om te bepalen of een vordering ontvankelijk is. Daarbij komt dat bij de burgerlijke rechter ook nog andere vorderingen kunnen worden ingesteld dan een vordering tot schadevergoeding. Dit betekent dat de toegang tot de burgerlijke rechter als restrechter niet door de wetgever kan worden uitgesloten. Overigens wijst de Afdeling erop dat tot nog toe slechts enkele gedupeerden de NAM aansprakelijk hebben gesteld, ondanks dat de Tijdelijke Commissie niet bevoegd is alle vormen van schade te vergoeden. De voorgestelde uitbreiding van de bevoegdheid van het Instituut, vult deze leemte op. De veronderstelling lijkt daarom gerechtvaardigd dat het beroep op het Instituut nog zal toenemen, in het bijzonder wat betreft schade door waardedaling van woningen. Voorts bestaat er op voorhand geen aanleiding om te veronderstellen dat de burgerlijke rechter en de bestuursrechter over de schade verschillend zullen oordelen. De bestuursrechter heeft sinds 1994 ervaring opgedaan met schadezaken en is daarbij gehouden de relevante regels van het BW toe te passen, die daarvoor bij uitstek zijn bedoeld. Het risico van uiteenlopende uitspraken is daardoor klein. Gelet op het voorgaande adviseert de Afdeling af te zien van de exclusiviteit van het Instituut en de regel dat burgerlijke rechter een vordering tot vergoeding van schade niet-ontvankelijk dient te verklaren, te schrappen.

Het ministerie van EZK heeft het advies van de Raad van State gevolgd in het wetsvoorstel Tijdelijke wet Groningen, waarmee het Technisch advies Wet Instituut Mijnbouwschade van Hammerstein, Teuben en Franssen uit 2018 de facto achterhaald is. Hierdoor houden mensen met mijnbouwschade twee routes om deze te verhalen. De voorkeursroute van het rijk is via het Instituut Mijnbouwschade Groningen en loopt via het bestuursrecht. Volgens sommige juristen heeft deze route een aantal voordelen voor gedupeerden ten opzichte van de civiel rechterlijke route, bijvoorbeeld als het gaat om de duur van de gerechtelijke procedure.

Om te voorkomen dat een gedupeerde zowel via bestuursrecht als via civiel recht haar gelijk probeert te halen stelt de Tijdelijke wet Groningen dat een gedupeerde haar claim op het mijnbouwbedrijf, in casu NAM en/of EBN, overdraagt aan de staat. Dit betekent in de praktijk dat als een gedupeerde een aanvraag bij het Instituut Mijnbouwschade heeft ingediend en deze door het Instituut in behandeling is genomen, hij niet later alsnog kan besluiten om zijn schadevergoeding via de burgerlijke rechter op de exploitant te verhalen. Ook is bepaald dat, wanneer een gedupeerde ervoor kiest om zijn schade langs de civielrechtelijke weg direct op exploitant te verhalen door een schikkingsovereenkomst te sluiten met de exploitant of een vordering tot vergoeding van schade in te stellen bij de burgerlijke rechter, hij niet terecht kan bij het Instituut. Als de gedupeerde de onderhandelingen met NAM afbreekt of de vordering bij de burgerlijke rechter intrekt, voordat deze een uitspraak heeft gedaan over de vergoeding waar de gedupeerde recht op heeft, kan de gedupeerde wel bij het Instituut terecht.

Om de rechtseenheid tussen bestuursrecht en civielrecht te bewaren wordt in de memorie van toelichting ingegaan op de wijze waarop dit nu geregeld is. Het Kabinet geeft ook aan welke extra maatregelen ze voorbereid om de rechtseenheid tussen de verschillende hoogste rechtsorganen te bewaren.

Effect advies Raad van State op Akkoord op Hoofdlijnen

Het advies van de Raad van State dat de afspraak uit het Akkoord op Hoofdlijnen om de schadeafhandeling onder publiekrecht te brengen in strijd is met artikel 112 van de Grondwet kan vergaande gevolgen hebben voor de geldigheid van het Akkoord op Hoofdlijnen. Daarmee bevat het Akkoord op Hoofdlijnen namelijk een nietige afspraak, een afspraak die de staat niet had mogen maken op grond van de Grondwet. De hamvraag is dan of de afspraak over uitsluiting van de toegang tot het civiel recht onlosmakelijk verbonden met de rest van het Akkoord op Hoofdlijnen? Als dat het geval is is de hele overeenkomst ongeldig, het antwoord op die vraag is voer voor juristen. Als het ministerie van EZK zijn deel van de afspraken uit de Overeenkomst op Hoofdlijnen niet kan nakomen staat het NAM (en haar aandeelhouders) vrij om naar de arbitragerechter te stappen.

