Blog

  • Energieverkiezingen 2023

    De komende jaren zijn er tal van belangrijke onderwerpen waar de komende jaren belangrijke keuzes gemaakt moeten worden. Keuzes die vragen om visie. Vandaag de energieverkiezingen van 2023. Want de bij elkaar gefabuleerde migratiecrisis, is een doorzichtige poging tot machtsbehoud en focussen op het spel i.p.v. de knikkers.

    Concept plannen energie

    De afgelopen weken zijn belangrijke conceptplannen gepubliceerd voor iedereen die wat vindt van windturbines, zonnevelden, kerncentrales, hoogspanningsleidingen, waterstof en andere energiegerelateerde zaken. Te weten het concept Nationaal plan energiesysteem 2050, het Ontwerp-programma Energiehoofdstructuur, de zonnebrief van Jetten, het Nationaal programma verduurzaming industrie en de Routekaart verduurzaming industrie. Taaie kost, maar wel van stevige invloed op de economische en ruimtelijke structuur van Nederland de komende decennia. Daarmee kunnen deze verkiezingen wel eens de energieverkiezingen worden. Gezocht: partijen met visie en lef om keuzes te maken.

    Ontwerp-programma Energiehoofdstructuur

    Het Programma Energiehoofdstructuur (PEH) laat zien welke nieuwe nationale energie-infrastructuur nodig is richting 2050 en waar deze geplaatst kan worden. Hiermee kan het Rijk eerder afspraken maken over ruimte met gemeenten, provincies, havenbedrijven en netbeheerders. Ook geeft het PEH nationale kaders om zorgvuldig om te gaan met de ruimte en met respect voor de natuur, cultureel erfgoed, en leefbaarheid. Daarmee draagt het PEH bij aan het doel van een klimaatneutraal energiesysteem in 2050.

    Het ontwerp-PEH geeft een eerste beeld van de energiehoofdstructuur die nodig is voor het energiesysteem van de toekomst en de sturingsinstrumenten om hier te komen. De energiewereld en ruimtelijke ordening zijn hierin dichter bij elkaar gebracht.

    De ruimtelijke strategie die het Rijk voert via het PEH bestaat uit vijf peilers. De afwegingen waar welke functie het beste past kunnen per landschap en daarmee per regio verschillen. Op de eerste plaats wordt uitgegaan van hergebruik van fossiele ruimte voor energiehoofdstructuur. Dit is het meest efficiënt. Het gaat daarbij om hergebruik van bestaande leidingen en buisleidingstraten (bijvoorbeeld waterstof als vervanging van aardgas) alsook om het behoud van locaties van bestaande nationale energiecentrales voor toekomstige centrales. Voor kernenergie blijven enkel de locaties Borssele en Maasvlakte over. De locatie Eemshaven wordt geschrapt (bedankt VVD).

    Een tweede uitgangspunt is voorsorteren op elektrificatie. Op basis van scenario’s rekent het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat er op dat er op veel meer plekken elektriciteit wordt geproduceerd en gebruikt. Als reactie hierop komt er een diepe aanlanding van wind op zee. Hogere taalkunde voor een gelijkspanningskabel vanaf de kust naar Chemelot in Limburg.

    De derde peiler is ruimtelijke regie op opslag en conversie als nieuwe onderdelen in het energiesysteem. Voor grootschalige conversie en opslag van energie bestond tot nu toe geen ruimtelijk beleid. Hoewel de ontwikkeling van elektrolyse zich nog in een beginstadium bevindt, is het belangrijk om nu al rekening te houden met stevige groei. Ook omdat de Tweede Kamer een hoog ambitieniveau heeft vastgelegd. Electrolyse vraagt ruimte, aansluiting op het elektriciteitsnetwerk, aansluiting op het buisleidingennetwerk en water.

    In het energiesysteem van de toekomst zullen batterijen in toenemende mate een belangrijke rol spelen voor het opvangen van korte-termijn onbalans in vraag en aanbod van elektriciteit. Deze vergen ook ruimte (fysiek en op het elektriciteitsnetwerk).

    De vierde en vijfde peiler zijn de duizenddingendoekjes van het moderne beleid: de integrale afweging in de leefomgeving en de lerende aanpak.

    Na vaststelling van het PEH start een juridisch traject waarin onderdelen uit het PEH worden vertaald naar het Besluit Kwaliteit Leefomgeving en de Energiewet. Daarnaast wordt de interbestuurlijke handhaving en monitoring voor het behoud
    van ruimte voor energiehoofdstructuur aangescherpt. Of het PEH nog vastgesteld gaat worden nu het Kabinet demissionair is, is een goede vraag.

    Nationaal plan energiesysteem 2050

    Een tweede belangrijk document dat op 3 juli naar de Tweede Kamer is gestuurd en dat tot en met 1 oktober ter inzage en consultatie ligt is het Nationaal plan energiesysteem 2050 (NPE). Het doel om in 2050 klimaatneutraal te zijn heeft grote gevolgen voor het toekomstige energiesysteem. Het NPE kijkt met een integrale blik en vanuit klimaatneutraliteit in 2050 naar het energiesysteem. Door de ontwikkelpaden van energieketens en vraagsectoren in kaart te brengen, wordt helder waar deze niet op elkaar aansluiten. Hier zijn dus keuzes nodig.

    Op basis van gesprekken met experts, een Energieraadpleging en diverse bijeenkomsten concludeert de Minister dat we een duurzaam en rechtvaardig energiesysteem willen. Het concept Nationaal plan energiesysteem 2050 bevat 5 richtinggevende keuzes:

    1. Maximaal aanbod: ontwikkeling van maximaal aanbod en infrastructuur van elektriciteit, waterstof, duurzame koolstofdragers en warmte.
    2. Energiebesparing: energiebesparing is onmisbaar bij schaarste aan energie en infrastructuur.
    3. Verdelen bij schaarste: verdeling en inzet van energie en energie-infrastructuur vanuit een systeemperspectief.
    4. Internationale samenwerking: Nederland als belangrijke energiehub voor de EU.
    5. Samen sturen: met burgers en bedrijven, met ruimte voor participatie en perspectief.

    Maximaal aanbod

    De sturende keuze ‘maximale inzet op aanbod van energie’ is een belangrijke. Het concept-NPE bevat een tamelijk ambitieus te noemen groeiscenario voor het aanbod van elektriciteit, onder het motto: afschalen is makkelijker dan opschalen. Het concept Nationaal plan energiesysteem zet maximaal in op een groei van de elektriciteitsproductie van zo’n 122 TWh in 2022 naar zo’n 600 TWh in 2050. Een groei die nodig is om de toenemende vraag naar elektriciteit aan te kunnen, waarbij het uitgangspunt lijkt: we blijven alles doen wat we nu doen.

    Met een beetje rekenen en meten op basis van de tabel op bladzijde 26 van het NPE kom ik grofweg tot de volgende hoeveelheden. Kleine zonnedaken zijn meegerekend bij wind en zon op land (al mag dat niet volgens de huidige systematiek van de regionale energiestrategieën, wat ik stom vind). Bij de bron waterstof gaat het om energiecentrales die elektriciteit maken met behulp van waterstof. Alle getallen zijn in TWh, dat staat gelijk aan 1.000.000 kWh. Voor de productie van 1 TWh zijn volgens het Nationaal Programma Regionale Energiestrategieën zo’n 54 windturbines van 5 MW of 1.000 ha zonnepanelen benodigd (op dak, water of veld). Een kerncentrale van 1 GW produceert zo’n 7,4 TWh, uitgaande van 85% beschikbaarheid op jaarbasis (gemiddelde van Belgische kerncentrales van 2000-2021).

    Npe Elektriciteitsproductie 1024x273 1

    Een andere belangrijke vraag is waar de elektriciteit voor gebruikt wordt. Daarbij zijn er twee hoofdcategorieën te onderscheiden: elektriciteit die ingezet wordt als eindgebruik (bv voor verlichting in je huis) en elektriciteit die ingezet wordt in andere ketens (bv voor de productie van waterstof) of elektriciteit die verloren gaat (bv door omzettingsverliezen). Onderstaande tabel laat zien om wellke hoeveelheden het gaat volgens het NPE.

    Npe2050 Elektriciteitsvraag 1024x345 1

    Wat opvalt is de sterke stijging bij transport (is nationaal en internationaal samen, omdat de grafiek slecht leesbaar is), de stijging bij de industrie en vooral de forse stijging van de inzet van elektriciteit bij de productie van waterstof, koolstofdragers en warmtelevering. In totaal is de verwachte vraag naar elektriciteit in 2050 568 TWh. Dat lijkt een groot verschil, maar betekent dat de minister inzet op 6% meer productie dan de verwachte vraag.

    Een beetje extra productie t.o.v. de vraag is geen overbodige luxe, want De Groene Amsterdammer heeft een aantal weken geleden berekend dat alleen al de chemie en raffinaderijen 350 TWh nodig heeft. Daarmee wordt dan rond 2050 brandstoffen geproduceerd voor Afrika en andere landen met minder strenge milieuregels (als de oliebedrijven voor elkaar krijgen wat de kolenindustrie niet lukt).

    Wanneer ik de cijfers uit de Groene vergelijk met de cijfers uit het NPE zou het volledige stroomgebruik van industrie en van de inzet voor waterstof, koolstofdragers en warmtelevering enkel voor chemie en raffinaderijen bestemd zijn. Wat niet waarschijnlijk lijkt, want er zijn meer sectoren. Volledige verduurzaming van de bestaande industrie zou de vraag naar elektriciteit dus nog wel eens verder kunnen verhogen.

    Een van de redenen dat bijvoorbeeld Natuur&Milieu zich op basis van een CE rapport afvraagt of energie-intensieve basisindustrie nog een plaats heeft in Nederland.

    Vragen om visie en keuze

    De vragen waar ik van politieke partijen graag een antwoord op zou zien is:

    Het tijdperk van goedkope beschikbare energie als comparatief voordeel voor het aantrekken van energie-intensieve bedrijven is met het afbouwen van de gaswinning in Groningen voorbij voor Nederland. Wat niet wil zeggen dat energie voor alle gebruikers duurder wordt.