De minister heeft in april het advies van de Technische Commissie Bodembeweging (TCBB) over een landelijke aanpak mijnbouwschade aan de Tweede Kamer gestuurd. In de appreciatie daarvan schrijft de minister dat hij hecht aan een uniform gedragen landelijk schadeprotocol voor de kleine gasvelden op land. De TCBB adviseert ook om tot een schadeprotocol per type mijnbouw te komen. Te beginnen met de kleine gasvelden.
Ook voor dit schadeprotocol voor de kleine velden is het advies van de Raad van State belangrijk, want er zijn vermoedelijk conceptovereenkomsten gemaakt met operators over de bestuursrechtelijke route als exclusieve mogelijkheid. In een van de recente winningsplannen voor kleine velden (helaas niet goed gearchiveerd door mij) werden al opmerkingen gemaakt die daar op leken te wijzen. Deze overeenkomsten zouden dus ook alle nietig kunnen zijn. Temeer omdat de Raad van State in haar advies op de Tijdelijke wet Groningen ook aangeeft dat het Het Nederlandse aansprakelijkheidsrecht als uitgangspunt heeft dat schade die is veroorzaakt door een private partij in beginsel langs civielrechtelijke weg op die partij zelf wordt verhaald. Het is uitzonderlijk dat de overheid de afhandeling van schade overneemt van een private partij, daarom vind de Raad van State dat de voorgestelde regeling een tijdelijk karakter dient te krijgen.

Staat sinds 2005 indirect aansprakelijk voor mijnbouwschade Groningen

Naar aanleiding van een rechtszaak van een Gronings echtpaar met aardbevingsschade aan hun huis heeft de rechtbank Noord-Nederland prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad over de wijze waarop bepaalde rechtsregels moeten worden toegepast. Het echtpaar heeft niet alleen de NAM gedaagd maar ook de staat, Energie Beheer Nederland (EBN) en de Maatschap Groningen.
In de beantwoording van de vragen oordeelt de Hoge Raad dat niet alleen de NAM, maar ook EBN als exploitant van het Groninger gasveld geldt en daarmee aansprakelijk is voor schade door gaswinning. Dat maakt dat de staat, als 100% aandeelhouder van EBN, indirect aansprakelijk is. Daarnaast stelt de Hoge Raad dat de Nederlandse staat sinds 2005

op de hoogte moeten zijn van de reële kans op ernstige of wijdverbreide schade door aardbevingen als gevolg van gaswinning

In 2003 deed zich een piek voor in het aantal aardbevingen, die bovendien ook sterker werden. Het ging ook toen al om meerdere bevingen met een kracht van boven de 3. Daar kwam bij dat het KNMI in 2004, ruim voor de aardbeving in Huizinge van 2012, een rapport publiceerde, waarin stond dat de situatie in de Groningse ondergrond niet langer “stationair” was.

De formule die tot die tijd was gebruikt om de maximaal te verwachten magnitude van een aardbeving te berekenen, was daardoor niet goed bruikbaar.

De rechtbank Noord-Nederland zal nu de vraag moeten beantwoorden of de staat na 2005 voldoende heeft gedaan om ernstige schade te voorkomen en om haar burgers te beschermen. In NRC stelt Herman Bröring, hoogleraar bestuursrecht aan de Rijksuniversiteit Groningen, daarover:

Er komen nu zeven jaren bij van mogelijke aansprakelijkheid. Dat wordt heel interessant.

Tegenover de NOS stelt de advocaat van het Groningse echtpaar, Woltman, dat het oordeel van de Hoge Raad van belang is voor alle zaken over aardbevingsschade. Want niet alleen is nu bepaald dat de staat indirect verantwoordelijkheid draagt, ook spreekt de Hoge Raad zich uit over waardedaling van huizen en immateriële schade, oftewel smartengeld. Woltman:

De Hoge Raad geeft nu een duidelijk spoorboekje hoe rechters en gerechtshoven kunnen handelen. Je kunt daarmee wel spreken van een kleine aardverschuiving binnen de rechtsorde.

In een reactie van zondag 21 juli 2019 geeft de Groninger Bodem Beweging aan wat volgens haar de belangrijkste punten uit de beantwoording van de Hoge Raad zijn, naast de al eerder genoemde indirecte aansprakelijkheid van de staat:

  • Het bewijsvermoeden is alleen te weerleggen als bewezen wordt, of voldoende aannemelijk gemaakt, dat gaswinning niet de oorzaak is. De Hoge Raad hanteert een iets ander criterium als de technische commissie van de TCMG voor het ontkrachten van het bewijsvermoeden. Dit zal echter in de praktijk weinig verschil maken.
  • Immateriële schade, zoals geestelijk letsel, wordt toegekend. Je moet het wel kunnen aantonen en dat is bijna niet te doen.
  • Gederfd woongenot wordt als schade gezien. Dit kan berekend worden middels virtuele gederfde huurinkomsten.
  • Waardevermindering kan pas worden vastgesteld op het moment dat de bodem tot rust is gekomen. De rechter kan wel een voorschot toewijzen. Dit oordeel sluit niet uit dat een regeling kan worden getroffen voor een tegemoetkoming, uitkoop of garantie, zoals de waardeverminderingsregeling waar minister Wiebes momenteel aan werkt.

Met dat laatste oordeel gaat de Groninger Bodem Beweging in tegen de reactie van advocaat Pieter Huitema, die de belangen verdedigt van Stichting WAG (Waardevermindering door Aardbevingen Groningen). Stichting WAG vertegenwoordigt zo’n 5.000 gedupeerden die de waardevermindering van hun woning vergoed willen krijgen. De Groninger Bodem Beweging zit daarmee op de lijn van Nicolette Marié, namens wie advocaat Woltman optreed:

Amendement 2016 geld voor proefprocessen

In 2016 diende GroenLinks en Partij voor de Dieren een amendement in op de begroting van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat, waarmee ze Euro 200.000 wisten te reserveren voor proefprocessen tegen de NAM. Dit amendement dat nodig was omdat toenmalig minister Kamp een aangenomen motie van Van Tongeren over het financieel ondersteunen van juridische procedures van gedupeerden weigerde uit te voeren. Het amendement had als doel om te zorgen dat Groningers makkelijker de weg naar de rechter zouden vinden. De rechter is in Nederland de enige die onafhankelijk is en afdwingbare uitspraken kan doen die maatgevend zijn voor soortgelijke gevallen.

De Hoge Raad geeft met haar beantwoording van de prejudiciële vragen de aanzet tot rechterlijke uitspraken waarop andere gedupeerden zich kunnen beroepen De rechtszaak van het Gronings echtpaar beschouw ik als het type proefproces waarvoor het amendement Van Tongeren-Ouwehand bedoeld was (disclaimer: ik was op de achtergrond de opsteller van het amendement). De afgelopen jaren heeft het ministerie van EZK geweigerd het amendement Van Tongeren-Ouwehand uit te voeren, het Gronings echtpaar dat via de rechtbank Noord-Nederland prejudiciële vragen wist te laten beantwoorden door de Hoge Raad heeft dus ook geen financiële ondersteuning vanuit het ministerie van EZK ontvangen.

Inmiddels is het geld van het amendement bij motie van Van der Lee cs. ter beschikking gesteld voor juridische ondersteuning voor mensen die er niet uitkomen met de NAM nadat ze naar de arbiter bodembeweging zijn gestapt en daarin juridische begeleiding nodig hebben. Een heel andere bestemming dan waar het geld voor bedoeld was en die geen jurisprudentie kan opleveren, hetgeen juist de oorspronkelijke bedoeling van de motie en de motie en het amendement van Van Tongeren was. Gelukkig zijn er Groningers die eigenwijzer en volhardender zijn dan Kamerleden:

PS Follow the Money heeft een groot wob-verzoek lopen over contacten tussen Shell en de overheid. Mocht iemand in de stukken daarvan iets tegenkomen over het amendement Van Tongeren – Ouwehand dan hou ik me aanbevolen.

Dit bericht is geschreven voor en gepubliceerd op Sargasso.

Wetenschap: kans op hittegolf juni minstens vijf keer zo waarschijnlijk door klimaatverandering

Afgelopen juni was wereldwijd de heetste juni ooit gemeten. Ook werden er verschillende Europese weerrecords gebroken. Deze extreme hitte leidde onder andere tot natuurbranden in Spanje, verlaging van de maximumsnelheid op Duitse wegen en uitstel van nationale schoolexamens in Frankrijk. Kunnen we dit extremere weer toeschrijven aan klimaatverandering?

Klimaatwetenschapper Geert Jan van Oldenborgh van het KNMI werkt met een groep onderzoekers van World Weather Attribution aan zogenaamde ‘attributiewetenschap’. Uit de studie naar de hittegolf van afgelopen juni in Frankrijk bleek dat deze hittegolf minstens vijf keer zo waarschijnlijk is geworden door klimaatverandering. De effecten van klimaatverandering zijn dus nu al merkbaar.

Onderzoeken kunnen ook aantonen dat er geen relatie is met klimaatverandering, vertelt Geert Jan van Oldenborgh:

We hebben ook studies gedaan naar de droogte in Oost-Afrika, waar we geen enkel verband konden vinden met klimaatverandering. Dat rapporteren we ook.

Open waanlink

Dit bericht is geschreven voor en gepubliceerd op Sargasso.