    Het vraagt wel antwoord op de vraag: Welke bedrijfstakken willen we voor Nederland behouden? Zijn er (deel)sectoren die beter herplaatsbaar zijn binnen de EU, naar delen met een comparatief voordeel in tijden van goedkope energie van wind, zon en water?

    Als we wel actief een sector ondersteunen om deze te behouden, hoeveel elektriciteit en ruimte vergen die dan? Hoe en waar gaan we de elektriciteit opwekken? Geen gratis lunch meer: alles houden, dan ook zelf de zaaltjes in om uit te leggen dat er extra windturbines / zonneparken / energieopslag / kerncentrales / waterstofcentrales* etc. nodig zijn?

    Hoeveel extra windturbines/zonnevelden/waterstofcentrales/kerncentrales* gaat uw partij realiseren voor verkoop van fossiele brandstoffen in andere landen, of zetten we in op meer duurzame elektriciteitsproductie in die landen en elektrificatie van het vervoer daar. Op die manier verplaatsen we de overlast van windturbines en zonnevelden en verlagen we de CO2 uitstoot wereldwijd. Of accepteren we zo’n 42 GW aan extra kerncentrales om Afrika te voorzien van fossiele brandstoffen?

    Maar ook andersom geen gratis lunch: Als uw partij geen windturbines / zonneparken / energieopslag / kerncentrales / waterstofcentrales* wil, welke economische sector gaat dan krimpen?

    Als uw partij geen warmtenet of wijkaanpakken voor aardgasvrij wil hoe gaat u dan de extra benodigde stroom voor aardgasvrij verwarmen opwekken?

    Hoe denkt uw partij over de nieuwe milieunormen voor windparken en over de nieuwe zonneregels? Passen deze opvattingen bij uw opvatting over het tempo van opschaling van uw variant van het NPE en past uw variant van het NPE in het bredere klimaatbeleid?

    * doorhalen wat van toepassing is

    Dit bericht is eerder gepubliceerd op Sargasso.

  • Energierekening en CO2 uitstoot juni 2023

    De maand juni is afgelopen, tijd om de balans op te maken en te kijken naar onze energiekosten, het bijbehorend energiegebruik en onze CO2 uitstoot.

    Energiekosten

    De energierekening over juni is negatief. Dat betekent dat we over juni Euro 62 verdiend hebben. Niet door veel stroom te gebruiken bij negatieve prijzen, maar doordat onze zonnepanelen en winddelen in juni meer hebben geproduceerd dan we hebben verbruikt. Tegen Euro 68 aan kosten stond Euro 125 aan opbrengsten. Ook hebben we Euro 8 aan energiebelasting terugverdiend door saldering.

    Energiekosten juni, periode 2011-2023

    Over het eerste half jaar bedragen de energiekosten Euro 1.171. Een stijging van Euro 460 ten opzichte van 2022. Waarvan ruim Euro 360 veroorzaakt wordt door hogere energiebelasting en een lagere teruggaaf energiebelasting. De energiekosten (leveringstarieven gas en elektriciteit minus de opbrengsten van onze winddelen en zonnepanelen) stegen per saldo met Euro 171. Onze vaste aansluitkosten zijn met Euro 115 gedaald, doordat we geen gasaansluiting meer hebben.

    Grafiek energiekosten januari-juni periode 2011-2023

    Energiegebruik

    Ons energiegebruik in juni bestond voornamelijk uit warm water en apparaten. We hebben een heel klein beetje energie voor verwarming gebruikt, omdat we een bezoeker onze infraroodpanelen hebben laten ervaren. In totaal hebben we 495 kWh gebruikt. Een lichte stijging ten opzichte van 2022. De stijging kwam doordat het elektriciteitsgebruik van apparaten met 9% gestegen is t.o.v. juni 2022.

    Energiegebruik verwarming, apparaten en warm water juni. Periode 2011-2023

    Het energiegebruik in de eerste 6 maanden ligt 13% hoger dan in dezelfde periode in 2022. Dat komt met name door een toename van het energiegebruik voor warmte (+ 14%) en apparaten (+20%). De stijging bij verwarming valt met 6% mee.

    Energievraag voor verwarming, apparaten en warm water eerste half jaar. Periode 2011-2023.

    Verwarming

    Juni is geen spannende maand voor verwarming. We hebben nauwelijks stroom gebruikt. Het enige verbruik is veroorzaakt doordat we onze infraroodverwarming kort hebben aangehad voor een bezoeker die wilde voelen hoe het werkt. De langjarige trend omlaag van ons energiegebruik per gewogen graaddag sinds we infraroodverwarming hebben zet dan ook door.

    Energiegebruik voor verwarming per gewogen graaddag. Per maand en gemiddeld over 12 maanden.

    Op jaarbasis is het energiegebruik voor verwarming nauwelijks veranderd ten opzichte van eerdere maanden. Ons werkelijk energiegebruik voor verwarming ligt net boven de 3.000 kWh op jaarbasis. Deels komt dit door de milde winter, zoals te zien in aan de gele lijn in de grafiek.

    Energiegebruik voor verwarming in kWh op jaarbasis.

    Energieproductie

    In juni hebben we meer energie geproduceerd dan gebruikt, zoals te zien is in onderstaande grafiek. De overtollige elektriciteit hebben we teruggeleverd aan het elektriciteitsnet.

    Energieproductie, gasgebruik en elektriciteitsgebruik in juni. Periode 2011-2023.

    Het grootste deel van onze energie werd geleverd door onze zonnepanelen. Ook de winddelen hebben behoorlijk wat opgeleverd. Tot slot hebben onze warmtepomp en zonneboiler warmte geproduceerd. Per saldo hielden we in juni ruim 200 kWh elektriciteit over. Deze hebben we teruggeleverd aan het elektriciteitsnet.

    In het eerste half jaar hebben we 5.733 kWh gebruikt. Daarvan is 4.330 kWh elektriciteit, waarvan 3.121 kWh van onze zonnepanelen en winddelen en 1.209 kWh van het net. Verder hebben onze zonneboiler en warmtepomp 1.403 kWh warmte geleverd.

    Energieproductie, gasgebruik en elektriciteitsgebruik januari t/m juni. Periode 2011-2023

    In onze energiemix valt op dat het aandeel ingekochte energie (gas plus elektriciteit) fors gedaald is ten opzichte van eerdere jaren. Momenteel kopen we ongeveer 21% in. De resterende 79% wordt geleverd door onze zonnepanelen, winddelen, zonneboiler en hybride warmtepomp. Mijn verwachting is dat het aandeel inkoop tijdens de zomer nog verder daalt, maar richting het eind van het jaar weer op gaat lopen.

    Aandeel gas, elektriciteit, zonnestroom, winddelen en warmte. Periode 2011-2023.

    CO2 uitstoot januari t/m juni 2023

    De standaard respons is dat infraroodverwarming en (hybride) warmtepompen geen CO2 besparing oplevert. Nu is dat niet de enige reden voor onze overstap naar all electric, het is wel reden om volgens 5 methoden uit te rekenen wat onze CO2 uitstoot is.

    CO2 uitstoot januari tot en met juni volgens verschillende berekeningswijzen. Periode 2011-2023

    Bovenstaande grafiek laat goed zien dat onze CO2 uitstoot in 2023 volgens alle meetmethoden gedaald is ten opzichte van de periode 2011 t/m 2013. Belangrijker dan dat is dat de CO2 uitstoot ook volgens bijna alle meetmethoden gedaald is ten opzichte van de periode 2014-2018, toen we wel onze zonnepanelen, zonneboiler en winddelen hadden, maar nog geen infraroodverwarming en hybride warmtepomp.

    Onderstaande tabel laat zien dat onze gemiddelde CO2 uitstoot sinds we over zijn op infraroodverwarming volgens slechts 1 methode gestegen is met maar liefst 1 kg in een half jaar. Afgerond is dat 0% stijging. Alle andere methoden laten een daling zien. Zelfs als we uitgaan van grijze stroom (wat we niet afnemen en wat we aantoonbaar ook niet voor de volle 100% in onze stroommix hebben zitten).

    Tabel verandering gemiddelde CO2 uitstoot over januari tot en met juni gasverwarming vs infraroodverwarming.
  • Dag twitter, hallo mastodon

    Sinds Elon Musk Twitter heeft overgenomen en zijn versie van ‘vrijheid van meningsuiting’ doordrukt ben ik een stuk minder actief op Twitter. Mijn account bestaat nog, maar ik heb mijn archief aan tweets gedownload en ben bezig om mijn account te verwijderen. Zoals ik jaren geleden ook met Facebook heb gedaan. Momenteel ben ik actief te vinden op WordPress, LinkedIn en op Mastodon.

    Twitter heeft vorige maand ook z’n voorwaarden voor het gebruik door derden nogal eenzijdig aangepast. Reden voor WordPress om de mogelijkheid om nieuwe posts automatisch te delen op twitter te verwijderen. Inmiddels hebben ze wel de optie toegevoegd om nieuwe berichten automatisch te delen met Mastodon. Dit is een eerste test om te kijken of dat ook werkt.

    Daarmee zet ik ook weer een stapje weg bij big tech, zoals Twitter, en een stapje verder richting open source en open standaard oplossingen. Zoals mijn overstap op een Fairphone 4 met Murena en een Framework laptop die draait op Ubuntu dat ook waren.

  • Energiegebruik & productie mei 2023

    Mei is voorbij, tijd voor een terugblik op ons energiegebruik en onze energieproductie in de maand mei. Het was de eerste maand van 2023 dat we meer elektriciteit geproduceerd hebben dan gebruikt en de eerste maand van het jaar dat onze energiekosten negatief waren.

    Energierekening

    In mei hebben we meer elektriciteit geproduceerd dan gebruikt. Dat betekent dat we mei de eerste maand is dat we per saldo opbrengsten hebben in plaats van energiekosten. In april moesten we nog zo’n 60 Euro betalen. In mei hebben we dat bedrag deels terugverdiend en krijgen we bijna 40 Euro terug. Dat is minder dan in mei 2022, toen we ongeveer 100 Euro verdiende met de extra elektriciteitsproductie.

    2023 Mei Energiekosten Mei 1

    De eerste vijf maanden van het jaar hebben we in totaal Euro 1.191 aan energiekosten gehad, ruim Euro 300 meer dan in 2021 en 2022 en ruim 500 Euro meer dan in de periode 2014-2020.