Energieopwekking en energieverbruik juni 2019

Juli is begonnen, dus tijd voor het energieverbruik en de energieopwekking over juni. Niet dat het een spannende maand is, de kachel is uit, de zonnepanelen en zonneboiler pruttelen lekker door. Het is dus eigenlijk een erg saaie maand. Tijd om eens naar wat andere aspecten te gaan kijken. Bijvoorbeeld de voorspelling van de energierekening door het energiebedrijf, want die schommelt tot mijn verbazing door de seizoenen heen.

Wat20182019verschil
Ruimteverwarming (kWh)000%
Warm water (kWh)2022020%
Apparaten (kWh)238214-10%
Verbruik/graaddag (kWh/graaddag)0,000,000%
Elektriciteitsafname (kWh)23841876%
Teruglevering (kWh)204
Elektriciteitsverbruik (kWh)238214-10%
Zonnepanelen (kWh)2832851%
Zonnedelen (kWh)3837-3%
Winddelen (kWh)6744-34%
Zonneboiler (kWh)14318227%
Totaal opwekking (kWh)5325483%
Netto elektriciteitsverbruik (kWh)-150-1521%

Energieverbruik naar bron in juni

Zoals altijd in de zomermaanden is ons gasverbruik erg laag. Het grootste deel van de benodigde warmte voor warm water wordt in de zomer nou eenmaal geleverd door onze zonneboiler. Wat zich in onderstaande grafiek wel aftekent is dat we in maart onze verwarming van cv-ketel op gas naar infrarood op elektriciteit hebben omgezet. Waarmee ons elektriciteitsverbruik van maart tot en met mei een behoorlijke groei laat zien. Aangezien we in juni niet hebben gestookt verwijs ik voor het effect op het energieverbruik terug naar mijn eerdere berichten over het energieverbruik in maart, april en mei. Of naar onze eerste ervaringen met het effect op de energierekening. Vanaf oktober verwacht ik weer nieuwe meetresultaten.

Ook bij het verbruik over 12 maanden is effect te zien op zowel het totale energieverbruik als op het aandeel elektriciteitsverbruik in de totale mix. Vanaf begin dit jaar loopt ons 12 maands energieverbruik terug. Inmiddels zit het op 10.269 kWh aan elektriciteit en aardgas, waarvan 5.371 kWh (554 m3) aardgas. In dezelfde periode vorig jaar was dit 7.119 kWh aardgas (731 m3). In totaal 1.680 kWh minder gasverbruik terwijl het elektriciteitsverbruik met slechts 315 kWh is toegenomen.

Het aandeel elektriciteit is opgelopen van 30% naar 37%. Aardgas voorziet nog steeds voor 53% is onze energiebehoefte, de laatste 10% komt van onze zonneboiler. Op basis van onderstaande grafiek durf ik de stelling wel aan dat we aan het eind van het jaar weer stroom gaan inkopen.

Energieverbruik per m2 en graaddag

Het netto energieverbruik in kWh per m2 vloeroppervlakte is in juni licht gedaald, doordat onze zonnepanelen nu per saldo stroom terugleveren en het gasverbruik zeer laag lag. 2019 blijft op het niveau van de zuinigste jaren sinds we in ons huis wonen.

Ook wanneer gekeken wordt naar het energieverbruik per graaddag, dus gecorrigeerd voor weersinvloeden, dan zit ons energieverbruik in 201 onder het energieverbruik van eerdere jaren. Met een beetje geluk duiken we deze zomer (wanneer er meestal toch ook wel een paar dagen kouder dan 18 graden Celsius zijn) zelfs onder de 2 kWh per graaddag. Iets wat in de zomer van 2015 bijna leek te lukken.

Voorschot GreenChoice

De berekening van het voorschot door Greenchoice blijft ondoorgrondelijk. In eerste instantie werd het elektriciteitsverbruik in de app van Greenchoice extreem hoog ingeschat op 97.350 kWh per jaar. Later daalde dit naar ongeveer 3.700 kWh per jaar, een stuk meer in lijn met ons werkelijke verbruik. Een paar weken goede zon heeft ons geschatte verbruik laten dalen tot 3.240 kWh. Op de website wordt ons elektriciteitsverbruik bij energieverbruik vergelijken op dit moment ingeschat op 1.416 kWh per jaar. Op het tabblad termijnbedrag instellen staat dan weer 3.240 kWh. Sowieso is het tabblad vergelijken een feest van verwarring. Er staat namelijk dat ik mijn termijnbedrag waarschijnlijk te laag is en dat mijn termijnbedrag waarschijnlijk te hoog is. Ook staat er dat mijn verbruik 129% hoger is dan vorig jaar, dus wellicht is het tijd om het voorschotbedrag te verhogen.

Bij gasverbruik is het verschil ook groot. In de app van Greenchoice en op de website bij het instellen van het voorschotbedrag wordt ons jaarverbruik ingeschat op 115 m3 per jaar, op de website bij vergelijken op 717 m3 aardgas per jaar. Nu lijkt 115 m3 per jaar me op basis van ons historisch gasverbruik erg laag. Tenzij ze nu al rekening houden met het feit dat we elektrisch gaan verwarmen. Als daar rekening mee wordt gehouden is het aantal kilowattuur elektriciteit met 3.240 aan de lage kant, tenzij dat gaat om de kWh die ik inkoop bij Greenchoice bovenop de elektriciteitsopwekking van onze winddelen en zonnepanelen. Die zijn samen namelijk goed voor zo’n 3.500 kWh op jaarbasis.

Bij de maandelijkse voorschotbedragen valt me al een paar jaar op dat het geadviseerde voorschotbedrag in de zomer daalt en in de winter stijgt. Alsof het Greenchoice niet lukt om in het algoritme rekening te houden met onze zonnepanelen en zonneboiler. In juni is ons adviesbedrag gedaald van 82 naar 75 Euro. Geen wereldschokkend verschil, ik heb alleen zo’n vermoeden dat het geadviseerde voorschotbedrag vanaf oktober weer stapsgewijs gaat oplopen.

Variabele energiekosten

Onze variabele energiekosten ontwikkelen zich in juni zoals verwacht: een lichte daling als gevolg van weinig gasverbruik en veel elektriciteitsopwekking. De variabele energiekosten liggen nog steeds iets hoger dan met een cv-ketel.

De kosten voor gasverbruik liggen uiteraard lager dan met een hr-ketel, maar nog steeds niet onder het laagste niveau van de afgelopen jaren. Wel is er een duidelijk knik in maart door de overschakeling van verwarming met hr-ketel naar verwarming met infraroodverwarming.

De elektriciteitskosten liggen uiteraard hoger dan voorgaande jaren. In juni zijn de kosten wel gedaald ten opzichte van mei, met dank aan onze zonnepanelen. Al heb ik niet de illusie dat we dit jaar nog een maand hebben waarin de cumulatieve kosten vanaf januari terug naar 0 Euro komen, zoals in 2017.

Rekenkamer: stimuleren elektrisch rijden 65% goedkoper dan verwacht

Gisteren kwam de Rekenkamer met een brief aan de Tweede Kamer over de kosten van het stimuleren van elektrisch rijden. Het onderzoek is uitgevoerd op verzoek van de Tweede Kamer. De Rekenkamer concludeert dat het reduceren van CO2 via het stimuleren van elektrisch rijden een dure manier is om de CO2 uitstoot te verlagen. De Rekenkamer kwam in de verantwoordingsonderzoeken over 2013 en 2014 ook al tot deze conclusie. Het Interdepartementale Beleidsonderzoek CO2 (IBO CO2) uit 2016 noemde het stimuleren van elektrisch rijden de duurste maatregel per ton CO2 reductie bezien vanuit de overheidsfinanciën. De Rekenkamer trekt in zijn brief de berekeningen van de staatssecretaris , die uitkomt op € 1.700 per vermeden ton CO2, in twijfel. Met de rekenmethode van de Algemene Rekenkamer kunnen die kosten oplopen tot bijna € 2.000 euro per bespaarde ton CO2. Dat is echter nog steeds een 65% lager dan de € 5.700 per bespaarde ton CO2 uit IBO CO2 van 2016. De echte vraag zou moeten zijn: waarom wijkt de prognose van IBO CO2, PBL en ECN zoveel af van de werkelijke overheidskosten per ton CO2 reductie?

Kosten elektrisch rijden: IBO CO2 en Rekenkamer

In het IBO CO2 van 2016 (pdf) staan tabellen met de kosten en effecten van verschillende maatregelen om CO2 te reduceren. In tabel 5.2 staat voor het stimuleren van elektrisch rijden een prijs van € 5.700 per ton vermeden CO2 voor de overheid. Ook de Rekenkamer constateerde al in 2013 en 2014 dat elektrisch rijden een dure manier is om de CO2 uitstoot te reduceren. Elektrisch rijden is dan ook een maatregel die thuishoort in de categorie meters voorbereiden in plaats van meters maken. Bij meters voorbereiden gaat het om doorbraaktechnologieën die nodig zijn om in 2050 de CO2 reductie te halen. De nationale kosten lagen volgens IBO CO2 met ruim € 900 per bespaarde ton CO2 een stuk lager en dalen richting 2030 scherp naar € 90 per ton CO2. De nieuwste prognoses van het PBL zijn dat de nationale kosten in 2030 nog lager zullen zijn en rond de € 0 per ton CO2 reductie uit komen. Journalisten en politici draaien het frame ondertussen de andere kant op en doen het voorkomen alsof de hoge overheidskosten voor het stimuleren van elektrisch rijden een verrassing zijn, terwijl ze dus feitelijk nu al 65% lager liggen dan de verwachte overheidskosten per ton CO2 reductie in 2020.