    2023 Mei Energiekosten Tm Mei 1

    Vooral de kosten van de energiebelasting en de kosten voor energie (gas en elektriciteit samen) zijn de afgelopen 3 jaar fors opgelopen. De stijging van de elektriciteitskosten worden wel gedempt door de opbrengsten van onze winddelen.

    Energiegebruik

    Het energiegebruik lag in mei 2023 hoger dan in mei 2020. Deels kwam dat doordat we langer gestookt hebben, deels doordat mei minder zonnig was en onze zonneboiler een onderhoudsbeurt nodig heeft. Hierdoor heeft onze warmtepomp harder moeten werken. Da’s niet terug te zien in onderstaande grafiek, maar ik vermoed toch echt dat de warmtepomp een aantal keer een anti-legionella cyclus heeft gemaakt, terwijl dat in mei 2022 niet nodig was. Vorig jaar was ons boilervat bijna de hele maand een aantal keer boven de 60 graden Celsius. Door problemen met onze zonneboiler is dat afgelopen maand nog niet voorgekomen.

    2023 Mei Energievraag

    In de eerste vijf maanden van het jaar is het energiegebruik gestegen ten opzichte van de eerste vijf maanden van 2022. We hebben dit jaar dus geen NegaWatts gescoord. Voor zowel warm water, apparaten als verwarming ligt het gebruik in 2023 hoger dan in 2022. Vanaf 2020 lijkt er nu een stijgende trend te zijn.

    2023 Mei Energievraag Tm Mei

    Verwarming

    In mei hebben we toch nog wat dagen gestookt, 0,22 kWh per gewogen graaddag om precies te zijn. Vorig jaar was de kachel in mei al helemaal uit. Toch is het verbruik voor verwarming op jaarbasis gedaald van 1,40 in mei 2022 naar 1,28 kWh per gewogen graaddag in mei 2023. Ook het langjarig gemiddelde voor verwarmen met infraroodverwarming is licht gedaald van 1,32 naar 1,31 kWh per gewogen graaddag.

    Die 1,31 kWH/gewogen graaddag is 40% minder dan toen we verwarmde met een hr-ketel. Het langjarig gemiddelde sinds we hier wonen is inmiddels gedaald van 2,17 kWh/gewogen graaddag in de periode dat we verwarmde met aardgas naar 1,89 kWh/gewogen graaddag.

    2023 Mei Verwarming Graaddagen

    Op jaarbasis is nog beter te zien wat het effect is van de overschakeling op infraroodverwarming. Een overstap die we in maart 2019 hebben gemaakt. Het verbruik in een standaard klimaatjaar daalt fors vanaf het moment van overschakelen. Ook het langjarig gemiddelde energiegebruik met infraroodverwarming ligt fors lager dan dat met aardgas. Beide zijn in onderstaande grafiek weergegeven voor het werkelijk aantal graaddagen van de afgelopen 12 maanden.

    2023 Mei Verwarming Jaartotaal

    Energieproductie

    In mei hebben we 676 kWh geproduceerd, waarvan 190 kWh aan warmte, 302 kWh aan zonnestroom en 184 kWh aan windenergie. We hebben slechts 563 kWh gebruikt, wat betekent dat we 113 kWh terug hebben geleverd. Dat is 130 kWh minder dan in 2022 en 110 kWh meer dan in 2021. De daling in de teruglevering ten opzichte van 2022 komt vooral doordat onze winddelen bijna 50 kWh minder hebben geproduceerd dan in 2022.

    2023 Mei Energieaanbod Mei 2

    In de eerste vijf maanden van het 2023 hebben we vooral meer warmte en meer windenergie geproduceerd dan in 2022. Dat komt doordat we in de loop van vorig jaar meer winddelen hebben gekocht en omdat onze warmtepomp het aardgas vervangen heeft voor het leveren van warm water.

    2023 Mei Energieaanbod Tm Mei

    Het aandeel aardgas ligt dit jaar voor het eerst op nul. Na 12 jaar wordt 2023 het eerste volle kalenderjaar met een jaarverbruik van 0 m3. Dat blijft ook zo, want de gasaansluiting en gasmeter zijn volledig verwijderd. Daardoor is het aandeel duurzame warmte gestegen van 15 naar ruim 20% in onze energiemix. Ook het aandeel windenergie is gestegen door de aanschaf van extra winddelen.

    2023 Mei Energieaanbod Tm Mei Aandeel

    Energiegebruik en productie

    In mei hebben we 563 kWh aan energie gebruikt en 113 kWh aan elektriciteit teruggeleverd aan het net. Onderstaande grafiek laat de opbouw van ons energiegebruik en de energieproductie zien.

    2023 Mei Vraag En Aanbod 2

    Onderstaande grafiek toont het energiegebruik en energieproductie in de eerste vijf maanden. De terugloop in het gasgebruik sinds 2019 is goed zichtbaar, net als de toename in elektriciteitsgebruik. Beide als gevolg van de overschakeling op infraroodverwarming. Ook valt op dat in 2023 de hoeveelheid duurzame warmte stijgt, door de overschakeling op onze hybride warmtepomp voor warm water.

    2023 Mei Vraag En Aanbod Tm Mei

    CO2 uitstoot

    De CO2 uitstoot van ons energiegebruik lag in mei op maandbasis op 0, ongacht de gehanteerde methode (zie hier voor de 5 gehanteerde methoden). Per saldo hebben we meer stroom geproduceerd dan dat we hebben afgenomen. Op kwartier en secondebasis zullen er ongetwijfeld momenten zijn dat we grijze stroom hebben afgenomen. Daar staat tegenover dat er ook momenten zijn dat we terugleveren, waarmee we een gas- of kolencentrale uit de markt drukken (in Nederland of er buiten) en daarmee bijdragen aan lagere CO2 emissies in de elektriciteitsmix.

    Gemiddeld ligt de CO2 uitstoot in mei in de jaren met infraroodverwarming 60% lager dan in jaren met aardgas. De uitkomst is voor alle vijf gehanteerde methoden gelijk.

    2023 Mei Co2 Uitstoot Mei

    Over de eerste vijf maanden van 2023 ligt de CO2 uitstoot volgens het stroometiket op 0 kilogram. Volgens de referentie methode ligt de uitstoot op 791 kg.

    2023 Mei Co2 Uitstoot Tm Mei

    De referentiemethode is de enige methode die een stijging van de CO2 uitstoot laat zien t.o.v. de periode op aardgas. De stijging bedraagt 1%. De andere methoden laten dalingen zien van 1 tot 76%. Gemiddeld laten de vijf methoden om de CO2 uitstoot te bepalen een daling van 23% zien.

    Image
  • Minister Harbers kondigt (alweer) verbod op varend ontgassen aan

    Minister Harbers heeft bekend gemaakt per 1 juli 2024 een nationaal verbod op varend ontgassen van chemicaliën, waaronder zeer zorgwekkende stoffen, in te voeren. Of de vlag werkelijk uit mag in dit lang slepende dossier weten we op 1 juli volgend jaar. Het zal niet de eerste keer zijn dat het ministerie terug komt op voornemens voor een nationaal verbod op varend ontgassen. In 2018 maakte toenmalig staatssecretaris Mansveld bekend dat varend ontgassen van vluchtige organische stoffen vanaf 2020 in heel Nederland verboden zou worden. En minister Van Nieuwenhuizen maakt later in 2018 bekend te onderzoeken of een sneller verbod mogelijk was. Nu is het dus minister Harbers die inzet op een nationaal verbod op varend ontgassen per 1 juli 2024. Daarbij zet de minister in op een verbod op het varend ontgassen van een grotere groep stoffen dan internationaal is afgesproken. Waarmee de minister tegemoet komt aan de wens van verladers en het varend bedrijfsleven.

    Ontgassen wat is het ook al weer?

    Nadat schippers hun lading hebben gelost is het soms nodig om de ruimen te ontdoen van restanten van die lading. Waar het vluchtige stoffen betreft wordt dit vaak gedaan door middel van het ontgassen van het varende schip aan de buitenlucht. De dampen die daarbij vrijkomen, bijvoorbeeld van benzeen of benzeenhoudende stoffen, kunnen milieu- en gezondheidsschade veroorzaken. Met behulp van ontgasinstallaties op de wal of op het schip kunnen schepen echter gecontroleerd worden ontgast.

    Omvang emissies

    Sargasso toonde in 2013 op basis van gegevens van CE Delft aan dat de emissies van varend ontgassen een factor 10 hoger lagen dan het RIVM rapporteerde via emissieregistratie.nl (korte versie, lange versie). De emissies daalde ook niet, zoals de VNCI toentertijd beweerde, maar lagen juist een factor 10 hoger dan officieel werd gerapporteerd. De publicatie van Sargasso leidde tot Kamervragen van de SP en GroenLinks, ook op lokaal en provinciaal niveau zijn de afgelopen jaren geregeld vragen gesteld over varend ontgassen. Uiteindelijk paste het RIVM de emissiecijfers voor varend ontgassen aan.

    De cijfers van het RIVM zijn waarschijnlijk nog steeds aan de lage kant, aangezien er volgens de officiële cijfers van Emissieregistratie.nl ongeveer 24.000 kg benzeen emissie per jaar is t.g.v. ontgassen door de binnenvaart. Bij een buitentemperatuur van 20 graden Celsius bevat een gemiddelde binnenvaarttanker 900 kg benzeendamp. Dat betekent dat er volgens de officiële emissiecijfers minder dan 30 binnenvaarttankers per jaar varend ontgassen in Nederland. Het aantal schepen dat potentieel benzeen moet ontgassen per jaar is volgens cijfers van de Taskforce Varend Ontgassen 2.000. Of dedicated en comptabilateits varen werkelijk zo’n grote vlucht hebben genomen in de binnentankvaart? Ik hou m’n twijfels.