Ook de reactie van Remco Dijkstra, Tweede Kamerlid voor de VVD, speelt in op de hoogte van de subsidie.

Gelet op de verantwoordingsrapporten van de Rekenkamer uit 2013 en 2014 en het rapport van IBO CO2 uit 2016, dat in de Tweede Kamer volop gebruikt werd in de discussies over klimaatbeleid, kan het echter geen verrassing zijn dat het stimuleren van elektrisch rijden geen kosteneffectieve manier is om de CO2 uitstoot te verminderen. De verantwoordingsrapporten van de Rekenkamer uit 2013 en 2014 zijn voor de VVD ook geen reden geweest om na 2013 tegen de stimulans van elektrische auto’s te stemmen in de Tweede Kamer of om deze af te bouwen. Het is voor de VVD ook geen reden om zich zorgen te maken over de kosten van die andere vorm van nulemissie personenauto’s: waterstof. Sterker nog die kan Kamerlid Remco Dijkstra niet snel genoeg gaan:

Ook al zijn er miljoenensubsidies van de EU en Nederlandse staat nodig om een winstgevend bedrijf als Shell te porren om 4 waterstoftankstations aan te leggen. Shell ontvangt 1 miljoen Euro per waterstofstation van de Nederlandse staat en 7,2 miljoen van de EU voor de realisatie van 8 waterstoftankstations in de Benelux, waarvan 4 in Nederland. Uitgaande van de doelstelling om in 2025 15.000 waterstofauto’s te hebben rijden is dat een subsidie van 533 Euro per voertuig.

Daar komt dan nog de subsidie voor het voertuig bovenop en die gaan minstens gelijk zijn aan de kosten van elektrische auto’s. Ook bij waterstofauto’s zijn de voordelen vooral voor de zakelijke rijders, waarbij er voor waterstof een speciale Louwman-bonus geldt. Vanaf 2019 is er, voor de categorie van 4% bijtelling, een maximum van 50.000 euro fiscale waarde. Voor bedragen daarboven geldt het bijtellingspercentage van 22 procent. Uitzondering hierop zijn auto’s die op waterstof rijden. Een voordeel ten opzichte van batterij-elektrische auto’s met een fiscale waarde boven de 50.000 euro, dat vooral ten goede komt aan rijders van Toyota (80.000 Euro) en in minder mate Hyundai (vanaf 70.000 Euro). De overheidskosten per bespaarde ton CO2 gaan waarschijnlijk minstens zo hoog zijn als voor elektrische auto’s, waarschijnlijk zelfs hoger vanwege conversieverliezen bij de productie van waterstof en bij de conversie van waterstof naar elektriciteit om de elektromotor van de waterstofauto aan te drijven.

Klimaatbeleid tegen minder overheidskosten

Wie wil weten hoe klimaatbeleid dat een minder groot beslag legt op overheidsmiddelen er uit ziet kan ook bij het IBO CO2 rapport terecht, want de overheidsmiddelen zijn veel effectiever in te zetten voor klimaatbeleid. Alleen liggen die electoraal wat gevoelig bij de VVD en het CDA, die het klimaatbeleid sinds 2013 vorm heeft gegeven onder premier Rutte. Kijk maar even mee naar de rangschikking van klimaatmaatregelen op basis van oplopend overheidskosten, zoals het IBO CO2 die in 2016 publiceerde. Waarbij ik de tabellen van maatregelen voor sectoren die onder het Europees emissiehandelsysteem voor CO2 (ETS) en de sectoren die daar niet onder vallen heb samengevoegd. Het gaat om de overheidskosten en emissiereductie in 2020. Maatregelen waarvoor geen overheidskosten voor 2020 vermeld zijn heb ik weggelaten.