    Provinciale verboden

    Sinds 2015 hebben verschillende provincies provinciale verboden op varend ontgassen ingesteld, deels als onderdeel van een regiodeal met het rijk. Toen het Rijk beweerde dat provinciale ontgasverboden niet rechtsgeldig zijn werden dat dode mussen. De bewering van het Rijk bleek later onjuist, omdat de rechter de provincie Zuid-Holland opdroeg het provinciale verbod op varend ontgassen te gaan handhaven. Voor provincies is dat moeilijk omdat zij (anders dan Rijkswaterstaat) niet over schepen voor handhaving beschikken. Het Rijk weigert tot nu toe mee te werken aan handhaving van provinciale verboden op rijkswateren, ondanks de uitspraak van de rechter.

    Nationaal versus internationaal recht

    In de beslisnota, die bij de Kamerbrief gepubliceerd is, wordt nog steeds gedaan alsof er voor het invoeren van een nationaal verbod op varend ontgassen op een bredere groep stoffen aanpassingen in internationale verdragen gemaakt moeten worden. Verbazingwekkend, gelet op de uitspraak van de rechter over provinciale ontgasverboden en gelet op het paper van Professor Alessandra Arcuri van de Erasmus School of Law, waarin ze stelde dat het internationaal recht eerder verplicht tot een nationaal verbod op varend ontgassen dan dat het zo’n verbod onmogelijk maakt. Deze boodschap herhaalde ze tijdens een ronde tafelgesprek in de Tweede Kamer. Een ronde tafel gesprek waarbij de deelnemers unaniem waren in hun pleidooi voor een snelle invoer van een verbod op varend ontgassen, dus zeker de moeite van het terugkijken waard.

    infographic varend ontgssen
    Infographic ontgassen. Bron: SVRGE

    Los van de internationale regels liet ik op Sargasso een aantal jaar geleden ook bovenstaande infographic zien. Wie daar naar kijkt en de getallen vergelijkt met de normen die in de nationale emissierichtlijn voor benzeen staan of in de arbonormen mag zich nog steeds afvragen waarom varend ontgassen niet verboden kan worden op basis van nationaal recht. De SVGRE stelt dat bij ontgassen de eerste uren terugloopt van 200.000 mg/m3 naar 3.000 mg/m3. De norm voor landinstallaties is 1 mg/m3. Da’s een overschrijding van de norm met een factor 200.0000 tot 1.000. Voor de opvarenden kan dat ook niet gezond zijn. De norm vanuit de arbo is met 0.7 mg/m3 namelijk lager dan de milieunorm. Daarbij zijn er nog wel wat meer nationale regels waar varend ontgassen van chemische stoffen niet aan voldoet…

    Vervolgstappen

    Volgens de brief van Harbers heeft Frankrijk de ratificatieprocedure van het CDNI bijna afgerond en de verwachting is dat ook Zwitserland (de laatste Verdragsstaat die nog moet ratificeren) het einde van dit jaar de ratificatie heeft afgerond. De minister beweert nog steeds dat invoer pas kan als alle verdragsstaten het verdrag hebben geratificeerd, maar wil nu toch inzetten op snelle invoer van een nationaal verbod.

    Een belangrijk onderdeel is ook dat er de Inspectie Leefomgeving & Transport gaat handhaven. Hiervoor wordt komend half jaar een plan opgesteld. Ruim 6 jaar na het aanpassen van het CDNI ligt dat blijkbaar nog niet op de plank. Het ministerie werkt ook aan een ‘roadmap varend ontgassen’. In de roadmap worden afspraken en acties opgenomen op het gebied van onder a ndere vergunningen, totstandkoming ontgassingsinfrastructuur, tijdlijn, rolverdeling en de inzet en doorontwikkeling van suboptimale ontgassingsinstallaties. De minister wil de roadmap voor de zomer klaar hebben en vaststellen in een volgend bestuurlijk overleg.

    Conclusie

    Voor omwonenden, schippers van binnenvaarttankers en de waterkwaliteit is het goed nieuws dat er eindelijk een eind lijkt te gaan komen aan het slepende dossier varend ontgassen. De vlag gaat pas uit als de beer daadwerkelijk geschoten is. De ervaring op dit dossier leert dat er altijd nog een onverwacht konijn uit de hoge hoed kan komen, waarmee een verbod of handhaving wederom worden uitgesteld.

    Dit bericht is eerder gepubliceerd op Sargasso.

  • Schippers eisen nationaal verbod op varend ontgassen

    Gelderlander meldt dat schippers van tankschepen willen dat minister Mark Harbers binnen drie weken een verbod instelt tegen varend ontgassen op de Waal en andere grote rivieren. Anders stappen ze naar de rechter, zegt Hans de Waard uit Arnhem, voorzitter van de recent opgerichte stichting Tankvaart Dampvrij. Die zet zich ook in voor een speciale ontgassingsinstallatie in Lingewaard.

    Open artikel

    Dit artikel is eerder verschenen op Sargasso.

  • Energiegebruik & productie april 2023

    April is voorbij, dus tijd om ons energiegebruik te bekijken. April 2023 was een stuk frisser dan april 2022, waardoor we meer energie hebben verbruikt. Onze winddelen brachten ook meer op, waardoor we per saldo minder dan 40 kWh elektriciteit hebben ingekocht. De energiekosten komen daarmee op minder dan 60 Euro in april.

    Energiekosten

    Zoals gezegd waren onze energiekosten in april minder dan 6o Euro. De grootste kostenpost was het elektriciteitsgebruik met 184 Euro, daar stond echter 172 Euro aan opbrengsten van onze winddelen en zonnepanelen tegenover. Wel hebben we 16 Euro aan onbalans kosten betaald aan Greenchoice. Per saldo kostte onze elektriciteit daarmee 29 Euro. Een euro meer dan de vaste aansluitkosten (netwerkkosten en vaste leveringskosten), deze bedroegen 28 Euro. De energiebelasting viel nagenoeg weg tegen de teruggaaf energiebelasting.

    2023 April Energiekosten April

    In de eerste vier maanden van het jaar bedragen onze energiekosten Euro 1.222. Het hoogste niveau sinds 2011. Niet zo

    Voor het grootste deel bestaan ze uit leveringskosten voor elektriciteit (ruim 2.000 Euro). Het prijsplafond levert ons naar verwachting zo’n 144 Euro op en we hebben zo’n Euro 1.100 zelf opgewekt met onze zonnepanelen en winddelen. Netto hebben we daarmee zo’n Euro 750 aan elektriciteitskosten gehad in de eerste vier maanden en Euro 65 aan onbalans kosten voor onze winddelen. In de eerste vier maanden van 2022 hadden we slechts 600 Euro aan elektriciteitskosten en 33 Euro aan onbalans kosten. We hadden toen nog wel Euro 63 aan gaskosten.

    In de eerste vier maanden van 2023 hebben we daarnaast bijna 500 Euro aan energiebelasting betaald. Een dikke verdubbeling ten opzichte van 2022, maar minder dan in 2021.

    2023 April Energiekosten Tm April

    Bruto energiegebruik

    Ons bruto energiegebruik lag in april op 738 kWh, waarvan 559 kWh elektriciteit. De resterende 179 kWh kwam als warmte van onze zonneboiler en hybride warmtepomp. Daarmee lag het energiegebruik in april op het gemiddelde van 746 kWh sinds we in 2011 ons huis hebben betrokken. Als we enkel kijken naar het gas en elektriciteitsverbruik ligt het 7% lager dan het gemiddelde gebruik sinds 2011.

    2023 April Energiegebruik April

    Over de eerste vier maanden lag ons energiegebruik op 4.675 kWh. Dat is 4,5% minder dan het gemiddelde gebruik in de periode 2011-2023. De 3.678 kWh elektriciteit is 1,3% minder dan het gemiddelde gas en elektriciteitsgebruik in de periode 2011-2023. Daarmee ligt het energiegebruik inmiddels wel 12% hoger dan 2020. Het zuinigste jaar tot nu toe voor de periode januari tot april

    2023 April Energiegebruik Tm April

    Bij het aandeel energiebronnen (gas, elektriciteit en warmte) valt op dat het aandeel aardgas vanaf 2018 stapsgewijs is verlaagd. Waarbij 2023 het eerste kalenderjaar is dat we vanaf januari geen aardgas hebben gebruikt. In dezelfde periode is de eerste jaren het aandeel elektriciteit opgelopen en in de laatste 2 jaar het aandeel warmte. Dat komt door de overstap op infraroodverwarming in 2019 en de installatie van onze warmtepomp begin 2022. Naarmate we meer elektriciteit weten te besparen zal het aandeel warmte naar verwachting verder oplopen.

    2023 April Energiegebruik Tm April Procentueel

    Energievragers

    In april verbruikte onze apparaten 292 kWh. Daarnaast hebben we 223 kWh nodig gehad voor warm water en 223 kWh voor verwarming. Daarmee was april een maand waarin we veel gestookt hebben. Sinds we op infraroodverwarming over zijn gestapt hebben we alleen in 2021 (corona: thuiswerken & thuis school) meer verstookt. Het verbruik van dit jaar is hieronder nog niet gecorrigeerd voor het aantal gewogen graaddagen, dus helemaal eerlijk is onderstaande vergelijking niet.

    2023 April Energievrager April

    Over de eerste vier maanden hebben we 1.433 kWh gebruikt voor apparaten, dat is 16% meer dan gemiddeld in de periode 2011-2023. Voor warm water hebben we 1.259 gebruikt. Dat is 35% meer dan in 2011-2023. Dat heeft waarschijnlijk te maken hebben met de warmtepomp, deze houdt non-stop 200 liter water op een temperatuur boven de 35 graden Celsius en warmt deze wekelijks op tot boven de 60 graden Celsius (legionella preventie). Voor de 1.259 kWh warm water is slechts 262 kWh elektriciteit gebruikt. Terwijl we voorgaande jaren 450-620 kWh aardgas nodig hadden voor warm water.

    Voor verwarming hebben we de eerste vier maanden 1.983 kWh nodig gehad. Dat is slechts 90 kWh meer dan in 2022, maar bijna 300 kWh meer dan 2020 (het zuinigste stookjaar tot nu toe). Gemiddeld hebben we met infraroodverwarming in de eerste vier maanden 54% zuiniger gestookt dan in de eerste vier maanden met aardgas. Wederom niet gecorrigeerd voor het aantal gewogen graaddagen, dus het is geen eerlijk vergelijking.