ETS of non-ETSMaatregelOverheidskosten (in EUR/tonDirecte emissiereductie (excl. Evt. waterbed)
ETS6. CO2 bodemprijs (brits model) industrie-233710
Non-ETS12. Kilometerheffing vrachtverkeer-13650,4
Non-ETS14. Kilometerheffing personenvervoer (7 Eurocent/km vlak)-8211,7
ETS2. Aanpassen 3e en 4e schijf EB op aardgas-6600,2
ETS10. Sluiting alle kolencentrales voor 2020-678,1
ETS7. Sluiting oude kolencentrales van voor 1990-610,7
ETS4. CO2 bodemprijs (brits model) elektriciteitsopwekking-441,6
ETS8. Verdubbelen kolenbelasting elektriciteitsopwekking0 -0,7
Non-ETS6. Reductie methaanslip uit (wkk-)gasmotoren00,9
Non-ETS7. Afspraken gemiddeld label B huurwoningen00,4
Non-ETS9. Verhogen aandeel biobrandstoffen transport00,6
ETS5. Opkoop ETS-rechten111
ETS11. Budgetneutrale prijsprikkel energie-intensieve160,6
ETS13. CCS demonstratieproject ROAD461,2
ETS14. SDE+ regeling wind op land813,7
Non-ETS10 Label C koopwoningen binnen 2 jaar na verhuizing860,5
Non-ETS13. Aanpassen 1e schijf EB aardgas (+) en elektriciteit (–)890
ETS12. SDE+ regeling biomassameestook kolencentrales934,3
Non-ETS11. Minimaal label B huurwoningen1390,9
Non-ETS8. Verplichting monomestvergisting van mest1511,3
ETS1. Verscherpte handhaving Wet Milieubeheer1541
Non-ETS1. Verscherpte handhaving Wet Milieubeheer1541
ETS16. SDE+ regeling grootschalig zon-pv1550,9
ETS15.SDE+ regeling wind o pzee1663,6
Non-ETS1. Verplichte toepassing zuiniger banden2191,2
Non-ETS3. EU-norm CO2 uitstoot personenauto’s naar 95g/km2510,7
Non-ETS5. Terugdraaaien verhoging maximum snelheid2580,1
Non-ETS15. STEP-regeling (huursector)9300,1
Non-ETS16. Fiscaal stimuleren nulemissieauto’s57000

De top 10 goedkoopste klimaatmaatregelen, bezien vanuit overheidsfinanciën leest als de lijst met taboeonderwerpen voor de opeenvolgende Kabinetten onder leiding van de VVD van de afgelopen jaren. Van Remco Dijkstra en Pieter Omtzigt, die zich zorgen maken over de hoge kosten van het stimuleren van elektrische auto’s hoor ik graag welke andere maatregelen ze dan wel hadden willen nemen. Bij Bart Snels heb ik daar wel een beeld van, want GroenLinks stond in 2016 vooral andere maatregelen voor om de CO2 uitstoot te verminderen. Maatregelen die een stuk dichter bij het lijstje met voor de overheid goedkope maatregelen komen, zie de Klimaatbegroting 2017-2020 uit 2016 (pdf). Al moet daarbij gezegd dat ook GroenLinks voorstander was van het stimuleren van elektrisch rijden, omdat het een belangrijke techniek is om de autoindustrie op de middellange termijn minder CO2 uit te laten stoten. En omdat elektrisch rijden strategisch een belangrijke techniek is om een wig te drijven tussen de oliebedrijven en de autofabrikanten.

Helemaal, helemaal onderaan staat het fiscaal stimuleren van nulemissieauto’s. Waarbij de CO2 reductie na verloop van het leasecontract ook nog wegvalt, omdat de auto dan naar het buitenland verplaatst wordt. Bij de industrie schreeuwen we dan moord en brand vanwege het waterbedeffect. Bij elektrische auto’s lijkt het kabinet het het niet zo erg te vinden, want hetzelfde probleem speelt al jaren en er is nog steeds geen fatsoenlijke stimulans om schone tweedehands auto’s in Nederland te houden. Wat ons extra CO2 uitstoot en extra stikstof uitstoot oplevert, want op de tweedehands markt wint de diesel nog steeds aan populariteit. Wat ons zowel voor CO2 als stikstof problemen oplevert met de internationaal afgesproken doelstellingen, de een vanuit het vonnis in de klimaatzaak van Urgenda (al zal het effect van het in Nederland houden van elektrische auto’s op de CO2 emissie in 2020 gering zijn), het ander vanuit het vonnis van de Raad van State dat de programmatische aanpak stikstof afkeurde.

Slot

De ophef gisteren over de brief van de Rekenkamer roept de vraag op of er nog journalisten zijn die hun huiswerk een beetje doen. Ieder zichzelf respecterende journalist had de Kabinetten en Tweede Kamerleden de afgelopen jaren kunnen bevragen waarom elektrische auto’s gestimuleerd worden terwijl Rekenkamer en het interdepartementale beleidsonderzoek CO2 beide aangeven dat het een erg dure optie is.

Wat mij veel meer opvalt is dat de leercurve van nulemissievoertuigen, en dan meer specifiek elektrische auto’s, in de praktijk zoveel afwijkt dan waar de modellen van PBL en ECN mee rekenen. Daardoor worden de kosten van klimaatbeleid veel te hoog weergegeven. Iets waar ik in 2016 ook al tegenaan liep bij de doorrekening van het verkiezingsprogramma van GroenLinks. De kostprijs voor wind op zee in 2030 lag toen rond dan de tenderprijzen voor wind op zee. Inmiddels is duidelijk dat de kostendaling inderdaad sneller gaat dan verwacht en dat de kosten van het Energieakkoord vele miljarden lager uitvallen. De werkelijke discussie zou moeten zijn hoe het kan dat de overheidsuitgaven voor elektrisch rijden, windenergie en zonne-energie in een kort tijdsbestek zo fors kunnen afwijken van de modellen van PBL en ECN. Elektrisch rijden is een relatief nieuwe techniek, dat die leercurve nog gebreken toont kan ik me voorstellen. Voor windenergie en zonne-energie is er wereldwijd voldoende data beschikbaar om een grote verbeterslag te maken.

Dit bericht is geschreven voor en gepubliceerd op Sargasso.

NWEA en Holland Solar: 73 TWh wind en zonne-energie op land in zicht

In het concept nationaal klimaatakkoord is een doelstelling opgenomen van 42 TWh voor hernieuwbare elektriciteitsproductie (groene stroom) in 2030. Deze bestaat uit 7 TWh zonne-energie op woonhuizen en 35 TWh grootschalige opwekking (bv. zon op bedrijfsdaken, zonneparken en windenergie). Tijdens de nationale Windenergy Days 2019 hebben de branchorganisaties voor windenergie (NWEA) en zonne-energie (Holland Solar) gisteren prognoses vrijgegeven voor de ontwikkeling van zonne-energie en windenergie. In totaal komen ze uit op een prognose van 73 TWh groene stroom uit zon en wind in 2030.

Opbouw prognose

Voor windenergie is de prognose van NWEA dat er 23 TWh opgewekt wordt in 2030 op basis van wat er nu staat (inclusief deel repowering) en alles wat in de pijplijn zit en waarmee de provincies al hebben ingestemd.

Voor zonne-energie is de verwachting van Holland Solar dat er in 2030 30TWh opgewekt wordt m.b.v. zakelijke dakopstellingen en 10 TWh met veldopstellingen. Wat in totaal 30 TWh aan groene stroom uit grootschalige zonne-energieprojecten betekent. Met de opbrengst van windenergie erbij zou dat 63 TWh grootschalige opwekking van groene stroom op land betekenen. Voor huishoudens gaat Holland Solar uit van 10 TWh zonnestroom in 2030. Wat het totaal hernieuwbaar op land op 73 TWh brengt.

Basispad Nationale Energieverkenning uit 2017

De prognoses van NWEA en Holland Solar zijn fors hoger dan het basispad uit de laatste Nationale Energieverkenning (NEV) uit 2017 (pdf). In het basispad zonder SDE+ na 2019 werd daar uitgegaan van 12 TWh wind op land, 5 TWh grootschalige zonne-energie, in totaal 1 7 TWh. Voor kleinschalige zonne-energie (zon op woonhuizen) werd in de NEV 2017 uitgegaan van 7 TWh in het basispad. In totaal ging de NEV 2017 dus uit van ongeveer 24 TWh groene stroom van wind- en zonne-energie.

Conclusie

Mijn eerste conclusie is het ik erg benieuwd ben naar het nieuwe basispad in de NEV 2019 en dat het in een zo snel ontwikkelende markt als hernieuwbare energie geen goede zaak is dat er vorig jaar voor gekozen is om de NEV 2018 over te slaan. Meer budget voor PBL en CPB had hier zeker meerwaarde gehad. Zeker ook voor de regionale energiestrategieën die elke regio na het ondertekenen van het klimaatakkoord moet gaan opstellen.

Ook duiden de prognoses van NWEA en Holland Solar er op dat de groei van groene stroom nu ook in Nederland eindelijk stevig van de grond is gekomen. Zo sterk dat ook onze modellen mogelijk binnenkort achter de werkelijkheid aan gaan lopen, in plaats van dat de ontwikkeling standaard langzamer gaat dan gehoopt.

Kanttekening bij de prognoses van NWEA en Holland Solar is natuurlijk wel dat de projecten nog niet daadwerkelijk gerealiseerd zijn. Zelfs als een deel niet gerealiseerd wordt lijkt de marge ten opzichte van de 42 TWh doelstelling voor 2030 ruim genoeg om te concluderen dat de doelstelling voor 2030 in zicht is. NWEA en Holland Solar houden in hun prognose er zelf ook rekening mee dat een deel niet gerealiseerd wordt. Voor zover ik begrepen heb zit dat verwerkt in de prognose voor 2030.

Dit bericht is geschreven voor en gepubliceerd op Sargasso.