    2023 April Energievrager Tm April

    Verwarming

    April 2023 was met 218 gewogen graaddagen frisser dan 2022, dat slecht 200 gewogen graaddagen kende. Bovendien was april 2023 een stuk minder zonnig dan april 2022. Dat was te merken in ons energiegebruik voor verwarming. Hadden we in 2022 169 kWh nodig voor verwarming, in april 2023 was dat 179 kWh. Per gewogen graaddag lag het verbruik in april 2023 op 1,02 kWh, dat is ook hoger dan de 0,84 kWh van april 2022.

    Het langjarig gemiddelde met infraroodverwarming ligt op 1,32 kWh per gewogen graaddag. Dat is 39% minder dan het langjarig gemiddelde verbruik met aardgas (2,17 kWh per gewogen graaddag).

    2024 April Verwarming Per Graaddag

    Op jaarbasis verbruiken we momenteel 3.152 kWh. Gecorrigeerd voor gewogen graaddagen is dat 3.735 kWh. Een stuk lager dan de 6.339 kWh die we met aardgas gemiddeld gebruikte in een standaard jaar op basis van het gemiddeld aantal gewogen graaddagen voor de periode 1991-2020.

    2024 April Verwarming

    Energieproductie

    In april hebben we bijna al onze energie zelf op weten te wekken. Slechts 38 kWh hebben we ingekocht van het energiebedrijf. Alleen in 2020 en 2022 hebben we minder in hoeven kopen, toen leverde we zelfs terug aan het energiebedrijf. April laat ook een mooie mix zien van wind en zon, waarmee we in onze energiebehoefte voorzagen. Zo’n windturbine is best fijn als je ’s avonds er warmpjes bij wil zitten…

    2023 April Energiebronnen April

    April laat ook een mooi aandeel van wind en zon zien in onze energieproductie. Aangevuld met minder dan 5% inkoop van elektriciteit van het energiebedrijf.

    2023 April Energiebronnen April Verhouding

    In de eerste vier maanden van het jaar hebben onze zonnepanelen 537 kWh opgewekt. Onze winddelen hebben 1.552 kWh opgewekt. Samen goed voor ruim 2.100 kWh. Daarnaast hebben onze warmtepomp en zonneboiler bijna 1.000 kWh warmte geproduceerd. De resterende 1.552 kWh elektriciteit hebben we ingekocht.

    2023 April Energiebronnen Tm April

    Over de eerste vier maanden hebben we 67% van onze energie zelf geproduceerd. Waarvan het leeuwendeel via onze winddelen en warmtepomp. Het aandeel inkoop van energie is teruggelopen tot 33%. In onderstaande grafiek is goed te zien dat dat voor de overstap op infraroodverwarming andersom lag. In de periode 2014-2018 produceerde we weliswaar bijna 100% van onze eigen stroom, maar zo’n 70% van onze energie kochten we nog steeds in in de vorm van aardgas voor verwarming. Pas vanaf 2019 loopt het aandeel aardgas terug en vanaf 2022 loopt het aandeel elektriciteit ook fors terug. De komende maanden verwacht ik dat onze zonnepanelen en winddelen per saldo meer gaan produceren dan we gebruiken. Waarmee het aandeel inkoop van elektriciteit ook terug gaat lopen.

    2023 April Energiebronnen Tm April Verhouding

    Hieronder de grafiek in een iets andere vorm. Waarbij gebruik van energie aan verwarming, apparaten, warm water en teruglevering van elektriciteit positief is weergegeven. Het afnemen van elektriciteit, aardgas en de productie van warmte en elektriciteit (zonnepanelen, winddelen) is negatief weergegeven.

    In onderstaande grafiek is goed zichtbaar dat we tussen 2014 en 2018 in de maand april meer elektriciteit produceerde dan we gebruikte. Terwijl we nog wel aardgas kochten. In april 2022 en 2023 kopen we nagenoeg geen elektriciteit in en hebben we ook geen aardgas meer ingekocht.

    2023 April Energiebronnen En Gebruik April

    Onderstaande grafiek laat dezelfde gegevens zien, maar dan voor de eerste vier maanden van het jaar.

    2023 April Energiebronnen En Gebruik Tm April

    Ja maar, de CO2 uitstoot dan?

    Een standaard reactie op infraroodverwarming is: je bespaart dan wel energie, maar de CO2 emissie gaat omhoog. Daarom hieronder de berekening van de CO2 footprint van ons energiegebruik per jaar. Daarom hieronder de CO2 emissie van ons energiebruik volgens 5 methoden berekend.

    Nu zijn er vele manieren om de CO2 uitstoot van elektriciteit te bepalen. Hieronder de grafiek met de CO2 uitstoot volgens 5 gebruikte methodes. Bij alle vijf de methodes ben ik er vanuit gegaan dat de bijbehorende CO2 berekening wordt toegepast op aardgas en op de elektriciteit die in een gegeven maand niet van onze zonnepanelen of winddelen afkomstig is.

    De eerste twee methoden gaan uit van de CO2 factoren die CBS berekent. Op de eerste plaats volgens de integrale methode van CBS. Deze gaat uit van de totale (hernieuwbare plus niet hernieuwbare) elektriciteitsproductie in verhouding tot de aan elektriciteit toegerekende inzet van aardgas, kolen en kernenergie. Elektriciteit uit afvalverbrandingsinstallaties en restgassen wordt niet meegenomen. De tweede methode van CBS is de referentieparkmethode. Deze gaat uit van de centrale elektriciteitsproductie uit aardgas, kolen en kernenergie, uitgezonderd die centrales waarbij de warmteproductie groter is dan 20 procent van de brandstofinzet.

    De andere drie methoden maken gebruik van de CO2-emissiefactoren, zoals gepubliceerd op CO2-emissiefactoren.nl. In alle drie de gevallen ben ik uitgegaan van de well-to-wheel emissiefactoren, oftewel van de emissies in de gehele levenscyclus. Bij de eerste methode (grijs) ben ik ervan uitgegaan dat iedere kWh die we in moeten kopen van grijze stroom komt. Bij de tweede methode ben ik ervan uitgegaan dat we stroom van onbekende bron afnemen. Waarbij ik uitgegaan ben van de emissiefactor zoals die nu vermeld staat, waardoor de CO2 uitstoot van oudere jaren lager lijkt dan die in werkelijkheid was. Het aandeel hernieuwbare elektriciteit is de afgelopen 10 jaar namelijk gestegen in Nederland. In de laatste methode (stroometiket) ben ik vanaf 2015 uitgegaan van de strooommix zoals Greenchoice (onze energieleverancier) deze jaarlijks publiceert. Waarom pas vanaf 2015? Simpel, omdat ik van de jaren voor 2015 zo snel de stroometiketten niet kon vinden.

    Voor het berekenen van de gemiddelden ben ik uitgegaan van goed vergelijkbare jaren: 2014-2018 voor verwarming met aardgas en 2019-2023 voor verwarming met infrarood.

    2023 April Co2 Tm April

    Wat opvalt is dat de CO2 uitstoot volgens een aantal methoden fors daalt na overschakeling op infraroodverwarming. Onderstaande cijfers geven het aantal kg CO2 uitstoot in de maanden januari t/m april.

    Image

    Wat opvalt is dat er nog maar één methode is die een stijging laat zien. Volgens alle andere methoden is er sprake van een daling van de CO2 uitstoot. Vorige maand waren dat er nog 2.

  • Energiegebruik & productie maart 2023

    Het eerste kwartaal van 2023 is voorbij, tijd om het energiegebruik en de energieproductie van maart te bekijken. Maart 2023 was met 338 gewogen graaddagen 7% kouder dan maart 2022. Ons energiegebruik lag echter 45% hoger dan in maart 2022. Deels kwam dat doordat het aantal zonuren ook fors lager lag dan in 2022. Dat was merkbaar in de productie van onze zonnepanelen (42% lager dan in 2022).

    Energiekosten

    Van een daling van de kosten voor elektriciteit is nog niet veel te merken, ook al zijn de tarieven sinds eind vorig jaar wel aan het dalen. De stijging van de energiebelasting, terug naar het oude groeipad van voor de energiecrisis, maakt de daling van het tarief sinds december meer dan ongedaan. Daar komt bij dat het kale leveringstarief dat we betalen nog steeds 80% boven het tarief van vorig jaar ligt.

    2023 Maart Energiekosten

    Procentueel bestond het grootste deel van onze energierekening in maart uit kosten voor elektriciteit, gevolgd door de kosten voor energiebelasting. Een schril contrast met de jaren tot en met 2021, waarin de leveringskosten van gas elektriciteit samen nooit meer dan 40% van de totale energiekosten in maart vormde.

    2023 Maart Energiekosten Verdeling

    In het eerste kwartaal zijn onze energiekosten met 33% gestegen ten opzichte van 2022. De kosten voor elektriciteit zijn slechts met 18% opgelopen ten opzichte van 2022, maar de kosten voor energiebelasting zijn ruim 2 keer zo hoog als vorig jaar. De teruggaaf energiebelasting ligt lager dan vorig jaar, waardoor de rekening met bijna 300 Euro gestegen is. Onze extra winddelen hebben dit wel afgevlakt.

    2023 Maart Energiekosten 1ste Kwartaal

    De kosten van elektriciteit vormde in het eerste kwartaal 60% van onze rekening. De tweede grote kostenpost is de energiebelasting, die bijna 40% van de energierekening vormt. De kosten voor de elektriciteitsaansluiting en winddelen vallen nagenoeg weg tegen de teruggaaf energiebelasting.

    2023 Maart Energiekosten Verdeling 1ste Kwartaal

    Bruto energiegebruik

    Doordat ons energiegebruik in maart hoger lag dan vorig jaar is ons bruto energiegebruik in het eerste kwartaal nagenoeg gelijk aan het eerste kwartaal van 2022. Daarmee is het bruto energiegebruik 17% hoger dan in 2020, het zuinigste jaar sinds we in ons huis wonen.

    2023 Maart Ontwikkeling Bruto Energiegebruik Per Jaar

    Energieproductie

    In maart hebben onze zonnepanelen 42% minder geproduceerd dan in 2022. Doordat we meer winddelen hebben is de productie van onze winddelen gestegen van 80 naar 407 kWh. Samen zijn ze goed voor 556 kWh, goed voor 59% van ons energiegebruik.

    Van onze zonnestroom hebben we in maart ruim 70% meteen gebruikt, voordeel van een lagere productie. Onze zonnepanelen en winddelen waren in maart goed voor 59% van onze energiegebruik. De resterende 41% hebben we ingekocht bij onze energieleverancier.

    2023 Maart Energiegebruik 1

    In het eerste kwartaal hebben we 3.127 kWh verbruikt. Onze zonnepanelen hebben 307 kWh geproduceerd en onze winddelen 1.298 kWh. Ons netto elektriciteitsgebruik ligt daarmee op 1.522 kWh. Dit is de hoeveelheid elektriciteit die we hebben ingekocht bij het energiebedrijf.

    2023 Maart Energiegebruik 1ste Kwartaal

    In het eerste kwartaal waren onze winddelen en zonnepanelen samen goed voor 51% van ons elektriciteitsgebruik. De resterende 49% hebben we aangevuld met elektriciteit van het energiebedrijf. Ons gasverbruik zit wederom op 0%.

    2023 Maart Energiegebruik 1ste Kwartaal Verdeling

    Verwarming

    Maart was fris en weinig zonnig. Wat voor ons reden was om meer te stoken dan in 2022. Het energiegebruik per gewogen graaddag lag met 1,44 kWh/gewogen graaddag in maart 2023 dan ook 54% hoger dan in maart 2022. Wat overigens nog steeds 39% lager is dan toen we stookten met aardgas (gemiddeld 2,17 kWh/gewogen graaddag). Gemiddeld ligt het energiegebruik sinds we overgestapt zijn op infraroodverwarming van ThermIQ 39% lager dan toen we met aardgas verwarmde.

    2023 Maart Verwarming In Kwh Graaddag

    Op jaarbasis ligt ons energiegebruik voor verwarming op 3.098 kWh. Wanneer ik dat corrigeer voor weerseffecten naar de periode 1991-2020 komt het verbruik op 3.697 kWh per jaar. Dat is een besparing van 39% ten opzichte van verwarmen met de cv-ketel.

    2023 Maart Energieverbruik Verwarming Jaarbasis

    Warm water en apparaten

    We hebben de HeatCycle van DeWarmte nu ruim een jaar in bedrijf. In maart lag de cop op 4,4, oftwel met iedere kWh elektriciteit die we hebben verbruikt heeft de warmtepomp 4,4 warmte weten te produceren. In totaal hebben we in maart zo’n 70 kWh elektriciteit voor warm water gebruikt. Dat is meer dan in maat 2022, toen onze zonneboiler meer produceerde.

    Afbeelding

    Bouwbesluit norm 1, 2 en 3,

    CO2 uitstoot

    Een van de veel gehoorde argumenten tegen overschakelen van verwarmen met aardgas naar verwarmen met infraroodverwarming is dat er geen CO2 reductie wordt gehaald. Sterker nog: dat de CO2 uitstoot zou stijgen.

    Nu zijn er vele manieren om de CO2 uitstoot van elektriciteit te bepalen. Hieronder de grafiek met de CO2 uitstoot volgens 5 gebruikte methodes. Bij alle vijf de methodes ben ik er vanuit gegaan dat de bijbehorende CO2 berekening wordt toegepast op aardgas en op de elektriciteit die in een gegeven maand niet van onze zonnepanelen of winddelen afkomstig is.

    De eerste twee methoden gaan uit van de CO2 factoren die CBS berekent. Op de eerste plaats volgens de integrale methode van CBS. Deze gaat uit van de totale (hernieuwbare plus niet hernieuwbare) elektriciteitsproductie in verhouding tot de aan elektriciteit toegerekende inzet van aardgas, kolen en kernenergie. Elektriciteit uit afvalverbrandingsinstallaties en restgassen wordt niet meegenomen. De tweede methode van CBS is de referentieparkmethode. Deze gaat uit van de centrale elektriciteitsproductie uit aardgas, kolen en kernenergie, uitgezonderd die centrales waarbij de warmteproductie groter is dan 20 procent van de brandstofinzet.

    De andere drie methoden maken gebruik van de CO2-emissiefactoren, zoals gepubliceerd op CO2-emissiefactoren.nl. In alle drie de gevallen ben ik uitgegaan van de well-to-wheel emissiefactoren, oftewel van de emissies in de gehele levenscyclus. Bij de eerste methode (grijs) ben ik ervan uitgegaan dat iedere kWh die we in moeten kopen van grijze stroom komt. Bij de tweede methode ben ik ervan uitgegaan dat we stroom van onbekende bron afnemen. Waarbij ik uitgegaan ben van de emissiefactor zoals die nu vermeld staat, waardoor de CO2 uitstoot van oudere jaren lager lijkt dan die in werkelijkheid was. Het aandeel hernieuwbare elektriciteit is de afgelopen 10 jaar namelijk gestegen in Nederland. In de laatste methode (stroometiket) ben ik vanaf 2015 uitgegaan van de strooommix zoals Greenchoice (onze energieleverancier) deze jaarlijks publiceert. Waarom pas vanaf 2015? Simpel, omdat ik van de jaren voor 2015 zo snel de stroometiketten niet kon vinden.

    20232 Maart Co2 Uitstoot 2

    Bovenstaande grafiek laat de CO2 uitstoot in het eerste kwartaal voor de verschillende berekeningsmethoden door de jaren heen zien. Wat opvalt is dat we in 2011 en 2014 volgens alle methoden een forse CO2 daling hebben bereikt. In 2011 komt dat door overschakeling op een HR-ketel en een zonneboiler. In 2014 door installatie van onze zonnepanelen en door onze winddelen.

    Wat verder opvalt is dat onze CO2 uitstoot in 2019, het jaar dat we over zijn gestapt op infraroodverwarming, volgens alle methoden daalt t.o.v. 2018 en terugvalt tot het niveau van 2014. Ook valt op dat de CO2 uitstoot volgens de verschillende methoden vanaf 2015 steeds verder uit elkaar beginnen te lopen. Waarbij de stroometiket steevast de laagste emissie oplevert en de referentiemethode de hoogste.

    Wanneer ik de gemiddelde CO2 uitstoot in de periode 2014-2018 (met aardgas als warmtevoorziening) vergelijk met de gemiddelde CO2 uitstoot over de periode 2019-2023 (met infraroodverwarming als warmtevoorziening) dan leveren 3 methoden een daling van de CO2 uitstoot op. De daling varieert tussen de 14 en 76%. Twee methoden (referentie en grijs) leveren een stijging op van 4 à 5%.

    Afbeelding 2

    Welke methode je het best kan hanteren voor de berekening van de CO2-uitstoot laat ik graag over aan de puristen. Ik vind de belangrijkste constatering de stijging bij de methoden die een stijging laten zien relatief klein is (4 à 5%). Terwijl de daling van de andere methoden veel sterker is. Onze CO2-uitstoot is gemiddeld genomen met gedaald. Het specifieke getal van 19% vind ik niet zo interessant. Op jaarbasis blijft de conclusie overeind. Als ik aardgas vergelijk met infraroodverwarming is de daling in de periode 2019-2022 gemiddeld 14% t.o.v. 2014-2018. De stijging volgens de referentie en de grijze stroom methode is voor die periode 4% (60 tot 70 kg CO2 op jaarbasis).

  • Energiecontract: vast, variabel, dynamisch of op naar de commons?

    Wie een beetje grasduint op social media en de discussie over energie daar volgt komt daar meestal drie smaken tegen: nationaliseer de boel, verplicht energiebedrijven om weer jaarcontracten aan te bieden en tot slot voorstanders van dynamische tarieven. Tot deze laatste behoren vooral ‘energienerds’ en voorstanders van verduurzaming. Een deel van hen is overgestapt op zogenaamde dynamische energietarieven en roept trots dat ze geld toe krijgen om de elektrische auto te laden.

    Bij alle drie de opties vraag ik me af: helpt dit de energietransitie verder? Wat hebben mensen met een krappe portemonnee aan de voorgestelde maatregel? Maar eerst wat is het verschil eigenlijk tussen vaste, variabele en dynamische tarieven.

    Vaste tarieven

    Een vast tarief is wat het zegt: gedurende de looptijd van het contract betaal je een vast bedrag per kilowattuur of per kubieke meter aardgas. Eventueel is er nog een dag en een nachttarief voor elektriciteit, maar de prijs die je voor beide betaalt per eenheid verbruik verandert niet gedurende de looptijd van het contract.

    Voor het energiebedrijf komt er heel wat meer bij kijken om een vast tarief aan te bieden aan klanten. Het energiebedrijf moet o.a. inschatten wanneer ze denken dat een klant stroom en gas gebruikt. Waarbij er altijd het risico bestaat dat een klant meer of minder gebruikt dan vooraf ingeschat. Of dat de ingekochte elektriciteit niet gelijktijdig geproduceerd en afgenomen wordt, waardoor onbalans ontstaat. Ook kan het zijn dat een energiebedrijf een deel van de op termijn ingekochte energie vooruit moet betalen. Vaak is dat een percentage van de contractwaarde, de beruchte margin call. Al deze kosten versleutelt het energiebedrijf in het vaste tarief.

    Lange tijd zijn vaste tarieven een goede manier geweest voor energiebedrijven om klanten te binden. Een jaar of langer vastigheid over de prijs van gas en elektriciteit, maar dan ook zo lang klant zijn. Bij overstappen volgt een boete. Deze was relatief laag, waardoor overstappen bij prijsdalingen lucratief was voor klanten. In de toekomst zal deze gebaseerd worden op de tarieven die je hebt afgesproken en de tarieven die nu gelden. Vergelijkbaar met hoe de boeterente wordt berekend bij tussentijds oversluiten van je hypotheek. Hoe hoger de tarieven die je betaalt en hoe lager de huidige tarieven, hoe hoger de overstapboete. Dat geeft energiebedrijven zekerheid dat klanten die bij de huidige hoge prijzen toch kiezen voor 3 jaar vast niet zomaar weg kunnen lopen als de prijzen onverhoopt toch dalen, waarmee zij blijven zitten met duren inkoopcontracten.

    De eerste vaste contracten worden al weer aangeboden, of het verstandig is om in een markt met dalende tarieven je tarief voor een jaar vast te zetten? Wie het weet mag het zeggen. Veel zal afhangen van de beschikbaarheid van aardgas komende winter en van een geslaagde herstart van Frankrijks kerncentrales. Voor mensen die veel behoefte hebben aan zekerheid over hun energiekosten kan het een uitkomst zijn. Aan de andere kant: tot en met december bent u beschermt via het prijsplafond. Dat biedt ook kansen om te experimenteren met andere contractvormen.

    Variabel

    Met een variabel tarief wordt het energietarief maandelijks aangepast. Dat kan omlaag zijn, zoals momenteel gebeurd, maar ook omhoog. Het nadeel is dat het geen zekerheid geeft over de kosten op jaarbasis. Voor eigenaren van zonnepanelen is het nadeel dat de tarieven in de zomer lager liggen, waardoor de zomerse kilowatturen tegen lagere tarieven vergoed worden dan ze in de winter zijn afgenomen.

    Het voordeel voor de klant is dat een variabel contract, waarbij de tarieven maandelijks worden gewijzigd, iedere maand opzegbaar is. De tariefswijziging biedt daar ruimte voor. Op die manier kan je de komende maanden profiteren van de goedkopere stroom in de zomer (meer zon in de mix). Rond september, oktober moet je dan wel opletten of het niet tijd is om alsnog de tarieven een jaar vast te zetten.

    Voor mensen met een krappe beurs kan een variabel tarief een optie zijn. Hou er wel rekening mee dat tarieven vaak net wat langzamer dalen dan dat ze stijgen.

    Dynamische tarieven

    De aanbieders van dynamische tarieven rekenen met uurtarieven van de zogenaamde day ahead markt. Op uren dat veel zon en wind verwacht wordt en de vraag laag is zijn de tarieven ook laag. Het kan zelfs voorkomen dat je in die uren geld toe krijgt om stroom af te nemen. Het voordeel voor afnemers van een product dat slechts beperkt op te slaan is en een elektriciteitssysteem met onvoldoende flexvermogen (energiegebruikers die bereid en in staat zijn meer af te nemen op momenten met veel aanbod). Voor energienerds of mensen en bedrijven die actief bezig zijn met energie kan een dynamisch tarief een goede manier zijn om op kosten te besparen. Bijvoorbeeld door de elektrische auto of thuisaccu op te laden als de prijs laag is, of door de vaatwasser nog even uit te stellen. Of door het productieproces af te stemmen op het moment dat er veel elektriciteit beschikbaar is (wat zeker geen nieuw idee is).

    Negatieve prijzen hebben echter ook een negatief effect op de energietransitie: want waarom zou je in zonnepanelen of windturbines investeren als er een toenemend aantal uren is waarop je geld moet betalen om je product af te zetten? Zeker bij leden van energiecoöperaties, waar niet alle leden even veel kaas van de energiemarkt hebben gegeten, geeft dat verwarring en twijfel. Negatieve prijzen zijn namelijk met regelmaat goed voor een nieuwsbericht. Je kan natuurlijk ook zorgen dat je zonnepanelen uit gaan als de prijs onder nul zakt. Dat gaat echter ten koste van de inkomsten, tenzij je zorgt dat je een vergoeding krijgt voor het terugschroeven van de productie. Zoals Zeeuwind bijvoorbeeld heeft gedaan.

    Het nadeel van dynamische tarieven is dat ze niet alleen omlaag, maar ook omhoog kunnen. Tot en met december ben je beschermd door het prijsplafond, dat wordt (terecht!) berekend over het gemiddelde tarief en niet per uur. Vanaf 2024 ben je niet meer beschermd. Dan ben je volledig overgeleverd aan de markt.

    Bij dynamische tarieven wordt een deel van het risico namelijk neergelegd bij de klant. Soms betaal je minder dan bij een variabel of vast elektriciteitstarief, maar soms ook erg veel. Wat betekent dat je potentieel voor hele hoge kosten kan komen te staan, tenzij je in staat bent het verbruik van elektriciteit uit te stellen. Zeker inwoners met een krappe beurs hebben daar naar mijn inschatting beperkt mogelijkheden toe. ’s Avonds wil je licht, de was moet een keer gedaan worden en het verbruik wordt vaak al tot een minimum beperkt.

    Een extreem voorbeeld van de risico’s van dynamische tarieven deed zich in 2021 in Texas voor, waar de prijs door het uitvallen van gascentrales t.g.v. winterkou, steeg van 5 $cent/kWh naar 9$/kWh. Nu acht ik de kans dat Nederland vergelijkbare problemen op de elektriciteitsmarkt krijgt niet groot, aan de andere kant had ik je twee jaar geleden ook voor gek verklaard als je had beweerd dat de gasprijs boven de Euro 2 per kubieke meter uit zou komen of de elektriciteitsprijs (kaal leveringstarief) zou vertienvoudigen naar meer dan 50 Eurocent per kWh.

    Vraagtekens bij dynamisch

    Hoewel een dynamisch tarief, waarbij je soms zelfs geld toe krijgt om stroom af te nemen, heel cool lijkt ben ik er geen fan van. Voor investeerders in wind- en zonne-energie is het lastig: waarom investeren in een product dat in toenemende mate te maken krijgt met negatieve prijzen? Voor afnemers met een krappe beurs is het lastig: wat als tegenover de kans op een lage rekening ook kans op een hoge rekening staat? Dat eerste is fijn, dat tweede onbetaalbaar.

    Ik begrijp mensen (met een krappe beurs) die bereid zijn te betalen voor zekerheid heel goed. Al is het maar omdat ik zelf ook liever zekerheid heb, al weet ik dat zekerheid ook een prijs kent. Zelf zoek ik ook meer vastigheid, onder andere omdat onze inkomsten over de jaren nogal fluctueren. Onze hypotheekrente staat nog 20 jaar vast, ons gasverbruik hebben we geëlimineerd (lukt namelijk niet om langer dan paar jaar vast te zetten) en ons elektriciteitsverbruik hebben we op jaarbasis voor 80% afgedekt met zonnepanelen en winddelen (huidige stand 75%). Onze winddelen leveren jaarlijks zo’n 4.500 kWh elektriciteit. De windturbines waarin we hebben geïnvesteerd gaan nog 2 tot 8 jaar mee.

    Ons elektriciteitsgebruik wordt maandelijks weggestreept tegen de productie van onze winddelen (enkel leveringstarief) en de productie van onze zonnepanelen (leveringstarief en energiebelasting). In ruil daarvoor betalen we per winddeel een vergoeding voor onbalans, in normaal Nederlands we betalen het energiebedrijf om stroom te leveren als het niet waait en om de stroom te verkopen als het waait, maar we geen stroom gebruiken.

    In het model waar we voor gekozen hebben is het probleem van gelijktijdigheid (en het financiële risico daarvan) voor het energiebedrijf. Nu de elektriciteitsprijzen sterker omhoog en omlaag stuiteren gaan de kosten die het energiebedrijf rekent voor het niet gelijktijdig gebruiken en producten omhoog. Het energiebedrijf stimuleert ons niet om gebruik en productie in balans te brengen.

    Local4Local

    Bij Local4Local kiezen de energiecoöperaties een andere route. Zij zetten juist in op het stimuleren van gelijktijdigheid van productie en gebruik van elektriciteit. Wanneer elektriciteitsproductie en afname gelijktijdig plaats vinden kunnen ze (langjarig) scherpe en vaste elektriciteitstarieven bieden aan hun leden, maar ook een veilig rendement voor de leden die investeren in de wind- en zonprojecten.

    Wanneer er bij Local4Local meer wordt afgenomen dan geproduceerd wordt dit ingekocht bij een andere energiecoöperatie of op de elektriciteitsmarkt. Als er minder wordt afgenomen dan geproduceerd wordt het restant verkocht aan een andere energiecoöperatie of op de spotmarkt. Bij negatieve prijzen kan er ook voor gekozen worden om de productie van een installatie terug te schroeven.

    De tarieven die energiecoöperaties kunnen rekenen zijn gebaseerd op wat ze kostprijs+ noemen. Dat is een tarief dat gebaseerd is op een eerlijke vergoeding voor de investeerders, het energiebedrijf dat de administratie verzorgt en voor de lokale energiecoöperatie die het project realiseert. Het marktmodel biedt ook de mogelijkheid om langjarige afspraken te maken tussen afnemer en producent, of tussen de lokale energiecoöperatie en haar leden. Een filmpje van Streekenergie ter verduidelijking van het model:

    Betuwewind, een van de pioniers, rekent haar leden maximaal 16 Eurocent per kilowattuur. Een tarief waar je in de huidige markt een puntje aan kan zuigen. Momenteel kunnen ze geen klanten onder hun leden werven, omdat de productiecapaciteit volledig verkocht is. Een overstap zou wel een forse besparing betekenen op de energierekening.

    Om aan meer leden te gaan leveren is het wel nodig dat er nieuwe projecten van de grond komen. Lees: er zijn meer zonnedaken, zonnevelden en windturbines nodig. Of misschien wel een biogascentrale op groen gas van de lokale mestvergister… Allemaal energiebronnen met nadelen, alleen hebben de alternatieven (of het nu kolencentrales, gascentrales, kerncentrales of waterkrachtcentrale zijn) dat ook. Het voordeel van Local4Local: omwonenden zullen er bij de huidige prijzen zelf om gaan vragen, want wie wil dat nou niet: zekerheid over de energiekosten voor de komende 10 tot 20 jaar?

    Binnen de coöperatie waar ik zelf actief ben zitten we ook te sleutelen aan de business case voor een windturbine. Het voorlopige plan is om deze zonder subsidie te realiseren. De verschillende scenario’s die we hebben laten doorrekenen laten de waarde van gelijktijdigheid zien: bij 60% gelijktijdigheid is het benodigde kostprijs+ tarief 35% hoger dan bij 100% gelijktijdigheid. De scenario’s laten ook de waarde van lange termijn afspraken zien. Wanneer we afspraken kunnen maken voor de komende 15 jaar kan het kostprijs+ tarief ruim de helft zakken ten opzichte van een prijsafspraak voor 5 jaar.

    Het nieuwe model roept nog wel veel vragen op: Welke nieuwe leden/klanten laat je toe tot het collectief? Wat doe je als de energievraag niet gelijktijdig is met de energieproductie? Hoe verdeel je de kosten van ongelijktijdigheid over de leden? Wat vinden we eerlijke vergoedingen voor de investeerders, voor de coöperatie en voor het energiebedrijf? Welke productie-installatie schakel je uit als de prijzen onder nul zakken en er onvoldoende elektriciteitsvraag is binnen het collectief? Vragen die je via marktprikkels (prijzen) kan oplossen, maar ook via de aloude methodes van de commons.

    Ondanks de vragen die het model oproept biedt het Local4Local model vooral kansen. Daarbij biedt het prikkels om te zorgen dat vraag en aanbod op de elektriciteitsmarkt in evenwicht komen, een prikkel die mist in het Windcentrale model. De mogelijkheid om lange termijn afspraken te combineren met de spotmarkt voor elektriciteit zorgt dat je het beste pakt van beide werelden. De gemiddeld goedkopere tarieven van de spotmarkt met de zekerheid en vastigheid van hernieuwbare bronnen.

  • Infraroodverwarming en BENG in de praktijk

    Bij verwarming met infrarood is een standaard terugkerende discussie of je daarmee wel voldoet of kunt voldoen aan de normen voor nieuwbouw (BENG = Bijna Energie Neutrale Gebouwen). Laat ik voorop stellen dat de bouwkwaliteit van onze woning daar zeker niet aan voldoet met Rc waardes van 2,5 voor de muren. Dat neemt niet weg dat het leuk is om te rekenen en te zien of we met onze woning uit 1991, verwarming d.m.v. infraroodverwarming (COP 1), mechanische ventilatie en warmwatervoorziening d.m.v. zonneboiler (COP iemand?) en hybride warmtepomp (COP 3,7) voldoen aan de nieuwbouwnorm voor Bijna Energie Neutrale Gebouwen (BENG).

    BENG is sinds 1 januari 2021 de manier waarop de de energieprestatie voor bijna energieneutrale gebouwen vast wordt gelegd. Daarbij gelden 3 normen:

    1. de maximale energiebehoefte in kWh per m2 gebruiksoppervlak per jaar
    2. het maximale primair fossiel energiegebruik, eveneens in kWh per m2 gebruiksoppervlak per jaar
    3. het minimale aandeel hernieuwbare energie in procenten

    BENG 1: energiebehoefte

    Voor het bepalen van de energiebehoefte wordt de energiebehoefte voor verwarming en koeling opgeteld.

    Deze kijkt naar een optimale kwaliteit van de gebouwschil waarbij zowel de verhouding glas ten opzichte van dichte gevel, de mate van isolatie, de mate van kierdichting als de aanwezigheid van koudebruggen een rol speelt. Niet alleen isolatie, maar juist het samenspel van bovenstaande factoren, de vorm (geometrie) en de ligging van een gebouw zijn van belang om de energiebehoefte van een gebouw zo veel mogelijk te beperken. BENG 1 gaat over al deze factoren. Hierbij wordt gerekend met een vastgesteld ‘neutraal’ ventilatiesysteem. De energiebehoefte invullen kan met hernieuwbare of fossiele energie.

    Het elektriciteitsgebruik voor de mechanische ventilatie die we hebben (Orcon MVS-15 RHB met vochtsensor)is volgens het productblad 0,5 kWh/m2 per jaar. Met een vloeroppervlak van 119 m2 komt dat op 60 kWh. Correctie erover voor het geval ie in de praktijk minder zuinig zou zijn rond ik het af op 100 kWh/jaar voor mechanische ventilatie (0,84 kWh/m2 per jaar). Bij BENG 1 wordt uitgegaan van de elektriciteitsmix, wat betekent dat er gecorrigeerd wordt voor het verlies van energie in gascentrales, kolencentrales en tijdens transmissie. Dat levert sinds 2021 een correctiefactor (primaire energiefactor) van 1,45 op voor elektriciteitsgebruik. Tot en met 2020 bedroeg de correctiefactor 2,55. Dat betekent dat de mechanische ventilatie voor 145 kWh meetelt.

    Tel ik daar het gemiddeld verbruik van de HR ketel voor verwarming in een standaardjaar (6.339 kWh) bij op dan is het totale energiegebruik voor koeling en verwarming 6.484 kWh. Oftewel 54 kWh/m2 per jaar bij verwarming met de cv-ketel.

    Met infraroodverwarming is het gemiddeld elektriciteitsgebruik voor verwarming 3.926 kWh/jaar. Inclusief mechanische ventilatie kom ik op 4.026 kWh. Gecorrigeerd met de primaire energiefactor komt dat op 5.693 kWh/jaar, oftewel 48 kWh/m2 per jaar.

    Beng 1 Norm Vs Praktijk 2

    Bovenstaande grafiek laat zien wat het effect is van de primaire energiefactor. De rode kolommen geven het energiegebruik in kWh/m2 per jaar weer voordat dit is gecorrigeerd voor primair energiegebruik. De blauwe kolommen geven hetzelfde energiegebruik weer, maar dan gecorrigeerd voor primair energiegebruik.

    BENG 2: Primair energiegebruik

    Het primair fossiel energiegebruik is een optelsom van het primair energiegebruik voor verwarming, koeling, warmtapwaterbereiding en ventilatoren. Voor utiliteitsgebouwen telt ook het primair energiegebruik voor verlichting en voor bevochtiging (indien aanwezig) mee. Voor zowel woningen en utiliteitsgebouwen geldt dat, als er PV-panelen of andere hernieuwbare energiebronnen aanwezig zijn, de opgewekte energie van het primair energiegebruik wordt afgetrokken. De norm voor BENG 2 is 50 kWh/m2 per jaar.

    Sinds we over zijn op infraroodverwarming hebben we gemiddeld 1.141 kWh aan aardgas en 157 kWh per jaar aan elektriciteit gebruikt voor warm water. Voor verwarming hebben we gemiddeld 3.826 kWh elektriciteit gebruikt (standaardjaar, dus gecorrigeerd voor weersinvloeden). Voor ventilatie hebben we 100 kWh/jaar gebruikt. Onze zonnepanelen hebben gemiddeld 2.151 kWh/jaar geproduceerd. In totaal hebben we daarmee gemiddeld een netto elektriciteitsgebruik van 1.932 kWh/jaar. Gecorrigeerd met de primaire energiefactor van 1,45 komt dat op 2.801 kWh/jaar. Tel daar het gemiddeld aardgasgebruik bij op en ons primaire fossiele energiegebruik bedraagt 3.943 kWh/jaar. Per vierkante meter is dat 33 kWh/m2 per jaar. In de periode dat we aardgas stookte was dat gemiddeld 50 kWh/m2 per jaar. Wat vooral komt door de jaren zonder zonnepanelen. Laat ik die jaren buiten beschouwing dan zitten we op 43 kWh/m2 per jaar.

    Beng 2 Norm Vs Praktijk

    BENG 3: aandeel hernieuwbare energie

    Het aandeel hernieuwbare energie wordt bepaald door de hoeveelheid hernieuwbare energie te delen door het totaal van hernieuwbare energie en primair fossiel energiegebruik. Hernieuwbare energie is afkomstig uit zon, biomassa, buitenlucht en bodem. Deze vergroten het aandeel hernieuwbare energie. De norm voor een grondgebonden woning is tenminste 50% hernieuwbare energie.

    We produceren hernieuwbare energie via onze zonneboiler (gemiddeld 1.205 kWh/jaar), onze zonnepanelen (gemiddeld 2.151 kWh/jaar) en inmiddels ook met onze warmtepomp (2.062 kWh/jaar in het eerste jaar). In totaal produceren we dus 5.362 kWh/jaar. Ons primaire elektriciteitsgebruik was de laatste 12 maanden 3.416 kWh (gecorrigeerd voor weersinvloeden). Dat maakt dat BENG 3: 5.362/(5362+3416)=5.362/8.978=62%.

    Beng 3 Norm Vs Praktijk 1

    Bovenstaande grafiek laat zien dat we door het installeren van de hybride warmtepomp de norm voor BENG 3 halen. In de jaren daarvoor kwamen we enkel in de buurt wanneer we ook de opbrengst van onze winddelen meetellen.

    Conclusie

    In een eerder berichtje op social media beweerde ik dat ik in alle jaren we verwarmen met infraroodpanelen alle 3 de BENG normen hadden behaald. Dat is wat te vroeg gejuicht geweest. Dat komt doordat ik de primarie energiefactor niet meegewogen had in mijn eerdere berekeningen.

    Wanneer ik die wel meeweeg dan hebben we in 2022 met ons energiegebruik aan alle 3 de BENG normen. De juiste versie van de tabel per jaar ziet er als volgt uit (rood voldoet niet aan de norm, groen voldoet wel aan de norm).

    Image

    In bovenstaand overzicht is te zien dat de grote uitdaging zat in het aandeel hernieuwbare energie. Zonder de warmteproductie van onze hybride warmtepomp hadden we niet aan de BENG eis kunnen voldoen, tenzij we meer zonnepanelen hadden bijgeplaatst. Deze laatste optie hebben we overwogen, maar die had voor een grotere seizoensonbalans gezorgd (meer productie in de zomer, terwijl we juist energievraag hebben in de winter).

    Er valt ongetwijfeld het nodige af te dingen op mijn berekeningsmethoden en ze voldoen zeker niet aan de NTA 8800:2023. Mocht je fouten zien dan kan je je commentaar hieronder kwijt.

    De berekeningen geven een aardig beeld van wat er kan, ook met infraroodverwarming. Want als ik in mijn grondgebonden woning uit 1991 de normen voor nieuwbouw kan halen dan moet het appeltje-eitje zijn voor een beetje bouwer van naam.

    PS Voor degene die geen warmtepomp willen vanwege de recente ophef over de hogere milieu-impact heb ik slecht nieuws. Narekening leert me dat warm water met aardgas enkel beter voor het klimaat is als je ervan uitgaat dat je iedere vier jaar alle koelvloeistof uit je warmtepomp laat lopen. En dan hou ik nog rekening met het voorstel voor herziening van de f-gassen richtlijn van de EU, waardoor er klimaatvriendelijkere koelvloeistoffen gebruikt moeten gaan worden.